Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX0443

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
04/860150-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbraak juwelier Tegelen, strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860150-12

Datum uitspraak: 3 juli 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboortedatum]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in [detentie adres]

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2012.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2012 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, waaronder een aantal ringen, kettingen en kettinghangers, en een kassa met daarin onder meer een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de

weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(zaak 1)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij in of omstreeks de nacht van 7 op 8 maart 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Nissan Micra, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(zaak 3)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 13 maart 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto, merk Nissan Micra, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(artikel 416 jincto 417bis Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op of omstreeks 20 februari 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kamer van een pand, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een rugzak, oorbellen en een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(zaak 6)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

4.

hij op of omstreeks 20 februari 2012 te Blerick, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een aantal computers en deuren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rubicon Jeugdzorg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(zaak 6)

(artikel 350 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 19 juni 2012 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 primair en 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 1, 2 subsidiair en 4 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De officier van justitie heeft daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 is de officier van justitie van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten verantwoordelijk zijn voor de inbraak bij [slachtoffer 1].

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte (al dan niet samen met anderen) de Nissan Micra heeft gestolen. De heling kan wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, daar de auto niet aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, zij in de auto hebben gereden en de auto hebben gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het feit dat mede-verdachte [medeverdachte 1] daarbij niet beschikte over een rijbewijs en een verleden had van vermogensdelicten had voor verdachte een aanwijzing moeten zijn dat de auto aan een ander dan aan [medeverdachte 1] toebehoorde.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 acht de officier van justitie de verklaring van verdachte, dat hij eerder in het pand is geweest en daarom zijn vingerafdruk daar is aangetroffen, ongeloofwaardig. Verdachte geeft geen plausibele verklaring voor het feit dat zijn vingerafdruk op de plank, die in de nabijheid van de kluis hing, is aangetroffen. De officier van justitie is echter van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor het onder 3 ten laste gelegde feit, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die de spullen op 20 februari 2012 heeft weggenomen of daar medeverantwoordelijk voor is. Feit 4 kan naar het oordeel van de officier van justitie wel wettig en overtuigend worden bewezen verklaard, daar verdachte, gelet op de vingerafdruk die is aangetroffen, op 20 februari 2012 in het pand aanwezig is geweest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangegeven dat zij zich voor wat betreft de bewezenverklaring wenst te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest bij de inbraak bij de juwelier. Verdachte is bij de juwelier binnen geweest en heeft daar ook vitrines vernield.

Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat er geen enkel wettig bewijsmiddel is dat erop duidt dat verdachte de Nissan Micra zou hebben gestolen of dat hij er weet van had of moet hebben gehad dat de auto van diefstal afkomstig was. Dat verdachte in de buurt woont van de locatie waar de auto is gestolen, is geen aanwijzing voor de betrokkenheid van verdachte. Verdachte heeft kennelijk in een gestolen auto gezeten, maar had geen vermoeden dat de auto van diefstal afkomstig was. Uit het dossier blijkt niet dat aan de auto te zien was dat deze gestolen was, de auto kon gestart worden met een sleutel en er zijn nergens braaksporen aangetroffen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft verklaard dat hij wel eens in het pand is geweest maar dat het niet vaststaat dat verdachte daar ook op 20 februari 2012 is geweest. Het sporenonderzoek van de plank is niet relevant want het is duidelijk dat verdachte in het pand is geweest. Het kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de spullen van aangever heeft meegenomen.

De verdediging is van mening dat hetzelfde geldt voor feit 4. Immers, niet kan worden bewezen dat verdachte vernielingen heeft veroorzaakt; integendeel, verdachte zegt zelfs de brandblusser te hebben afgepakt van een jongen die daar woonde en ermee speelde. Ook hier dient vrijspraak te volgen.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

In het dossier heeft de rechtbank onvoldoende aangetroffen om tot het wettig en overtuigend bewijs te komen dat verdachte zich met betrekking tot de Nissan Micra (mede) schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Uit de stukken blijkt ook niet dat verdachte wist of op enigerlei wijze had moeten vermoeden dat de auto waarin hij zat ten tijde van de aanhouding van diefstal afkomstig was. Immers, er waren geen braaksporen aan de auto en de auto werd gewoon met een sleutel gestart. Het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] niet beschikte over een rijbewijs en een verleden had met vermogensdelicten maakt dit niet anders.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 2 primair en subsidiair heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

