Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX5227

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
04-850267-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Caféhouder probeert twee agressieve gasten weg te jagen. Rechtbank acht poging zware mishandeling en mishandeling bewezen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte gehandeld heeft uit noodweer. OVAR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850267-11

Datum uitspraak : 22 augustus 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 augustus 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een keu, althans, met een hard voorwerp meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te Roermond opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een keu, althans, met een hard voorwerp en/of met gebalde vuisten tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te Roermond aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (afgebroken tanden), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een kopstoot tegen het het gezicht te geven en/of meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht te slaan;

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] een kopstoot tegen het gezicht heeft gegeven en/of meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake al het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te Roermond opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een kopstoot tegen het gezicht heeft gegeven en/of meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (afgebroken tanden), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 augustus 2012 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en het onder 1 primair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

7.2. Bewijsmiddelen en (vrijspraak)overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 primair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 1] verklaart onder meer:

“Ik ben op 10 juli 2011 samen met [slachtoffer 2] naar een café geweest. Wij hebben eerst binnen gezeten en daarna hebben wij op het terras gezeten. Op enig moment zag ik een jongetje van ongeveer drie jaar oud lopen en ik zag dat hij het café binnen wilde lopen. Ik aaide het jongetje over zijn hoofd. Ik merkte dat de eigenaar van het café geïrriteerd werd. [slachtoffer 2] zei dat mijn bedoelingen goed waren. Ik zag toen dat de man alleen maar bozer werd. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] tegen die man zei dat hij normaal moest doen. Ik kreeg toen het gevoel dat het uit de hand ging lopen. Ik probeerde [slachtoffer 2] te kalmeren. Toen is het helemaal uit de hand gelopen. Plotseling voelde ik dat ik op mijn hoofd geslagen werd. Ik voelde meteen pijn aan mijn hoofd. Ik heb gezien dat de eigenaar van het café mij op mijn hoofd sloeg. Ik zag dat hij mij met een stok sloeg.

V: heeft [slachtoffer 2] ook klappen gekregen? A: Ik heb gezien dat hij ook geslagen werd.”

Getuige [getuige 1] verklaart onder meer:

“Ik ben 10 juli 2011 getuige geweest van een ruzie bij café [cafénaam], gevestigd aan de [adres] te Roermond. Ik zat op dat moment in het café. Buiten voor het café was het terras. Ik hoorde op dat moment buiten glasgerinkel alsof er met glazen werd gegooid. Ik zag toen de uitbater [verdachte] met bebloed hoofd het café in komen lopen. Hij had een bloedende hoofdwond. [verdachte] vroeg mij om hulp. Toen [verdachte] om hulp vroeg, zag ik dat hij een stok/biljartkeu pakte en daarmee naar buiten liep. Toen ik buiten kwam zag ik dat [verdachte] een man met de stok sloeg. Ik zag dat die man door de slag op de grond viel.”

Getuige [getuige 2] verklaart onder meer:

“Op 10 juli 2011 reed ik over de [adres] te Roermond. Ter hoogte van het café genaamd [cafénaam] zag ik dat persoon 1 ineens een voorwerp lijkende op een hockeystick in zijn handen had. Ik zag dat deze persoon met de stick gericht een aantal keren gericht op het hoofd van persoon 2 sloeg.”

Verdachte verklaart ter terechtzitting onder meer:

“Nadat ik door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met glazen en terrasstoelen bekogeld en geslagen werd, heb ik een biljartkeu gepakt om ze weg te jagen. Ik heb [slachtoffer 2] een paar keer met mijn vuisten geslagen”

Verdachte verklaart bij de politie onder meer:

“Ik heb ze toen ook in het gezicht geslagen.”

Overwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen met een biljartkeu op het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat de kans dat iemand bij het meermalen slaan op het hoofd met een biljartkeu zwaar lichamelijk letsel oploopt, mede gelet op de kwetsbaarheid van het hoofd, aanmerkelijk is. Door desondanks aldus te handelen heeft verdachte die aanmerkelijk kans ook aanvaard en op de koop toe genomen. Verdachte heeft mitsdien gehandeld met het voor poging tot zware mishandeling vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Overwegingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht voor de wezenlijke onderdelen van de tenlastelegging, te weten: ‘een kopstoot heeft gegeven’ en ‘zwaar lichamelijk letsel (afgebroken tanden)’ geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden, nu het strafdossier hieromtrent enkel de verklaring van het slachtoffer bevat en deze geen steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij bij deze afweging heeft meegenomen de omstandigheid dat [slachtoffer 2] niets verklaart over datgene wat hieraan vooraf ging, namelijk dat zowel hij als [slachtoffer 1] verdachte met glazen en terrasstoelen hebben bekogeld en geslagen. De verdachte moet derhalve van het onder 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zal voorts moeten worden vastgesteld of het meermalen slaan met de vuisten handelingen betreffen waarmee verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van deze handelingen zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke handelingen van verdachte geen sprake is, nu uit het strafdossier onvoldoende is vast te stellen dat verdachte met een zodanige kracht heeft geslagen dan wel het slachtoffer op een zodanig kwetsbare plek heeft geraakt dat de aanmerkelijke kans bestond dat zwaar lichamelijk letsel daarvan het gevolg zou kunnen zijn. De verdachte dient derhalve ook van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het meermalen slaan met de vuisten pijn oplevert.

Wel acht de rechtbank op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen bewezen dat er sprake is geweest van eenvoudige mishandeling.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 juli 2011 te Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een keu meermalen tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 10 juli 2011 te Roermond opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2])

meermalen tegen het gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan deze pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging heeft ten aanzien van het ten laste legde betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte vanaf het begin heeft verklaard dat hij zichzelf heeft verdedigd. De slachtoffers zijn degenen die de ruzie hebben uitgelokt. [slachtoffer 2] had enkele dagen eerder ook al ruzie gemaakt in het café van verdachte en ook op 10 juli 2011 was hij verdachte aan het provoceren. [slachtoffer 2] was bovendien, zoals ook de ter plaatse gekomen verbalisanten relateren, die dag behoorlijk dronken. Toen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de ogen van verdachte op een onfrisse manier met zijn zoontje bezig waren, heeft hij hen daarop aangesproken en weg gestuurd. Vervolgens werden zij agressief en wilde verdachte het café in vluchten. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verhinderden dit echter. Verdachte heeft om hulp geroepen en de biljartkeu gepakt. Verdachte is met de biljartkeu naar buiten gegaan om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weg te jagen, waarbij hij met de biljartkeu heeft geslagen. Gelet op deze feiten was er sprake van een noodweer-situatie en heeft verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten gehandeld vanuit noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte kon niet anders dan zich verweren ten behoeve van zichzelf en zijn café tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] die er kennelijk op uit waren hem te belagen en schade toe te brengen. Hetgeen getuige [getuige 2] heeft verklaard kan niet worden meegenomen bij de beoordeling of er sprake was van een noodweersituatie, nu zij in het voorbij rijden slechts een klein deel van het gebeuren heeft gezien en daarbij niet heeft kunnen waarnemen wat de verhoudingen tussen de drie personen waren.

De officier van justitie is van oordeel dat een beroep op noodweer(exces) niet kan slagen. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hoewel er sprake was van een dreigende situatie dat niet per definitie leidt tot een noodweersituatie. Als uitbater van een café dient verdachte middelen te vinden om met een dergelijke dreigende situatie om te gaan. Bovendien is verdachte actief met de biljartkeu naar buiten gelopen en werd hij op het moment dat hij daarmee sloeg niet meer aangevallen. Op dat moment was er derhalve geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. Daar geen sprake was van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweer(exces) reeds daarom niet slagen, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende strafdossier is omtrent de feitelijke toedracht het volgende aannemelijk geworden.

