Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX2780

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/1639
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij een verzoek tot vernieuwing op grond van art. 74 van de Kadasterwet is afgewezen en waarbij ambtshalve is besloten de kadastrale grens tussen de percelen te herstellen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat de Kadasterwet niet aangeeft dat derden een verzoek tot vernieuwing kunnen doen, en dat om die reden de afwijzing van het verzoek om vernieuwing als een mededeling moet worden aangemerkt en niet als een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. De Rb. begrijpt dit standpunt aldus dat verweerder, gelet op de vaste rechtspraak van de ABRS (zie bijv. de uitspraak van 20 januari 1998, LJN: ZF3146), bedoeld heeft te zeggen dat de aanvraag van eiser om vernieuwing op grond van art. 74 van de Kadasterwet aangemerkt moet worden als een verzoek, niet afkomstig van een belanghebbende, en dat om die reden de afwijzing van het verzoek geen besluit in de zin van de Awb is. Op grond van het vorenstaande, en gezien het feit dat verweerder zich daarnaast in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen belanghebbende is inzake het primaire besluit voor zover dat ziet op het ambtshalve herstel van een kadastrale grens, is de kern van het geschil de vraag of verweerder eiser terecht niet als belanghebbende als bedoeld in art. 1:2 Awb heeft aangemerkt. Dienaangaande overweegt de Rb. als volgt.

In de parlementaire geschiedenis van de Kadasterwet is aandacht geschonken aan het in die wet opgenomen begrip ‘belanghebbenden’ en is onder meer het volgende vermeld:

“Bij personen die bij de bijhouding belanghebbenden zijn (…) valt te denken niet alleen aan de nieuwe eigenaren en/of beperkt gerechtigden maar ook aan de vorige eigenaren en/of beperkt gerechtigden. Anders gezegd, onder belanghebbenden worden in ieder geval begrepen al diegenen die blijkens het ingeschreven stuk of door de inschrijving daarvan enig recht (eigendom of beperkt recht) hebben verkregen, en degenen wiens recht blijkens dat stuk of door de inschrijving daarvan is vervallen, overgedragen, gewijzigd of waarvan afstand is gedaan.” (TK1981-1982, 17 496, nr. 5, p. 100). “Van een wettelijke omschrijving van de term “belanghebbende” is afgezien ten einde niet door een te strakke regeling personen uit te sluiten die bij toepassing van de desbetreffende bepaling een duidelijk belang hebben, maar die niet in de wettelijke omschrijving voorkomen omdat aan het desbetreffende geval niet is gedacht. Uit de wettekst zelf (artikelen 58, lid 1 en 59 lid 1) is duidelijk dat onder belanghebbenden in elk geval vallen degenen die blijkens het ingeschreven stuk of door de inschrijving daarvan enig recht (eigendom of beperkt recht) hebben verkregen en degenen wier recht blijkens het stuk of door inschrijving ervan is vervallen, overgedragen of gewijzigd of waarvan afstand is gedaan. (…) De materie leent zich, gelet op het uiteenlopende karakter van de stukken waarom het kan gaan, niet voor een meer specifieke regeling. Dat is ook nog te adstrueren door het feit dat bij een belanghebbende gedacht moet worden niet alleen om hen die ingevolge de hier bedoelde bepalingen een mededeling of kennisgeving dienen te ontvangen, doch ook aan hen die (…) tegen een eventuele beslissing bezwaar kunnen maken, of in beroep kunnen komen. In dit laatste geval bepaalt uiteindelijk de rechter of de desbetreffende persoon voldoende belang heeft om als “belanghebbende” in zijn beroep te kunnen worden ontvangen. Hierin ligt besloten dat het begrip, zoals ook uit de memorie van toelichting bij dit artikel blijkt, ruim moet worden genomen.” (TK1986–1987, 17 496, nr. 23, p. 45)