(Samenvatting van de) bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Het strafdossier bevat de aangifte van [slachtoffer 1] , waarin hij onder meer verklaart: “Ik ben namens benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben de eigenaar van [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres] et Tegelen. Op 13 maart 2012 omstreeks 03.18 uur lag ik in mijn bed. Ik woon boven de winkel [slachtoffer 1] aan de [adres] te Tegelen. Ik werd gewekt door een flinke harde knal in de straat en meteen hierna hoorde ik nog twee harde knallen. Ik heb mijn raam geopend en zag buiten twee personen met beiden een capuchon op hun hoofd staan. Ik zag verder een kleine roodkleurige auto in de straat staan. Beneden aangekomen zag ik dat de personen weg waren. Ik zag dat de ruiten van de vitrines vernield waren en dat de complete ruit van de deur van de winkel uit de deur lag. Verder zag ik dat de kassa op de toonbank was weggenomen. In de kassa lag een geldbedrag van ongeveer tweehonderd euro. Er zijn onder andere ringen, kettingen en kettinghangers weggenomen.”

Getuige [getuige 1] , wonende aan de [adres] te Tegelen, verklaart onder meer: “Op 13 maart 2012 hoorde ik omstreeks 03.15 uur mijn hond blaffen. Ik werd hier wakker van. Direct daarop volgend hoorde ik een aantal harde slagen en vervolgens een luid alarm afgaan. Ik heb toen direct via mijn slaapkamerraam naar buiten gekeken. Ik zag een kleine rode auto in de [adres] staan. Ik zag vervolgens, ik meen drie mannen, de juwelier tegenover mijn woning binnen gaan. Ik zag deze mannen tweemaal naar binnen gaan en weer naar buiten komen. Vervolgens zag ik deze drie mannen in de rode auto stappen en wegrijden. Ik zag het volgende kenteken: [kenteken].”

Verbalisant [verbalisant 6] relateert in de kennisgeving van inbeslagneming met het registratienummer 2012024292-43 onder meer: “goederen uit auto gekentekend [kenteken]:

? 6 schakelarmbanden, waarvan 1 bronskleurige en 5 zilverkleurige en 1 armband met steentjes blauw en roze;

? 1 paar oorbellen zilverkleurig met aan iedere oorbel 2 blauwe en 2 roze kleurige bolletjes en 2 zilverkleurige blaadjes;

? 4 hangers met zwart koord, 1x hanger goud, zilver met wit pareltje, 1x goudkleurig met witkleurige steen, 1x goudkleurige hanger;

? 7 kettingen waarvan 1 met zilverkleurige steentjes, 3 schakelkettingen, 1 goudkleurige met hanger, 1 zilverkleurige met gouden hanger en 1 zilver gevlochten;

? 10 objecten waaraan kettingen kunnen worden getoond;

? 2 lege doosjes voor ringen.”

Verbalisant [verbalisant 7] relateert op 20 maart 2012 onder meer: “[slachtoffer 1] verscheen aan het bureau van Politie te Venlo om enkele in beslag gnomen goederen te bekijken. De goederen welke door mij aan [slachtoffer 1] werden getoond betroffen:

? 6 schakelarmbanden, waarvan 1 bronskleurige en 5 zilverkleurige en 1 armband met steentjes blauw en roze;

? 1 paar oorbellen zilverkleurig met aan iedere oorbel 2 blauwe en 2 roze kleurige bolletjes en 2 zilverkleurige blaadjes;

? 4 hangers met zwart koord, 1x hanger goud, zilver met wit pareltje, 1x goudkleurig met witkleurige steen, 1x goudkleurige hanger;

? 7 kettingen waarvan 1 met zilverkleurige steentjes, 3 schakelkettingen, 1 goudkleurige met hanger, 1 zilverkleurige met gouden hanger en 1 zilver gevlochten;

? 10 objecten waaraan kettingen kunnen worden getoond;

? 2 lege doosjes voor ringen.

[slachtoffer 1] verklaarde ten overstaan van mij dat de getoonde goederen afkomstig waren uit zijn juwelierszaak en deze waren weggenomen tijdens de inbraak op 13 maart 2012 uit zijn juwelierswinkel. Alle getoonde goederen waren in beslag genomen in de kennisgeving van inbeslagname onder registratienummer 2012024292-43.”

