Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX2770

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/1810
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak voor herstel van een gebrek aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van groepswoningen/zorgwoningen voor dementerende ouderen. Beantwoording van de vraag of de in de ruimtelijke onderbouwing getrokken conclusie dat de parkeerbalans in de directe omgeving als gevolg van het project niet onevenredig wordt beïnvloed berust niet op zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering nu onvoldoende rekening is gehouden met het vervallen van parkeerplaatsen in de directe omgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 1810

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Venray, eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Alciyan),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: M. M. Davits).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Zorggroep Noord- en Midden-Limburg, te Venlo

(gemachtigde: R. van de Molengraft).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de Stichting Zorggroep Noord- en Midden-Limburg (verder: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van de bestemmingsplanregels, voor bouwen en voor kappen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor vergunninghoudster is haar gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van vier groepswoningen/zorgwoningen voor 28 dementere[adres]e [adres] en [adres] te Venray (kadastraal bekend als Sectie [nummer]) en het kappen van bomen, welke aanvraag is binnengekomen bij verweerder op 28 mei 2011. Eiser die op het aangrenzende perceel een garagebedrijf met tankstation exploiteert heeft een zienswijze naar voren gebracht over het door verweerder gepubliceerde ontwerp voor een toewijzend besluit. Deze zienswijze betrof door eiser gestelde toezeggingen die aan hem zouden zijn gedaan omtrent aankoop van het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft, de door hem gevreesde overlast door toename van parkeerdruk en de gevolgen voor de afvoer van regenwater.

2. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de opgestelde ruimtelijke onderbouwing aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning op grond van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht verleend voor -voor zover in dit geding van belang- af te wijken van de bestemmingsplanregels betreffende de grenzen van het bouwvlak en de maximale bouwhoogte ter plaatse van de voorgenomen activiteiten en heeft hij gemotiveerd waarom de zienswijzen van eiser niet tot een ander besluit hebben geleid.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn zienswijzen betreffende de gevolgen voor de parkeersituatie in de omgeving van zijn bedrijf ten onrechte niet tot wijziging van het ontwerp dan wel het niet verlenen van de vergunning hebben geleid. Eiser heeft betoogd dat verweerder door onder verwijzing naar de zogeheten CROW-normen de aanleg van 16 parkeerplaatsen op eigen terrein als voldoende te aanvaarden, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het project het volgens hem reeds bestaande tekort aan parkeerplaatsen in de omgeving niet zal vergroten. Hij betoogt dat ten onrechte niet is getoetst aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening en dat een correcte toepassing van de CROW-normen in samenhang met het gemeentelijke rapport “Toets(s)teen Openbare Ruimte” met zich zou brengen dat ten minste 0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid op eigen terrein zouden moeten worden gerealiseerd. Verder heeft eiser betoogd dat verweerder heeft veronachtzaamd dat als gevolg van de bouw van de zorgwoningen bestaande openbare parkeerplaatsen langs de [adres] komen te vervallen. In de visie van eiser zijn bij de vergunningverlening diens belangen, die onder meer worden getroffen door overlast door herhaaldelijk op zijn terrein en voor de toegang tot het tankstation parkerende auto’s, onvoldoende meegewogen, is dat besluit verder ook onvoldoende gemotiveerd en ontbeert dat een goede ruimtelijke onderbouwing.

4. De onder 3 beschreven beroepsgronden van eiser hebben uitsluitend betrekking op de gevolgen van het project, waarop de aangevochten omgevingsvergunning ziet, voor het parkeren in de omgeving. De rechtbank overweegt daarover allereerst dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State artikel 2.5.30 van de Bouwverordening moet wijken voor hetgeen met een verleende vrijstelling van het bestemmingsplan -waarmee een omgevingsvergunning als de onderhavige op een lijn is te stellen- indien de aanwezigheid van voldoende parkeerruimte uitdrukkelijk en voldoende is meegewogen (onder meer de uitspraak van 7 september 2005, LJN: AU2168). De vraag moet dus worden beantwoord of de in de ruimtelijke onderbouwing op basis van de CROW-normen getrokken conclusie dat de parkeerbalans in de directe omgeving als gevolg van het project niet onevenredig wordt beïnvloed op zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering berust. Wat betreft de toepassing van de CROW-normen acht de rechtbank zulks het geval. De rechtbank vermag anders dan eiser, gelet op de doelgroep van de beoogde zorgwoningen, niet in te zien dat hierop niet de norm voor verpleeg- en verzorgingstehuizen, in welke norm personeel en bezoekers zijn verdisconteerd, zou mogen worden toegepast.