Op 10 juli 2011 bevinden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich op het terras behorende bij het café van verdachte. Wanneer verdachte een opmerking maakt over de in zijn ogen ongepaste manier waarop [slachtoffer 1] zijn kinderen benadert, ontstaat er een discussie en wil verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wegsturen. In plaats van te vertrekken worden zij agressief richting aangever, daarbij wordt verdachte met terrasstoelen geslagen en wordt hij op zijn hoofd geraakt door één van de glazen die zij in zijn richting gooien. Verdachte probeert naar binnen te vluchten. Door een voet tussen te deur te steken en met hun handen de deur tegen te houden, beletten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat verdachte de cafédeur achter zich kan sluiten. Zij proberen het café binnen te dringen en blijven met glazen en terrasstoelen tegen het café gooien. Verdachte roept om hulp en pakt, terwijl hij de deur probeert tegen te houden, een biljartkeu welke binnen zijn bereik staat. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gooien voorwerpen tegen het café en proberen nog steeds het café binnen te dringen. Verdachte gaat vervolgens naar buiten om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weg te jagen, waarbij hij met de biljartkeu slaat. Wanneer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weglopen maar vervolgens terugkomen, blijven provoceren en zij door omstanders moeten worden tegengehouden, omdat zij zich elke keer richting verdachte begeven, slaat verdachte [slachtoffer 2] met zijn vuisten wanneer [slachtoffer 2] op verdachte afkomt.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf en het café van verdachte waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Daarbij is de rechtbank voorts van oordeel dat deze noodweersituatie ook bestond op het moment dat verdachte [slachtoffer 2] sloeg, nu mede bezien in het licht van hetgeen daar aan voorafging, sprake was van een onmiddellijk dreigende aanranding van verdachte door [slachtoffer 2].

Om een beroep op noodweer te kunnen honoreren moet de verdediging hebben voldaan aan de eisen van proportionaliteit (hetgeen ziet op de juiste verhouding tussen de wijze van verdedigen en het aangerande rechtsgoed) en subsidiariteit (hetgeen ziet op de keuze van het middel en de wijze waarop het gebruikt is). Ter beoordeling hiervan heeft de rechtbank met name in ogenschouw genomen dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] degenen zijn geweest die de aanval hebben ingezet, zij verdachte hebben belet om naar binnen te vluchten en zij de aanval bleven voortzetten door voorwerpen tegen het café van verdachte te gooien. Bovendien stond verdachte alleen tegenover de twee agressoren die telkens de confrontatie bleven opzoeken.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte bij zijn handelen is gebleven binnen de grenzen van noodweer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de biljartkeu mogen gebruiken en heeft hij mogen slaan om zich tegen deze aanranding te verdedigen en de aanval te stoppen. De rechtbank acht deze wijze van verdedigen in een redelijke verhouding staan met de ernst van het gevaar van de aanranding. Bovendien heeft verdachte alvorens hij overging tot deze handelingen geprobeerd te vluchten.

Gelet op vorenstaande honoreert de rechtbank het beroep op noodweer en acht dientengevolge het onder 1 primair en onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar. De verdachte zal ter zake van het onder 1 primair en onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

9.1. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de schadevergoedings-maatregel

[slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de materiële schade, inclusief de post kosten rechtsbijstand ad

€ 125,- op een bedrag van € 1.897,- en de immateriële schade op een bedrag van € 60.000,- gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor geen straf of maatregel wordt opgelegd, noch artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

De benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van verdachte geleden ter zake van deze vordering. De rechtbank schat de tot op heden geleden kosten op nihil.

9.2. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en de schadevergoedings-maatregel

[slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 816,36 en de immateriële schade op een bedrag van € 2.000,- gesteld en wil die schades vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor geen straf of maatregel wordt opgelegd, noch artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

De benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van verdachte geleden ter zake van deze vordering. De rechtbank schat de tot op heden geleden kosten op nihil.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en subsidair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair en het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten gemaakt aan de zijde van verdachte geleden ter zake van deze vordering, tot op heden begroot op nihil.

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten gemaakt aan de zijde van verdachte geleden terzake van deze vordering, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, P.M.S. Dijks en L.J.A. Crompvoets, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 22 augustus 2012.

Mr. L.J.A. Crompvoets is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.