Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX0993

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
04/804006-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen geld afkomstig uit enig misdrijf. Op welk geld en op welk misdrijf heeft de steller van de tenlastelegging gedoeld.

Strafmaat uitkeringsfraude gedurende een periode van meer dan 10 jaar. Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/804006-11

Datum uitspraak: 11 juli 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

wonende te [adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2012.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

zij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 14 februari 2011, in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in oud ijzer en meubels) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van een voorwerp, te weten een hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in oud ijzer en/of

meubels) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat die hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in oud ijzer en/of meubels) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht);

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 14 februari 2011 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, in strijd met een haar of die [medeverdachte] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of die [medeverdachte] wist(en), althans redelijkerwijze

moest(en) vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, opzettelijk aan of voor de gemeente Venlo geen mededeling gedaan van

of verzwegen door die [medeverdachte] verrichtte werkzaamheden en/of door die

[medeverdachte] ontvangen inkomsten of verdiensten;

(artikel 227b Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 27 juni 2012 gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de Hoge Raad op 7 februari 2012 (NJ 2012, 116) heeft bepaald dat het enkel voorhanden hebben van geld afkomstig uit een eigen gepleegd misdrijf, bijvoorbeeld fraude, geen witwassen in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht oplevert. De officier van justitie is van oordeel dat in deze zaak wel sprake is van witwassen, nu het geld door verdachte en haar man is omgezet naar goederen om te gebruiken. Ook indien een deel van het geld omgezet wordt kan dit gezien worden als witwassen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte samen met haar man sinds 1984 een bijstandsuitkering geniet. Uitkeringsgerechtigden zijn verplicht door middel van formulieren op te geven of zij buiten hun uitkering nog andere inkomsten hebben. Uit onderzoek is gebleken dat de man van verdachte naast de uitkering extra inkomsten had en zij en haar man deze inkomsten niet hebben opgegeven bij de gemeente. Hierdoor is de gemeente Venlo benadeeld voor een bedrag van ruim € 230.000. Verdachte en haar man erkennen dat zij de gemeente Venlo hebben benadeeld.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld – zoals weergegeven in haar pleitnota – dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde witwassen.

Verdachte heeft geld heeft verdiend met de handel in oud ijzer. Dit is echter een legale handel. Van overige misdrijven zoals handel in nepsigaretten of illegaal vuurwerk waarvan in de CIE processen-verbaal melding wordt gemaakt is in het geheel niet gebleken. Dit maakt dat het daarmee verdiende geld niet afkomstig is uit enig misdrijf. Voorts is de verdediging het niet eens met de redenering dat het enkel niet opgeven van dit geld aan de belastingdienst maakt dat het gehele bedrag daardoor afkomstig zou zijn uit enig misdrijf.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangegeven dat zij zich voor wat betreft de bewezenverklaring wenst te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van witwassen overweegt de rechtbank dat in dat kader in de onderhavige casus met name van belang is of de bedoelde gelden afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Verdachte en haar echtgenoot hebben verklaard dat zij het volgens hen met de handel in oud ijzer en meubels verdiende geld hebben verzwegen aan de sociale dienst en niet hebben opgegeven bij de belastingdienst.

Het verzwijgen van inkomsten aan de sociale dienst maakt niet dat daardoor die verzwegen inkomsten afkomstig zijn uit enig misdrijf. Wel leidt dit handelen ertoe dat de daardoor ten onrechte verstrekte uitkeringsgelden uit misdrijf afkomstig zijn. Gelet op de ter zitting gegeven toelichting van de officier van justitie heeft de tenlastelegging niet betrekking op deze uitkeringsgelden maar op de niet aan de belastingdienst verantwoorde gelden, afkomstig uit de handel in oud ijzer en meubels.

Uit het dossier blijkt niet dat de handel in oud ijzer en meubels op zichzelf illegaal is geweest. Zo zijn er aanwijzingen dat verdachte zonder de daarvoor vereiste vergunningen en registraties oud ijzer inzamelde en vervoerde, maar dit is verder geen onderwerp van onderzoek geweest.

Rest derhalve gelet op de door de steller van de tenlastelegging bedoelde gelden in combinatie met de ter zitting door de officier van justitie gedane toelichting enkel nog belastingfraude als het in artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht bedoelde grondmisdrijf.

