Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX2093

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
04/860186-12 en 04/860753-09 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen handelen in strijd met bevoegdheden als bedoeld in art. 9 Opiumwet door openen van tassen met henneptoppen. Geen doorzoeking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860186-12

Parketnummer : 04/860753-09 (tul)

Datum uitspraak : 20 juli 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte]

geboren te [geboortedatum]

[adres]],

thans gedetineerd in [detentie adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 6 juli 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 03 april 2012 in de gemeente Venlo opzettelijk aanwezig

heeft gehad ongeveer 17423 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30

gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

(artikel 3 Opiumwet)

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 6 juli 2012 gevorderd dat

het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat de verbalisanten niet zoekend in de garagebox van verdachte hebben rondgekeken, maar daadwerkelijk de garagebox hebben doorzocht en daarbij de in de garagebox opgeslagen big shoppers en weekendtassen hebben geopend waarna deze vervolgens in beslag zijn genomen. De verbalisanten hebben daardoor in strijd gehandeld met de bevoegdheden als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet.

Subsidiair heeft de raadsman als verweer gevoerd dat de uitgevoerde cannabistest van producent [naam bedrijf] slechts een indicatie voor de aanwezigheid van hennep heeft opgeleverd. Om tot een bewezenverklaring van hennep te kunnen komen was een nader onderzoek van de genomen monsters door het Nederlands Forensisch Instituut nodig geweest. Nu dit niet is gebeurd kan de aanwezigheid van hennep niet bewezen worden verklaard, zodat verdachte ook om die reden van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

Door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt . Zij relateren het navolgende.

“Op 3 april 2012 hebben wij een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Op 3 april 2012 waren wij verbalisanten belast met de gecoördineerde aanpak van de illegale handel van verdovende middelen in het kader van het project hektor. Omstreeks 14.15 uur ontving ik, verbalisant [verbalisant 3], van de Criminele Inlichtingen Eenheid van de regiopolitie Limburg-Noord het volgende proces-verbaal:

“Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid van de regiopolitie Limburg-Noord is in de periode van oktober 2011 tot en met 3 april 2012 via de informant de navolgende informatie binnengekomen: De bewoner van de [adres 1] te Venlo, heeft vandaag, 3 april 2012 , enkele tassen met zeer waarschijnlijk verdovende middelen, naar een garagebox gebracht gelegen aan de [adres 2] in Venlo. Dit betreft de derde garagebox gezien vanaf het ijzeren hekwerk aan de achterzijde, komende vanuit de ingang aan de [adres 2]. De bewoner van de [adres 1] verkoopt vanuit deze garagebox producten voor de hennepteelt en handelt ook in weed.”

Uit onderzoek is voorts het volgende gebleken. Bewoner van de [adres 1] in Venlo betreft: [naam verdachte] wonende te [adres 1], 5912EH Venlo.

Hierop zijn wij, verbalisanten ter plaatse gegaan naar genoemde garagebox waar wij om 15.32 uur aan kwamen. Om 15.37 uur openden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]., de garagedeur welke voorzien was van het nummer [nummer]. Wij verbalisanten roken dat de ons ambtshalve bekende geur van hennep vanuit genoemde garagebox ons tegemoet kwam. Wij zagen dat er in de garagebox diverse big shoppers en zwarte sporttassen stonden. Ons is ambtshalve bekend dat deze vaak werden gebruikt voor het vervoer van hennep. Omstreeks 15.48 uur zagen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor de vierde maal een manspersoon voorbij de garagebox lopen die aandachtig naar ons bleef kijken. Wij zagen dat deze man, de later te nomen verdachte [naam verdachte], aan de zijde van de [adres 1] bleef staan en naar ons bleef kijken. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 3], aan [naam verdachte] een identiteitsbewijs ter inzage gevorderd. Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], hoorden dat [naam verdachte] aangaf dit niet bij zich te hebben. Desgevraagd hoorden wij hem zeggen dat hij [naam verdachte] heette. Ik, verbalisant [verbalisant 3], heb [naam verdachte] daarbij meegedeeld dat ik het vermoeden had dat er hennep in de garagebox aanwezig zou zijn. Hierop hoorden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], dat [naam verdachte] zei: “dat denk ik ook wel” of woorden van gelijke strekking. Om 15.35 uur hebben wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2], de verdachte [naam verdachte] aangehouden terzake de Opiumwet.

