Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX3992

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
Awb 12/355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur om inzage in integriteitsmeldingen van wethouder leidt niet tot resultaat. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 355

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te Sittard, eiseres

(gemachtigde: J.J.J.E. Koster),

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigde: mr. J.D.E. van den Heuvel),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te Roermond.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om op grond van de wet openbaarheid van bestuur (Wob) inzage te verstrekken met betrekking tot de integriteitsmeldingen van wethouder [belanghebbende] afgewezen. Bij besluit van 30 januari 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit van 30 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de derde-partij heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is gevoegd met de eveneens tussen partijen in geding zijnde zaak onder zaaknummer 12/985 behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 juli 2012.

Op deze zitting zijn namens eiseres verschenen haar gemachtigde, H. Paulussen, B. Oostra en H. Goossen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door haar hierboven genoemde gemachtigde en L. van den Bongard. De derde-partij, [belanghebbende], is eveneens ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 9 september 2010 is van de zijde van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (DDL/LD) een aantal verzoeken in het kader van de Wob gedaan, waaronder het verzoek om kopieën van alle meldingen in het kader van de voor de gemeente geldende integriteitscode die de zittende leden van het college sinds hun aantreden hebben gedaan. Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder op dit laatste verzoek, met toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob uittreksels/overzichten van de gedane meldingen verstrekt aan de verzoekers. Tegen dit besluit van 9 november 2010 is geen rechtsmiddel aangewend.

2. Nadat te kennen was gegeven was dat het aanbod van de wethouder [belanghebbende] aan een journalist van DDL/LD om inzage te geven in de onderliggende stukken van zijn meldingen slechts gold onder de voorwaarde van geheimhouding en DDL/LD met die voorwaarde niet instemde, heeft eiseres, uitgeefster van DDL/LD, bij brief van 29 augustus 2011 in het kader van de Wob inzage en zo nodig fotokopie gevraagd van de onderliggende stukken die betrekking hebben op de integriteitsmeldingen van wethouder [belanghebbende].

Bij besluit van 10 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van 29 augustus 2011 afgewezen op de grond dat verweerder bij besluit van 9 november 2010 reeds aan eiseres de gevraagde informatie openbaar heeft gemaakt en het besluit van 9 november 2010 onherroepelijk is geworden, zodat het verzoek van eiseres een herhaald verzoek is.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 10 oktober 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Bij het eerdere besluit van 9 november 2010 heeft verweerder met toepassing van artikel 7, eerste lid onder c van de Wob door middel van uittreksels de bij brief van 9 september 2010 verlangde informatie gegeven, en tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Indien DDL/LD het destijds niet eens was met de wijze van verstrekken van de informatie had het in de rede gelegen daartegen te ageren binnen de daarvoor gestelde bezwaartermijn van zes weken.

Nu in het besluit van 9 november 2010 is gekozen voor het verstrekken van een uittreksel, is de toezegging van wethouder [belanghebbende] om inzage te geven op persoonlijke titel geschied en niet gedaan door een bestuursorgaan en is deze toezegging onverplicht, waarbij het hem vrij staat daaraan een voorwaarde van geheimhouding te verbinden.

4. In beroep heeft eiseres aangevoerd, hier in hoofdpunten weergegeven, dat zij door haar verzoek van 29 augustus 2011 wenst de onderliggende stukken van de integriteitsmeldingen in te zien en niet slechts een uittreksel daarvan te ontvangen. Met de onderliggende stukken doelt eiseres op die stukken die de commissie Sorgdrager heeft kunnen inzien voor haar rapportage over de toepassing van de integriteitscode in de gemeente Roermond (“de Schijn en de feiten”). Zij beroept zich erop, dat de toezegging van de wethouder [belanghebbende] is gedaan als lid van het college, hetgeen ook blijkt uit het feit dat de gemeente aan eiseres bij mail heeft laten weten dat aan die toezegging de nadere voorwaarde van geheimhouding werd verbonden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het standpunt, dat met de aanvraag van 29 augustus 2011 sprake is van een herhaald verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Zoals volgt uit de vaste rechtspraak, ook voor de toepassing van de Wob (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 6 maart 2008, LJN: BC7124, en 2 februari 2011, LJN: BP2784), kan, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

7. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet voor dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, aan het eerdere besluit kan afdoen.