Niet in geschil is dat eiser in het verleden het recht van eigendom heeft gehad over het betreffende perceel en dat dit recht is overgedragen na executoriale verkoop van voormeld perceel. Gelet op de weergegeven parlementaire geschiedenis, is eiser als voormalige rechthebbende dan ook niet aan te merken als een willekeurige derde die zich tot verweerder heeft gewend. Vast staat voorts dat eiser verzocht heeft om vernieuwing van de kadastrale grens van de betreffende percelen. Nu eiser reconstructie van die kadastrale grenzen wenst teneinde daarmee een procedure tot herziening van het voor hem nadelige civiele vonnis te starten, is de Rb. van oordeel dat eiser een persoonlijk, van anderen te onderscheiden actueel belang heeft bij zijn verzoek aan verweerder. Eiser moet dan ook als belanghebbende als bedoeld in art. 1:2, lid 1 Awb worden beschouwd.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat, nu eiser belanghebbende in de zin van de Awb is, het verzoek om vernieuwing niet kan worden aangemerkt als een verzoek, niet afkomstig van een belanghebbende. Het primaire besluit, voor zover daarin het verzoek om vernieuwing op grond van art. 74 Kadasterwet is afgewezen, is dan ook een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Daarnaast volgt hieruit dat eiser, anders dan verweerder heeft gesteld, ter zake van het bezwaar tegen het primaire besluit voor zover dat ziet op het ambtshalve herstel van de kadastrale grens, eveneens belanghebbende in de zin van de Awb is. Het vorenstaande betekent dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Rb. zal het beroep tegen het bestreden besluit dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. (…)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 1;3
Invoeringswet Kadasterwet 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 1639

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Susteren, eiser

(gemachtigde: mr. J. Gepken),

en

de Bewaarder van het kadaster en de openbare registers, verweerder

(gemachtigde: mr. M.I. Mollee-ten Hoor),

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek tot vernieuwing op grond van artikel 74 van de Kadasterwet afgewezen. Voorts heeft verweerder ambtshalve besloten de kadastrale grens tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummers [nummer] en [nummer], te herstellen.

Bij besluit van 14 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam].

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser aan het einde van de zitting, nadat partijen aan de hand van pleitnota’s hun standpunten hadden toegelicht en de rechtbank wenste over te gaan tot sluiting van het onderzoek ter zitting, nog een aantal stukken ter overhandiging aanbood. De rechtbank zal deze stukken, gelet op het late tijdstip van indienen daarvan, niet betrekken bij de beoordeling van het onderhavige geding. De stukken zijn ter zitting aan eiser teruggegeven waarna de rechtbank tot sluiting van het onderzoek is overgegaan.

2. Eiser is eigenaar geweest van een stomerij met bovenwoning op het adres [adres], kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummer [nummer]. Na een door eiser uitgevoerde verbouwing nabij een met het buurperceel mandelige muur, is hij in 1985 door de toenmalige eigenaar van dat buurperceel, kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummer [nummer], gedagvaard. Dit heeft geresulteerd in een vonnis van deze rechtbank waarbij de civiele vordering van de buurman is toegewezen en waarbij eiser onder meer is veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 6.000,--. Nadat vervolgens executoriaal beslag was gelegd, is op 10 mei 1989 de stomerij met bovenwoning aan het adres [adres] te Limbricht in het openbaar geveild.

3. Op 10 mei 2010 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek om vernieuwing op grond van artikel 74 van de Kadasterwet in verband met de juiste ligging van de kadastrale grens van de percelen kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummers [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer]. Aan dit verzoek heeft eiser ten grondslag gelegd dat de rechtbank naar aanleiding van het geschil tussen eiser en zijn buurman, op 10 maart 1987 ter plaatse een descente heeft verricht. Volgens eiser is de rechtbank daarbij en bij haar oordeelsvorming uitgegaan van een onjuiste kadastrale kaart van 23 juli 1982, en is sprake van een verschil in de perceelgrenzen die op meerdere kaarten tussen voormelde percelen zijn getekend. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser van 10 mei 2010 afgewezen. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de reconstructie van de kadastrale grens tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummers [nummer], [nummer] en [nummer] correct is uitgevoerd. Voorts heeft verweerder eiser meegedeeld dat uit het onderzoek is gebleken dat de kadastrale grens tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummers [nummer] en [nummer] niet correct was opgenomen in de basisregistratie kadaster. Verweerder heeft die grens op grond van artikel 7s van de Kadasterwet ambtshalve hersteld.

4. Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is in het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is de mededeling dat geen redenen aanwezig zijn voor een vernieuwingsprocedure geen voor bezwaar vatbaar besluit. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ambtshalve onderzoek heeft plaatsgevonden. Omdat eiser vanaf juni 1989 ter plaatse geen eigendom meer heeft en blijkbaar ook niet wordt aangesproken door derden met betrekking tot de grenzenkwestie, is volgens verweerder het bezwaar van eiser ook op dat punt niet-ontvankelijk.

5. Eiser voert in beroep aan dat het primaire besluit aangemerkt moet worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het rechtsgevolg is volgens eiser dat geen wijziging dan wel vernieuwing op grond van artikel 74 van de Kadasterwet plaatsvindt. Daarnaast betoogt eiser dat hij via de vernieuwingsprocedure wil aantonen dat de rechtbank, sector civiel, destijds is uitgegaan van een foutieve kadastrale kaart. Eiser is voornemens herziening van het civiele vonnis te vragen. Volgens hem is hij daarom belanghebbende

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

8. Artikel 74 van de Kadasterwet bepaalt dat in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen de Dienst bevoegd is te onderzoeken of de gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en de feitelijke gesteldheid van onroerende zaken, alsmede de gegevens betreffende de rechtstoestand van de rechten waaraan deze onroerende zaken onderworpen zijn, die zijn weergegeven in de basisregistratie kadaster en de bescheiden, bedoeld in artikel 50, juist en volledig zijn.

9. In artikel 23, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kadasterbesluit is bepaald dat de Dienst bevoegd is een onderzoek van vernieuwing als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Kadasterwet, in te stellen indien zulks aan de Dienst wordt verzocht op de door de verzoeker aannemelijk te maken grond dat met betrekking tot één of meer onroerende zaken de in de basisregistratie kadaster, op de kadastrale kaart en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorkomende gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en feitelijke gesteldheid niet voldoende juist en volledig zijn.

10. In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat de Kadasterwet niet aangeeft dat derden een verzoek tot vernieuwing kunnen doen, en dat om die reden de afwijzing van het verzoek om vernieuwing als een mededeling moet worden aangemerkt en niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat verweerder, gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

20 januari 1998, LJN ZF3146), bedoeld heeft te zeggen dat de aanvraag van eiser om vernieuwing op grond van artikel 74 van de Kadaster aangemerkt moet worden als een verzoek, niet afkomstig van een belanghebbende, en dat om die reden de afwijzing van het verzoek geen besluit in de zin van de Awb is. Op grond van het vorenstaande, en gezien het feit dat verweerder zich daarnaast in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen belanghebbende is inzake het primaire besluit voor zover dat ziet op het ambtshalve herstel van een kadastrale grens, is de kern van het geschil de vraag of verweerder eiser terecht niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb heeft aangemerkt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

11. In de parlementaire geschiedenis van de Kadasterwet is aandacht geschonken aan het in die wet opgenomen begrip ‘belanghebbenden’ en is onder meer het volgende vermeld:

“Bij personen die bij de bijhouding belanghebbenden zijn (…) valt te denken niet alleen aan de nieuwe eigenaren en/of beperkt gerechtigden maar ook aan de vorige eigenaren en/of beperkt gerechtigden. Anders gezegd, onder belanghebbenden worden in ieder geval

begrepen al diegenen die blijkens het ingeschreven stuk of door de inschrijving daarvan enig recht (eigendom of beperkt recht) hebben verkregen, en degenen wiens recht blijkens dat stuk of door de inschrijving daarvan is vervallen, overgedragen, gewijzigd of waarvan afstand is gedaan.” (Tweede Kamer 1981-1982, 17 496, nr. 5, p. 100).