Omstreeks 15.50 uur nam ik, verbalisant [verbalisant 5], telefonisch contact op met de woningcorporatie Woonwens. Desgevraagd hoorde ik, verbalisant [verbalisant 5], van de medewerker van Woonwens, dat de genoemde garagebox gehuurd werd door de verdachte [naam verdachte], woonachtig aan de [adres 1] te Venlo. Omstreeks 16.10 uur werden de volgende goederen in de genoemde garagebox inbeslaggenomen:

2x Big shoppers met elk drie zakken henneptoppen, 1 zwarte sporttas met twee zakken henneptoppen, 1 zwarte sporttas met drie zakken henneptoppen,1 zak met een kleine hoeveelheid henneptoppen, 1x C1000 shopper met twee zakken henneptoppen en

1 zwarte dufflebag met vijf zakken henneptoppen.”

Door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 3], [verbalisant 5], [verbalisant 2] en [verbalisant 4] is voorts een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt . Zij relateren daarin het volgende.

“Dit betreft een aanvullend proces-verbaal van bevindingen omtrent het binnentreden van de garagebox voorzien van het nummer [nummer], welke gelegen is aan de [adres 2] te Venlo. Wij, verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 5] en [verbalisant 2], konden ter plaatse uit het proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid opmaken dat “met gezien vanaf het ijzeren hekwerk aan de achterzijde” de [adres 1] te Venlo werd bedoeld. Aldaar er gesproken wordt over de bewoner van de [adres 1] in Venlo. Bij dit proces-verbaal van bevindingen zijn foto’s van de garageboxen bijgevoegd. Op foto 3 staan aan de linkerzijde garageboxen. Deze garageboxen grenzen aan de achtertuinen van de woningen gelegen aan de [adres 2] te Venlo.”

Door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt . Zij relateren het volgende.

“Op 3 juli 2012 hebben wij een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Op 3 april 20212 werden op de [adres 1] te Venlo in een garagebox 6 tassen met daarin verdeeld 19 zakken hennep in beslag genomen. De inhoud van elke zak is getest op cannabis. Ik, verbalisant [verbalisant 4], heb uit elke zak een monster genomen, in totaal 19 monsters. Ik, verbalisant [verbalisant 4], zag dat alle 19 plastic zakken de mij ambthalve bekende henneptoppen bevatten. Ik rook bij het openen van elke zak een sterke henneplucht. Wij hebben daarop ieder monster getest via de Cannabistest van producent [naam bedrijf] Wij zagen dat alle 19 genomen monsters uit alle 19 zakken positief reageerden op de cannabistest.”

Uit de kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) blijkt dat er op 3 april 2012 te 16.10 uur op de [adres 2], te Venlo (garagebox [nummer] achter de [adres 1]) onder de beslagene [naam verdachte], geboren op [adres 1] respectievelijk 4629 gram hennep, 2089 gram hennep, 3285 gram hennep, 4 1739 gram hennep, 3120 gram hennep en 2561 gram hennep (totaal 17433 gram) in beslag is genomen .

Wetenschap van verdachte

De rechtbank leidt uit de door verdachte op 3 april 2012 tegenover de verbalisanten gedane opmerking, inhoudende dat hij ook wel dacht dat er hennep in de garagebox aanwezig was, in combinatie met de omstandigheid dat deze garagebox alleen door verdachte werd gehuurd en de op die dag in zijn woning aangetroffen situatie, die duidt op betrokkenheid bij de productie van hennep, af dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van hennep in de door hem gehuurde garagebox.