8. De eerste aanvraag van 9 september 2010 is afkomstig van DDL/LD en het besluit van 9 november 2010 is ook daaraan gericht. De aanvraag van 29 augustus 2011 is afkomstig van eiseres en het tweede bestreden besluit is ook aan deze gericht. Zoals ter zitting van de zijde van eiseres is verklaard, zijn Dagblad De Limburger BV en Limburgs Dagblad BV beide volle dochters van [eiseres] en is er daardoor sprake van zodanig sterke verwevenheid tussen de dochter-BV’s en eiseres, dat beide aanvragen en adressering van beide besluiten aan eiseres moeten worden toegerekend. Dat geldt ook voor het al dan niet instellen van een rechtsmiddel tegen het besluit van 9 november 2010. Als vervolgens moet worden vastgesteld dat eiseres met de tweede aanvraag van 29 augustus 2011 afgifte heeft gevraagd van dezelfde stukken als waarom zij had verzocht bij de eerste aanvraag van 9 september 2010, moet worden gesproken van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

9. In de eerste aanvraag is verzocht om kopieën van alle integriteitsmeldingen (onder meer met betrekking tot wethouder [belanghebbende]) en in de tweede aanvraag om inzage in, zo nodig kopie van, de onderliggende stukken die betrekking hebben op de integriteitsmeldingen van deze wethouder. Zoals uit de gronden van het beroep en de toelichting ter zitting blijkt is het eiseres dan te doen om die stukken die ook de commissie Sorgdrager ter inzage had gekregen, zoals opgesomd op bladzijde 10, laatste alinea van het rapport. Tevens is gebleken, dat de integriteitsmeldingen zijn vastgelegd in aantekeningen van mondelinge mededelingen, schriftelijke notities, mails en notulen van vergaderingen/besprekingen, dat de commissie Sorgdrager de meldingen ook in deze vastgelegde vormen heeft ingezien en dat verweerder deze meldingen heeft neergelegd in de registraties behorende bij zijn besluit van 9 november 2010. Zowel de commissie Sorgdrager in haar rapportage als de wethouder [belanghebbende] in zijn aanbod spreekt enkel over de integriteitsmeldingen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is de vraag naar onderliggende stukken bij de meldingen, daarbij inbegrepen de vraag of die er wel of niet zijn geweest, in wezen identiek aan de vraag naar de meldingen. Met de tweede vraag van 29 augustus 2011 is niet meer gevraagd dan met de eerste vraag van 9 september 2010 was beoogd. Dat brengt met zich dat de tweede aanvraag moet worden gezien als een herhaalde aanvraag. Of verweerder als reactie op de eerste aanvraag had mogen volstaan met het enkel toezenden van deze meldingen in een registratief overzicht en of verweerder niet meer had moeten doen dan dit, door toezending van kopieën van de meldingen zelf (en mogelijk verdere stukken), heeft betrekking op de vraag of verweerder bij het besluit van 9 november 2010 terecht en op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. Dit was dan ook te beoordelen geweest in het kader van een rechtsmiddel tegen het besluit op die eerste aanvraag, het besluit van 9 november 2010, en kan niet alsnog door het instellen van beroep tegen het besluit van 30 januari 2012 aan de bestuursrechter ter toetsing worden voorgelegd. Dat zou wel het geval zijn als zich een situatie zou voordoen als bedoeld in de in rechtsoverweging 7 weergegeven rechtspraak.

11. Als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid na het eerdere besluit van 9 november 2010 voorgevallen, voert eiseres aan het feit dat pas achteraf aan de toezegging van de wethouder [belanghebbende] de voorwaarde van geheimhouding bleek te zijn verbonden, met welke voorwaarde eiseres niet kon instemmen. Naar het oordeel van de rechtbank is echter op voorhand uitgesloten dat dit aan het eerdere besluit kan afdoen, omdat de toezegging op geen enkele wijze onderdeel uitmaakte van verweerders besluit van 9 november 2010 en ook niet daaraan kan worden toegerekend. De later gestelde voorwaarde doet, want verbonden aan de toezegging, dan evenmin af aan het besluit van 9 november 2011, zodat deze ook niet kan worden aangemerkt als rechtens relevant nieuw feit of relevante nieuwe omstandigheid.

12. Nu niet is gebleken van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, is er geen ruimte voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 30 januari 2012. Het beroep daartegen is ongegrond.

13. Voor veroordeling van eiseres in de proceskosten, zoals verweerder in het verweerschrift heeft gevraagd, ziet de rechtbank geen aanleiding omdat niet kan worden gesproken van misbruik van procesrecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. J. Voncken (voorzitter), en mr. Th. M. Schelfhout en mr. B.J. Zippelius, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2012.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. P.J. Voncken,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 juli 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.