5. Het betoog van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het vervallen van parkeerplaatsen langs de [adres] treft echter wel doel. In de ruimtelijke onderbouwing is slechts vermeld dat de thermoplast voor de desbetreffende parkeerplaatsen wordt verwijderd. In het verweerschrift is vermeld dat deze parkeerplaatsen waren bestemd voor de school die voorheen op het perceel was gevestigd wegens het ontbreken van parkeermogelijkheden op eigen terrein. Ter zitting is gebleken dat het gaat om acht parkeerplaatsen waarvan de markering met thermoplast wordt verwijderd. Of enige parkeermogelijkheden op het betrokken weggedeelte resteren, kon ter zitting niet worden opgehelderd. Wel is duidelijk geworden dat in elk geval voor een deel op dat weggedeelte fysiek niet meer zal kunnen worden geparkeerd in verband met de uitritten van de zorgwoningen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij beantwoording van de vraag of in een geval als het voorliggende wordt voorzien in voldoende parkeerruimte, alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van realisering van het bouwplan en kan een reeds bestaand tekort aan parkeergelegenheid als regel buiten beschouwing blijven (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 oktober 2005. LJN: AU3808). Voorts dient bij vervangende nieuwbouw slechts rekening te worden gehouden met de toename van de door het bouwplan veroorzaakte parkeerbehoefte ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte (Afdelingsuitspraak van 9 november 2011, LJN: BU3762). Nu als gevolg van het bouwplan een, thans niet exact bekend, aantal parkeerplaatsen vervalt, had bij de vaststelling van de parkeerbehoefte het antwoord op de vraag of in de bestaande situatie tekorten aanwezig waren, echter niet met de enkele stelling dat het om een matig stedelijk gebied gaat en zonder enig nader onderzoek naar de feitelijke parkeersituatie, ontkennend mogen worden beantwoord. De rechtbank verwijst daartoe nogmaals naar de eerder vermelde uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2005. Verweerders stelling dat de betrokken parkeerplaatsen waren bedoeld voor de voormalige school, acht de rechtbank onvoldoende om ervan uit te gaan dat er sprake is van vervangende nieuwbouw. In de ruimtelijke onderbouwing is immers vermeld dat het om een braakliggend terrein gaat. Voorts is ter zitting is gebleken dat bedoelde school sinds 2007 is verdwenen. Niet kan worden uitgesloten dat de parkeerbehoefte ter plaatse sindsdien is toegenomen.

6. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding) en 3:46 van de Awb (deugdelijke motivering) een gebrek vertoont. In verband met de wenselijkheid van finale beslechting van het geschil overweegt de rechtbank dat, gelet op het benodigde nader onderzoek, door de rechtbank zelf in de zaak voorzien niet tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank ziet in genoemd gebrek wel grond om de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb toe te passen en aldus verweerder in de gelegenheid te stellen dat gebrek te herstellen. Ingevolge artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank daarvoor een tussenuitspraak. Tevens dient het onderzoek daartoe te worden heropend. Op grond van het tweede lid van artikel 8:80a van de Awb geeft de rechtbank aan verweerder de volgende aanwijzingen Verweerder kan het gebrek herstellen door middel van nader onderzoek naar de feitelijke parkeersituatie, waaronder de door eiser gestelde hinder voor zijn bedrijfsvoering. Indien uit dat onderzoek de op goede gronden gebaseerde conclusie volgt dat ook na wegvallen van genoemde parkeerplaatsen er voldoende parkeermogelijkheden in de omgeving blijven, kan het bestreden besluit ongewijzigd worden gehandhaafd. Verweerder kan er ook voor kiezen een onderzoek als bedoeld achterwege te laten, indien wordt verzekerd dat het wegvallen van het nader vast te stellen aantal langsparkeerplaatsen alsnog wordt gecompenseerd door het realiseren van meer parkeerplaatsen op eigen terrein van vergunninghoudster (waarvoor naar ter zitting is gebleken nog ruimte bestaat) en/of door het opnieuw creëren van parkeermogelijkheden langs de [adres]. Gelet op de beperkte strekking van de opgedragen nadere besluitvorming, acht de rechtbank tevens termen aanwezig om, voor het geval het tot een gewijzigde aanvraag en een nieuw besluit komt, gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, in die zin dat de voorbereiding van het nieuwe besluit niet dient te geschieden overeenkomstig de eisen van afdeling 3.4 van de Awb (de openbare voorbereidingsprocedure). Mede gelet op de vakantieperiode bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

7. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser en vergunninghoudster in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

8. De rechtbank overweegt ter voorlichting van partijen voorts dat het geding na deze tussenuitspraak in beginsel alleen nog gaat over het herstel van het geconstateerde gebrek. Dat betekent tevens dat de rechtbank alleen in zeer uitzonderlijke gevallen in de einduitspraak kan terugkomen op een in deze tussenuitspraak gegeven oordeel.

9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- bepaalt dat, voor zover het gebrek wordt hersteld door het nemen van een nieuw besluit, dat niet hoeft te geschieden conform de eisen van afdeling 3.4 van de Awb;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2012.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 juli 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.