Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX0329

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
04/860151-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbraak juwelier Tegelen, strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/860151-12, 04/860840-09 (TUL)

Datum uitspraak: 3 juli 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2012.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2012 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, waaronder een aantal ringen, kettingen en kettinghangers, en een kassa met daarin onder meer een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de

weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(zaak 1)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij in of omstreeks de nacht van 7 op 8 maart 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk [merk auto], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(zaak 3)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 13 maart 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto, merk [merk auto], heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(artikel 416 juncto 417bis Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op of omstreeks 16 februari 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand, gelegen aan het [adres], heeft weggenomen onder meer een aantal flessen drank, een beamer en een kluis met daarin een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(zaak 7)

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht);

4.

hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2011 tot en met 24 maart 2011 in de gemeente Eindhoven meermalen, althans eenmaal met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(parketnummer: 856654-11)

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 19 juni 2012 gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De officier van justitie heeft daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 is de officier van justitie van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten verantwoordelijk zijn voor de inbraak bij [slachtoffer 1].

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte (al dan niet samen met anderen) de [merk auto] heeft gestolen. De heling kan wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, daar de auto niet aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, zij in de auto hebben gereden en de auto hebben gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het feit dat medeverdachte [medeverdachte] daarbij niet beschikte over een rijbewijs en een verleden had van vermogensdelicten had voor verdachte een aanwijzing moeten zijn dat de auto aan een ander dan aan [medeverdachte] toebehoorde.

Ten aanzien van de feit 3 is de officier van justitie van oordeel dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu verdachte op camerabeelden is herkend.

Ook feit 4 kan voor wat betreft 15 maart 2011 bewezen worden verklaard, gezien de aanwezigheid van camerabeelden en het daarbij behorende proces-verbaal van bevindingen. Voor 24 maart 2011 dient vrijspraak te volgen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair en onder 4 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 1 en 3 heeft de verdediging aangegeven dat zij zich voor wat betreft de bewezenverklaring wenst te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de diefstal (mede) heeft gepleegd of enige wetenschap had of had moeten hebben omtrent de herkomst van de auto.

Ten aanzien van feit 4 is de verdediging van mening dat zij net als de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van de camerabeelden waarop verdachte te herkennen zou zijn, terwijl verdachte uitdrukkelijk ontkent de diefstal te hebben gepleegd.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair en onder 4 is ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2

In het dossier heeft de rechtbank onvoldoende aangetroffen om tot het wettig en overtuigend bewijs te komen dat verdachte zich met betrekking tot de [merk auto] (mede) schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Uit de stukken blijkt ook niet dat verdachte wist of op enigerlei wijze had moeten vermoeden dat de auto waarin hij zat ten tijde van de aanhouding van diefstal afkomstig was. Immers, er waren geen braaksporen aan de auto en de auto werd gewoon met een sleutel gestart. Het feit dat medeverdachte [medeverdachte] niet beschikte over een rijbewijs en een verleden had met vermogensdelicten maakt dit niet anders.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 2 primair en subsidiair heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4

De diefstal op 15 maart 2011 – door verdachte uitdrukkelijk ontkend – is op camera vastgelegd. Verdachte wordt later op die beelden herkend. De rechtbank heeft echter, net als de verdediging, geen kennis kunnen nemen van die beelden. In het dossier bevindt zich weliswaar een DVD-schijf, echter geen te openen bestanden met daarop de bedoelde beelden. Verdachte heeft verklaard dat hij in het kader van zijn opleiding op school ook in de kantine werkte, en daarbij ook kassawerkzaamheden verrichtte. Verdachte ontkent wegnemingshandelingen verricht te hebben. Gelet op deze stellige ontkenning is het geboden dat de rechtbank zelf de beelden bekijkt teneinde te beoordelen of er daadwerkelijk wegnemingshandelingen waar te nemen zijn. Nu dit niet mogelijk is, acht de rechtbank het feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte ook van dit feit vrijspreken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