Verdachte verklaart ter terechtzitting onder meer: “Ik ben betrokken bij de inbraak bij [slachtoffer 1] op 13 maart 2012 te Tegelen. Ik ben de winkel binnen geweest en heb daar een aantal zaken vernield.”

Het bewijs ten aanzien van de feiten 3 en 4

Het strafdossier bevat de aangifte van [slachtoffer 7] , waarin zij onder meer verklaart: ”Ik ben werkzaam als ambulante jongerenbegeleider bij Rubicon Jeugdzorg.

In deze hoedanigheid ben ik bevoegd tot het doen van deze aangifte, namens benadeelde Rubicon Jeugdzorg. Maandag 20 februari 2012, omstreeks 11.15 uur, liep ik middels de voordeur het pand van Rubicon binnen. Genoemd pand is gelegen aan de [adres] te Blerick, gemeente Venlo en is zowel een bedrijfspand als kamerbewoning. Er zijn twee kamers, waarvan er op het moment van de inbraak en vernieling, één kamer bewoond werd door [slachtoffer 6]. Eenmaal binnen in genoemd pand, zag ik dat er een blusdeken in de gang op de grond lag en dat de vloer nat was. Ik heb samen met [slachtoffer 6] het gehele pand nagelopen. Hierbij zag ik het volgende:

Het kantoor is gelegen op de begane grond. De afgesloten deur is met geweld geopend. Het kantoor was geheel natgespoten door middel van een brandblusser. Hierdoor zijn twee computers, twee bijbehorende monitors en een printer onbruikbaar geworden. Bij de kamer van [slachtoffer 6], gelegen op de eerste etage, is de afgesloten deur met geweld geopend en zijn er goederen weggenomen. De afgesloten deur van de kamer links naast de kamer van [slachtoffer 6] is met geweld geopend. Op de tweede etage is een deur ter hoogte van het slot vernield. De afgesloten deur van de spreekkamer gelegen op de eerste etage, eerste deur aan de rechterzijde gezien met de rug richting de trap, is met geweld geopend. De deur links naast de spreekkamer is ter hoogte van het slot vernield.”

Voorts bevat het dossier de aangifte van [slachtoffer 6] , waarin hij onder meer verklaart: “Op 19 februari 2012 omstreeks 12.00 uur, heb ik de woning, gelegen aan de [adres] in Blerick, verlaten. Toen ik de woning verliet was er niemand meer in de woning. Ik heb de woning volledig afgesloten achtergelaten. Op 20 februari 2012 omstreeks 05.00 kwam ik thuis. Bij thuiskomst zag ik dat de deur van mijn slaapkamer was ingetrapt. Omstreeks 11.30 uur werd ik wakker en hoorde dat er een medewerker van Rubicon in de woning was.

Ik zag dat de hele woning overhoop was gehaald. Ik zag dat de volgende goederen waren weggenomen:

? 1 Zwarte Eastpak rugzak;

? 2 goudkleurige oorbellen;

? 1 mini laptop van het merk Asus in de kleur wit.”

Getuige [getuige 2] , wonende op de [adres] te Venlo, verklaart onder meer: “Op 20 februari 2012, tussen 02.00 uur en 02.30 uur, hoorde ik een aantal personen, via de voordeur van de woning, gelegen aan de [adres], naar binnen gaan. Ik hoorde een aantal stemmen. Ik schat dat het een groep was van ongeveer 3 à 4 personen.

Toen genoemde groep genoemde woning eenmaal binnen was, hoorde ik een hoop kabaal. Ik hoorde dat er met deuren werd gesmeten en ik hoorde een hoop gestommel op de trap. Ik heb dit kabaal ongeveer 30 tot 45 minuten aangehoord.”

Verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] relateren in het proces-verbaal van sporenonderzoek onder meer: “Het onderzoek is verricht in en rondom een woning (hoekwoning) gelegen aan de [adres] te Venlo. Tijdens het ingestelde onderzoek werd door ons het navolgende bevonden en waargenomen.

Op de eerste verdieping, de meest rechtse kamer, lag een witte plank die onder de muurkluis hing op de grond. Deze plank is onderzocht op dactyloscopische sporen. Het aangetroffen dactyloscopisch spoor is veiliggesteld op folie onder SIN AADZ3678NL en voor identificatie aangeboden bij Havank.”