“Van een wettelijke omschrijving van de term “belanghebbende” is afgezien ten einde niet door een te strakke regeling personen uit te sluiten die bij toepassing van de desbetreffende bepaling een duidelijk belang hebben, maar die niet in de wettelijke omschrijving voorkomen omdat aan het desbetreffende geval niet is gedacht. Uit de wettekst zelf (artikelen 58, eerste lid, en artikel 59, eerste lid) is duidelijk dat onder belanghebbenden in elk geval vallen degenen die blijkens het ingeschreven stuk of door de inschrijving daarvan enig recht (eigendom of beperkt recht) hebben verkregen en degenen wier recht blijkens het stuk of door inschrijving ervan is vervallen, overgedragen of gewijzigd of waarvan afstand is gedaan. (…) De materie leent zich, gelet op het uiteenlopende karakter van de stukken waarom het kan gaan, niet voor een meer specifieke regeling. Dat is ook nog te adstrueren door het feit dat bij een belanghebbende gedacht moet worden niet alleen om hen die ingevolge de hier bedoelde bepalingen een mededeling of kennisgeving dienen te ontvangen, doch ook aan hen die (…) tegen een eventuele beslissing bezwaar kunnen maken, of in beroep kunnen komen. In dit laatste geval bepaalt uiteindelijk de rechter of de desbetreffende persoon voldoende belang heeft om als “belanghebbende” in zijn beroep te kunnen worden ontvangen. Hierin ligt besloten dat het begrip, zoals ook uit de memorie van toelichting bij dit artikel blijkt, ruim moet worden genomen.”. (Tweede Kamer 1986 – 1987, 17 496, nr. 23, p. 45)

12. Niet in geschil is dat eiser in het verleden het recht van eigendom heeft gehad over het perceel, kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummer [nummer], en dat dit recht is overgedragen na executoriale verkoop van voormeld perceel in 1989. Gelet op de onder overweging 11 weergegeven parlementaire geschiedenis, is eiser als voormalige rechthebbende dan ook niet aan te merken als een willekeurige derde die zich tot verweerder heeft gewend. Vast staat voorts dat eiser verzocht heeft om vernieuwing van de kadastrale grens van de percelen kadastraal bekend gemeente Limbricht sectie [letter] nummer [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer], waarbij de percelen met de nummers [nummer], [nummer] en [nummer] grenzen aan het perceel met nummer [nummer]. Nu eiser reconstructie van die kadastrale grenzen wenst teneinde daarmee een procedure tot herziening van het voor hem nadelige civiele vonnis te starten, is de rechtbank van oordeel dat eiser een persoonlijk, van anderen te onderscheiden actueel belang heeft bij zijn verzoek aan verweerder. Eiser moet dan ook als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden beschouwd.

13. Uit het onder 12 overwogene volgt dat, nu eiser belanghebbende in de zin van de Awb is, het verzoek van 10 mei 2012 niet kan worden aangemerkt als een verzoek, niet afkomstig van een belanghebbende. Het primaire besluit, voor zover daarin het verzoek om vernieuwing op grond van artikel 74 van de Kadasterwet is afgewezen, is dan ook een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Daarnaast volgt uit het onder 12 overwogene dat eiser, anders dan verweerder heeft gesteld, ter zake van het bezwaar tegen het primaire besluit voor zover dat ziet op het ambtshalve herstel van de kadastrale grens, eveneens belanghebbende in de zin van de Awb is. Het vorenstaande betekent dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

14. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de rechtbank voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

15. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek dat leidt tot vernietiging van het bestreden besluit zich niet voor instandlating van de rechtsgevolgen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat niet gebleken is van een andere grond om tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit over te gaan. Verweerder zal naar aanleiding van het bezwaar dan ook tot een inhoudelijk heroverweging van het primaire besluit moeten overgaan. Nu die inhoudelijke heroverweging ontbreekt, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om de bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,--. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting) worden twee punt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van C.M.E. Geraedts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2012.

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 juli 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.