Verweren

Door de verdediging is aangevoerd dat de verbalisanten niet zoekend in de garagebox van verdachte hebben rondgekeken, maar daadwerkelijk de garagebox hebben doorzocht naar voor inbeslagneming vatbare voorwerpen waarbij de verbalisanten de in de garagebox opgeslagen en gesloten big shoppers en weekendtassen hebben geopend waarna deze vervolgens in beslag zijn genomen. De verbalisanten hebben daardoor in strijd met de bevoegdheden als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet gehandeld, hetgeen naar de mening van de raadsman tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van bevindingen moet leiden en dientengevolge, bij gebrek aan overig bewijs, eveneens tot vrijspraak van het ten laste gelegde zou moeten leiden.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de verbalisanten naar aanleiding van specifieke informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid van de regiopolitie Limburg-Noord op 3 april 2012 een onderzoek hebben ingesteld in garagebox [nummer], gelegen aan de [adres 2], welke garagebox door verdachte op dat moment werd gehuurd. In bedoelde garagebox troffen de verbalisanten die voorwerpen aan welke genoemd werden in de door de Criminele Inlichtingen Eenheid verstrekt informatie, te weten big shoppers en sporttassen met verdovende middelen. Daarbij roken zij de hen ambtshalve bekende geur van hennep.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de inhoud van de CIE-informatie, de in de garagebox aangetroffen voorwerpen en geroken geur de bevoegdheid tot inbeslagneming van de tassen op grond van artikel 9 van de Opiumwet (en dus ook het eventueel openen daarvan) gegeven. Van een doorzoeking, zoals door de verdediging is gesteld, is geen sprake geweest. De door de raadsman opgeworpen kwestie van het openen van de tassen - wat daar overigens ook van zij - is gelet op vorenstaande irrelevant. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn stelling dat niet kon worden volstaan met een [naam bedrijf] cannabistest en dat er ook een NFI onderzoek naar de inbeslaggenomen monsters had moeten plaatsvinden. De rechtbank is op grond van de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de aanwezigheid van hennep genoegzaam is komen vast te staan.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 april 2012 in de gemeente Venlo opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 17423 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 6 juli 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat de strafeis van de officier van justitie een verdubbeling inhoudt van de LOVS-richtlijn passend bij een zaak als de onderhavige en heeft een lagere straf bepleit overeenkomstig de LOVS-richtlijn.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim 17 kilo pure hennep(toppen).

De rechtbank is er van overtuigd dat verdachte, door aldus te handelen zich enkel heeft laten leiden door de wens in korte tijd veel geld te verdienen, welk gewin hij heeft laten prevaleren boven de door de samenleving in wetten vastgelegde grenzen. Verdachte heeft zich willens en wetens schuldig gemaakt aan het overschrijden van die grens en daarmee aangegeven lak te hebben aan hetgeen de samenleving afspreekt als hij meent criminele winsten te kunnen maken. Door zijn handelwijze wordt de grootschalige handel in softdrugs bevorderd. Een handel die verboden is omdat uit studies blijkt dat het gebruik van softdrugs de gezondheid van personen ernstige schade toebrengt. Verder gaat die handel gepaard met steeds zwaardere vormen van (georganiseerde) criminaliteit.

Bij de strafmaat heeft de rechtbank mede rekening gehouden met de hoeveelheid aangetroffen hennep en met het feit dat verdachte blijkens zijn Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 juni 2012 in 2010 eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Klaarblijkelijk heeft verdachte niets geleerd van zijn eerdere veroordeling. Nu verdachte eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend. De rechtbank legt een lagere straf op dan geëist omdat zij van oordeel is dat daarmee te zeer zou worden afgeweken van de in de zaken gebruikelijke straffen.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27 en 91 en

Opiumwet art. 3 en 11.

12. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 4 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Roermond

d.d. 9 april 2010 in de zaak met parketnummer 860753-09 aan de veroordeelde

opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.

Vonnis gewezen door mrs. M.B.Th.G. Steeghs, V.P. van Deventer en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. M.B.Th.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. P.C.M. Müller als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 20 juli 2012.

Mr. W.A.H.J. Poppeliers is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.