De rechtbank overweegt dat verdachte en haar man ten onrechte geen belasting hebben betaald over de verdiensten c.q. het opgebouwde vermogen van verdachte (de bij een Duitse bank ingelegde € 50.000). Dit betekent dat het geldbedrag dat eigenlijk aan belasting afgedragen had moeten worden afkomstig is uit enig misdrijf, te weten belastingfraude. Dit maakt echter niet dat het totale met de handel in oud ijzer en meubels verdiende bedrag daarmede uit misdrijf afkomstig is, terwijl dit door de officier van justitie blijkens zijn toelichting wel zo bedoeld is.

Gezien tegen deze achtergrond en gelet op de verfeitelijking van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

(Samenvatting van de) bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

Aan verdachte en haar echtgenoot is vanaf 24 december 1984 door de gemeente Venlo een uitkering toegekend ingevolge achtereenvolgend de Algemene Bijstandswet (Abw), de nieuwe Algemene Bijstandswet (nAbw) en de Wet Werk en Bijstand (Wwb), naar de norm gehuwden.

Uit ontvangen informatie van de Belastingdienst Limburg bleek van een rekening bij de [bank] (Duitsland) ten name van de man van verdachte. Voorts bleek dat de man van verdachte sinds 5 december 2006 een rekening had bij de bank en dat op deze rekening op 18 februari 2011 een bedrag van € 50.000 stond.

Uitkeringsgerechtigden zijn in het kader van de Wwb, voorheen (n)Abw, verplicht de sociale dienst inzage te geven in alle inkomsten, uitgaven en bijzonderheden. Aan verdachten werd middels informatieformulieren expliciet gevraagd naar vermogen. In het dossier bevinden zich de volgende informatieformulieren:

- 28 als bijlage bij het proces-verbaal van de sociale recherche d.d. 3 mei 2011 gevoegde informatieformulieren , betrekking hebbende op de periode 1 mei 2001 tot en met 31 januari 2005, welke formulieren:

zijn voorzien van het opschrift Informatieformulier Abw;

zijn gesteld ten name van [medeverdachte], [adres];

bevatten het gevraagde:

" Heeft u deze periode gewerkt?

Heeft u deze periode inkomsten uit arbeid ontvangen?”

- beide vragen bevatten het antwoord:

“Nee”

zijn voorzien van de verklaring "Ik heb dit formulier geheel naar waarheid ingevuld zodat de gemeente kan vaststellen of ik recht heb op uitkering. Ik heb niets verzwegen. Ik weet dat het onjuist invullen van het formulier strafbaar is. Het onjuist of onvolledig invullen van dit formulier kan leiden tot beëindiging of vermindering van de uitkering. Het kan daarnaast leiden tot een maatregel, boete of strafrechtelijke vervolging. Ten onrechte verstrekte uitkering wordt teruggevorderd.”

zijn gedateerd op een datum gelegen in de periode 31 oktober 2002 tot en met 31 januari 2005;

zijn voorzien van een handtekening van cliënt: [medeverdachte] en partner: [verdachte];

- 13 als bijlage 6 bij het proces-verbaal van de sociale recherche d.d. 3 mei 2011 gevoegde informatieformulieren , betrekking hebbende op de periode 1 februari 2005 tot en met 28 februari 2006, welke formulieren:

zijn voorzien van het opschrift Informatieformulier Wwb;

zijn gesteld ten name van [medeverdachte], [adres];

bevatten het gevraagde:

" Heeft u gewerkt?

Heeft u deze periode inkomsten uit arbeid ontvangen?”

- beide vragen bevatten het antwoord:

“Nee”

zijn voorzien van de verklaring "Ik heb dit formulier geheel naar waarheid ingevuld zodat de gemeente kan vaststellen of ik recht heb op uitkering. Ik heb niets verzwegen. Ik weet dat het onjuist invullen van het formulier strafbaar is. Het niet tijdig (binnen 7 dagen na een opgetreden wijziging of op de eventueel bovengenoemde inleverdatum) inleveren, danwel het onjuist of onvolledig invullen van dit formulier kan leiden tot beëindiging of verlaging van de uitkering. Het kan daarnaast leiden tot een maatregel of strafrechtelijke vervolging. Ten onrechte verstrekte uitkering wordt teruggevorderd.”

zijn gedateerd op een datum gelegen in de periode 28 februari 2005 tot en met 28 februari 2006;

zijn voorzien van een handtekening van cliënt: [medeverdachte] en van partner: [verdachte].