Verbalisant [verbalisant 10] relateert in het proces-verbaal dactyloscopische identificatie onder meer: “Op 2 april 2012 heeft het Havank systeem een kennisgeving gegenereerd, waarin is aangegeven, dat het dactyloscopisch spoor, voorzien van de SIN-zegel AADZ3678NL geïdentificeerd is op een afdruk van de rechterhandpalm voorkomend op het dactyloscopisch signalementblad, voorzien van het incidentnummer 315000263247. Het biometrienummer 310001132845, is gekoppeld aan een persoon met de navolgende personalia:

Achternaam : [naam verdachte]

Voornamen : [voornaam]

Geboortedatum : [geboortedatum]

De identificatie is uitgevoerd volgens de voorgeschreven methode en vaste procedure.

Zij voldoet aan de in Nederland geldende forensisch-technische normen.

De identificatie betekent dat het spoor identiek is aan de afdruk van de geïdentificeerde.

Dit leidt tot de conclusie dat alleen de geïdentificeerde de donor van het spoor kan zijn.”

Overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat de vingerafdruk van verdachte is aan-getroffen op een plank in de spreekkamer gelegen op de eerste etage (foto pagina 682). De rechtbank constateert dat het pand van Rubicon Jeugdzorg een kantoorfunctie en een woonfunctie heeft. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat kantoorfunctieruimtes afgesloten zijn buiten kantooruren. Uit de aangifte van [slachtoffer 7] blijkt ook dat de deur van de spreekkamer afgesloten was in de nacht van 19 op 20 februari 2012. Op 20 februari 2012 constateerde aangeefster dat deze deur met geweld geopend was. De rechtbank leidt hieruit af dat de deuren van de kantoorruimtes altijd op slot waren. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij de vingerafdruk bij een eerder sociaal bezoek bij één van de bewoners van het pand zou hebben achtergelaten, niet aannemelijk, nu in zo’n geval de spreekkamerdeuren op slot waren en verdachte in de spreekkamer niets te zoeken heeft. Uit vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 20 februari 2012 bij de inbraak betrokken is geweest.

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 maart 2012 te Tegelen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, waaronder een aantal ringen, kettingen en kettinghangers, en een kassa met daarin een hoeveelheid geld, toebehorende[slachtoffer 1]htoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

3.

hij op 20 februari 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kamer van een pand, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een rugzak, oorbellen en een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

4.

hij op 20 februari 2012 te Blerick, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een aantal computers en deuren, toebehorende aan Rubicon Jeugdzorg, heeft beschadigd of onbruikbaar gemaakt.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van feit 3

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen of onbruikbaar maken.

De misdrijven onder 1 en 3 zijn strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder 4 is strafbaar gesteld bij artikel 350 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 19 juni 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 subsidiair en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 14 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat de nachtelijke inbraak bij de juwelier qua strafmaat niet gelijk moet worden gesteld aan een ramkraak. De ruit van de toegangsdeur van de juwelier is ingeslagen om binnen te komen. Gelet op het advies van de reclassering en de leeftijd van verdachte dient aan verdachte geen onvoorwaardelijke straf langer dan het voorarrest te worden opgelegd. Deze straf zou eventueel gecombineerd kunnen worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de Reclassering, waaronder elektronisch toezicht.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte is een jongeman van 20 jaar die ondanks zijn nog jeugdige leeftijd al vele malen met de politie in aanraking is gekomen voor een aanzienlijke hoeveelheid inbraken en enkele geweldsdelicten. De in het verleden opgelegde leerstraffen, werkstraffen en langdurige jeugddetenties hebben nog niet het gewenste effect bereikt, namelijk dat verdachte afziet van verder crimineel handelen. Zelfs de voorwaardelijk opgelegde maatregel van twee jaar plaatsing in een inrichting voor jeugdigen waarvan blijkens het strafblad de proeftijd in ieder geval ten tijde van het plegen van de feiten 3 en 4 nog niet was verlopen, heeft geen afschrikkende werking gehad.

Verdachte heeft met de thans bewezenverklaarde feiten laten zien dat hij geen enkel respect heeft voor andermans eigendom. Niet alleen worden spullen gestolen, daarnaast wordt ook zeer veel schade aangericht.

Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat enkel een gevangenisstraf een passende strafmodaliteit is. De door de officier van justitie gevorderde geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank echter te zwaar. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte dient de hoop nog niet opgegeven te worden om verdachte weer goed op de rails te krijgen. Een belangrijk aspect van de strafoplegging dient dan ook hulpverlening en strakke begeleiding te zijn. In dat licht acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk passend.

Conform het reclasseringsadvies zal de rechtbank verdachte in het kader van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf als bijzondere voorwaarden reclasserings-toezicht opleggen, ook als dat inhoudt deelname aan de Cognitieve Vaardigheidstraining+, een locatiegebod en controle middels RFID.

10.4.Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomenzijn:

- 2012024292, 1 horloge, ARMANI EMPORIO, voorwerpnummer: 279109;

- 2012024292, 1 horloge, FOSSIL, voorwerpnummer: 279113;

- 2012024292, 1 sleutel, TRELOCK, voorwerpnummer: 279117;

- 2012024292, 1 notitieboek, voorwerpnummer: 279120.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene onder wie deze in beslag zijn genomen.

10.5.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden, daar door de indiening van de vordering niet het krachtens artikel 51g, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier is gebruikt. Voorts was de ter terechtzitting aanwezige zoon van de benadeelde partij niet schriftelijk gemachtigd, zodat er ook geen sprake kan zijn van een mondelinge voeging zoals bedoeld in artikel 51g, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw overweegt de rechtbank dat de wens tot voeging blijkt uit het schadeonderbouwingsformulier en door de bevestiging van deze wens door de zoon van het slachtoffer op de zitting. Weliswaar is bij deze schriftelijke opgave niet het door de Minister vastgestelde formulier gebruikt, maar deze opgave bevat wel alle in artikel 51g, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering bedoelde informatie met betrekking tot de persoonsgegevens van de benadeelde partij.

Gelet hierop is de benadeelde partij ontvankelijk. De functie van de zoon ter terechtzitting was enkel het overhandigen van de al in de schriftelijke opgave genoemde, maar nog niet bijgevoegde bijlagen. Hiervoor is geen schriftelijke machtiging vereist.

[slachtoffer 1] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de, als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit, geleden materiële schade en immateriële schade.

De benadeelde partij voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 3.365,32 en de immateriële schade op een bedrag van € 250,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het materiële schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

a) vitrines: € 771,91

b) kassa: € 118,41

c) inhoud kassa: € 250,00

d) reparatie alarm: € 900,00

e) beschadigde sieraden: totaal € 1.325,00

Aangezien de vordering met betrekking tot de post e niet is onderbouwd, zal de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard ten aanzien van deze post en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posten a tot en met d onvoldoende weersproken en voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 2.040,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor. De vordering immateriële schade, die door verdachte niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte en zijn mededaders de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 2.290,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 32 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 310, 311, 350 Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 5 maanden, niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat:

de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland arrondissement Roermond, - ook als dat inhoudt:

? deelname aan de Cognitieve Vaardigheidstraining+ dan wel enige andere door de reclassering aan te wijzen gedragsinterventie,

? een gebod zich te bevinden op/in [adres], en het verlenen van medewerking aan RFID ter controle op de naleving van dit gebod,

gedurende maximaal de periode van de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de begeleiders -, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan Reclassering Nederland aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

draagt verdachte daartoe op zich binnen 5 dagen na onherroepelijk worden van het vonnis te melden bij de Reclassering Nederland arrondissement Roermond op het adres: [adres]. Hierna moet hij zich gedurende door de Reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de Reclassering dit gedurende deze perioden nodig acht;

gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2012024292, 1 horloge, ARMANI EMPORIO, voorwerpnummer: 279109;

- 2012024292, 1 horloge, FOSSIL, voorwerpnummer: 279113;

- 2012024292, 1 sleutel, TRELOCK, voorwerpnummer: 279117;

- 2012024292, 1 notitieboek, voorwerpnummer: 279120;

vordering benadeelde partij:

wijst toe de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1];

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres], te betalen een bedrag van € 2.290,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover de vordering van voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededaders is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 2.290,32 subsidiair 32 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededaders heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.290,32 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededaders aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de post ‘beschadigde sieraden’ en bepaalt dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, A.K. Kleine en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N. Geene als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 juli 2012.

Mr. C.C.W.M. Aretz is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.