[medeverdachte] heeft op 14 februari 2011 tegenover de sociale rechercheur – zakelijk weergegeven – de volgende verklaring afgelegd:

“U vraagt mij of ik een bankrekening heb in Duitsland. Dat klopt. Ik heb daar een bankrekening met € 50.000. Die rekening heb ik een jaar of 4. Tijdens mijn uitkeringsperiode ontving ik tot op heden periodiek van de sociale dienst te Venlo een zogenaamde inkomstenverklaring. Ik weet waarvoor deze formulieren zijn bestemd. Ik ken de inhoud en weet wat de bedoeling van deze formulieren is. Ik weet dat de sociale dienst aan de hand van wat op deze formulieren wordt ingevuld, bepaalt of er recht bestaat op een uitkering en zo ja, ter hoogte van welk bedrag. Ik weet dat op deze formulieren onder andere de vragen worden gesteld: ‘Heeft u en/of uw partner sinds uw vorige opgave inkomsten uit arbeid?’. Ik weet dat ik deze vragen dien te beantwoorden door ’ja’ of ‘nee’ achter deze vragen aan te kruisen. Ik weet dat ik deze formulieren volledig en naar waarheid dien in te vullen, deze dien te ondertekenen en dan dien terug te sturen aan de sociale dienst te Venlo. Dat staat onder aan deze formulieren vermeld en dat had ik gelezen. Daarnaast weet ik dat ik daarnaast de sociale dienst direct, mondeling of schriftelijk, in kennis dien te stellen van alle veranderingen die zich voordoen in mijn woon- en of leefsituatie. Ik heb keurig gebruik gemaakt van deze formulieren. U heeft mij de inkomstenverklaringen, die ik heb ingevuld en ondertekend, getoond. Ik herken ze dan ook als zijnde de verklaringen die ik hier heb ingeleverd. U vraagt mij of ik geld heb verdiend naast mijn uitkering. Dat klopt. U vraagt mij of ik dit heb opgegeven op de daarvoor bestemde formulieren. Ik heb mijn inkomsten naast mijn uitkering nooit bij de sociale dienst opgegeven. Ik heb dit op geen enkele wijze aan de sociale dienst gemeld. U vraagt mij sinds wanneer ik inkomsten heb verzwegen. Dit is vanaf het begin van de uitkering. Ik zat toen al in de oud ijzer handel en meubelhandel. De inkomsten die ik hieruit ontvangen heb, heb ik nooit gemeld aan de sociale dienst en/of de belastingen. U vraagt mij tot wanneer ik werkzaamheden heb verricht. Gedurende de hele uitkeringsperiode heb ik geld gemaakt van handel in oud ijzer, meubels en oud vuil. Ik heb dus gedurende onze gehele uitkeringsperiode werkzaamheden verricht, inkomsten gehad, zonder deze te melden aan de sociale dienst. U vraagt sinds wanneer ik heb gewerkt bij [naam]. Dit is maar een paar keer geweest. Ik werk voor [naam]. Hij geeft mij af en toe een volle tank diesel en af en toe geld. U vraagt mij of ik ook voor mijzelf werk naast de keren dat ik voor [naam] werkzaamheden verricht. Dat is zo. Ik probeer zelf ook handel op te halen. Ook dat heb ik niet vermeld bij de Sociale Dienst. U vraagt mij hoe het verloop van de Duitse bankrekening is geweest. Ik heb in een keer € 50.000,00 op de rekening gestort. Dit is geld dat ik heb verdiend met de handel gedurende mijn uitkeringsperiode. U vraagt mij of ik de Duitse bankrekening gemeld heb bij de sociale dienst. Neen, ik heb deze bankrekening op geen enkele wijze gemeld bij de sociale dienst. U vraagt mij of ik rente heb ontvangen van de rekening in Duitsland. Ja, dat klopt. Ik heb rente ontvangen en die heb ik van de rekening afgehaald. De rente heb ik ook op geen enkele wijze gemeld bij de sociale dienst. Al met al kan ik zeggen dat ik me bewust ben van mijn rechten en plichten met betrekking tot de uitkering van de sociale dienst van de gemeente Venlo. Ik weet dat ik alle inkomsten, werkzaamheden en wijzigingen in mijn persoonlijke situatie door had moeten geven. Dit heb ik bewust niet gedaan, omdat ik dit geld niet kwijt wilde. Vanaf het moment dat ik uitkering kreeg tot heden heb ik al mijn inkomsten verzwegen voor de sociale dienst. U vraagt mij of ik de € 50.000,00 bewust heb verzwegen. Ja, dat heb ik bewust gedaan.

Ik was bang dat ze het geld af zouden pakken. U vraagt mij naar de wetenschap van mijn vrouw. Mijn vrouw wist dat ik geld buiten de deur verdiende. Zij wist dat ik werkzaamheden verrichtte en inkomsten had. Mijn vrouw regelde alle geldzaken van de uitkering. Als mijn vrouw extra geld nodig had dan vroeg ze dit aan mij. Ik gaf dan het geld contant aan mijn vrouw.”

Verdachte heeft op 21 februari 2011 tegenover de sociale rechercheur – zakelijk weergegeven – de volgende verklaring afgelegd:

“U geeft aan dat mijn man heeft verklaard dat ik al het papierwerk regelde voor de Wwb-uitkering. Dat klopt ook. Ik regelde dit. Ik weet ook dat ik al het inkomen van mijn man eigenlijk moest opgeven via de formulieren. Dat heb ik niet gedaan. Ik weet dat ik alle wijzigingen en eventuele inkomsten zowel via de formulieren dan wel op andere wijze diende te melden bij de sociale dienst Venlo. Ik heb de inkomsten opzettelijk verzwegen. De formulieren vulde ik in en mijn man en ik ondertekenden deze en leverden deze in. Ook al waren ze niet naar waarheid ingevuld. U vraagt mij naar het spaargeld van mijn man, ruim

€ 50.000, in Duitsland. Ik wist wel dat mijn man spaargeld had. Ook dat spaargeld hebben mijn man en ik niet opgegeven bij de Sociale dienst Venlo. Ik wist dat dit wel opgegeven moest worden. U vraagt mij hoe lang mijn man al inkomsten had die wij niet opgaven bij de sociale dienst Venlo. Ik denk vanaf het begin in 1990. Zo konden mijn man en ik ook sparen naast onze uitkering. En zo is de € 50.000 ontstaan. Dat waren dus de verzwegen inkomsten van mijn man.”

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

zij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 14 februari 2011 in de gemeente Venlo,

tezamen en in vereniging met [medeverdachte], in strijd met een haar of die [medeverdachte] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en die [medeverdachte] wisten, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], opzettelijk aan of voor de gemeente Venlo geen mededeling gedaan van of verzwegen door die [medeverdachte] verrichtte werkzaamheden en door die [medeverdachte] ontvangen inkomsten of verdiensten.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

medeplegen van in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of

tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 227b juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 27 juni 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name haar gezondheidstoestand, schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf dan wel aan verdachte een volledige voorwaardelijke straf op te leggen.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte en haar man hebben gedurende zeer lange tijd voor de gemeente Venlo relevante gegevens verzwegen. Als gevolg hiervan heeft de gemeente het recht op uitkering niet kunnen beoordelen en hebben verdachte en haar man de gemeente benadeeld voor een bedrag van ruim 230.000 euro. Door het handelen van verdachte en haar man wordt het stelsel van sociale zekerheid ondermijnd en heeft de gemeenschap forse schade geleden. De onderlinge solidariteit tussen degenen die de uitkeringen financieel opbrengen en degenen die daar aanspraak op maken wordt door het handelen van verdachte op de proef gesteld. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij zich om de belangen van de maatschappij niet heeft bekommerd.

Bij de strafmaat heeft de rechtbank mede rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze zijn gebleken uit het reclasseringsadvies d.d. 30 januari 2012. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 47, 57, 227b Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het onder 2 bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, P.M.S. Dijks en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N. Geene als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 11 juli 2012.