(Samenvatting van de) bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Het strafdossier bevat de aangifte van [slachtoffer 1] , waarin hij onder meer verklaart: “Ik ben namens benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben de eigenaar van [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres] te Tegelen. Op 13 maart 2012 omstreeks 03.18 uur lag ik in mijn bed. Ik woon boven de winkel [slachtoffer 1] aan de [adres] te Tegelen. Ik werd gewekt door een flinke harde knal in de straat en meteen hierna hoorde ik nog twee harde knallen. Ik heb mijn raam geopend en zag buiten twee personen met beiden een capuchon op hun hoofd staan. Ik zag verder een kleine roodkleurige auto in de straat staan. Beneden aangekomen zag ik dat de personen weg waren. Ik zag dat de ruiten van de vitrines vernield waren en dat de complete ruit van de deur van de winkel uit de deur lag. Verder zag ik dat de kassa op de toonbank was weggenomen. In de kassa lag een geldbedrag van ongeveer tweehonderd euro. Er zijn onder andere ringen, kettingen en kettinghangers weggenomen.”

Getuige [getuige] , wonende aan de [adres], verklaart onder meer: “Op 13 maart 2012 hoorde ik omstreeks 03.15 uur mijn hond blaffen. Ik werd hier wakker van. Direct daarop volgend hoorde ik een aantal harde slagen en vervolgens een luid alarm afgaan. Ik heb toen direct via mijn slaapkamerraam naar buiten gekeken. Ik zag een kleine rode auto in de [straat] staan. Ik zag vervolgens, ik meen drie mannen, de juwelier tegenover mijn woning binnen gaan. Ik zag deze mannen tweemaal naar binnen gaan en weer naar buiten komen. Vervolgens zag ik deze drie mannen in de rode auto stappen en wegrijden. Ik zag het volgende kenteken: [kenteken].”

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren op 13 maart 2012 onder meer: “Op dinsdag 13 maart 2012 omstreeks 03.15 uur, bevonden wij ons in het politiebureau te Roermond en hoorden wij via de portofoon een bericht van de regionale meldkamer: “Zojuist heeft een inbraak plaatsgevonden in de zaak van juwelier genaamd [slachtoffer 1] te Tegelen. Hierbij was er door een getuige gezien dat er minimaal twee personen in de zaak waren geweest en dat er een ruit en voordeur geforceerd was en alarm af ging. De personen zijn weggereden in een rode [merk auto] met het Nederlandse kenteken: [kenteken]. Deze auto stond als gestolen gesignaleerd.” Wij begaven ons terstond naar de Rijksweg N280 met de kruising van de toe- en afritten van de A73 te Roermond. Aldaar hebben wij statische post gevat op het kruispunt van de autosnelweg A73, en de N280 te Roermond. Hierbij hadden wij zicht op de toe en afrit Roermond-Noord. Omstreeks 03.25 uur zagen wij dat een kleine personenauto over de A73, komende uit de richting van Venlo, in onze richting reed. Toen deze auto de kruising naderde zagen wij dat het een rode personenauto van het merk [merk auto] en type [type auto] betrof met het Nederlandse kenteken: [kenteken]. Het betrof de auto die zojuist in Tegelen gezien was bij de inbraak bij de juwelier. Wij zagen dat er vier personen in de [merk auto] zaten. Wij zagen dat de [merk auto] vanaf de afrit A73 linksaf de N280 opreed en zijn weg daarover vervolgde in de richting van de Duitse grens. Wij reden deze [merk auto] achterna. Er ontstond een achtervolging. Wij bleven verder rijden over de N280 in de richting van de grensovergang met Duitsland. Wij reden over de Bundesautobahn BAB52 vanuit Roermond richting Elmpt/Mönchengladbach. De bestuurder van de [merk auto] reed over de afslag Niederkruchten en korte tijd later weer op de BAB52 in de richting van Roermond. Wij bleven in de richting van Nederland Roermond rijden. Korte tijd later passeerden wij de afslag Elmpt en kort daarna de grensovergang met Nederland/Maalbroek. Wij bleven de [merk auto] volgen in de richting van de kruising N280/toe- afrit A73. De [merk auto] reed de toerit van de A73 op in de richting van Venlo. Aangekomen bij de afslag Belfeld reed de [merk auto] de afslag op en vervolgens richting de bebouwde kom van Tegelen. Inmiddels waren diverse andere politieauto’s ons voorbij gereden en werd de achtervolging voortgezet over de Glazenapstraat. Hierna reden wij de Galgevenstraat in. Wij zagen twee politieauto’s voor ons op de weg stilstaan. Voor deze politieauto’s stond de [merk auto] stil. Wij zagen alle inzittenden uit de auto komen en wegrennen.”

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] relateren op 13 maart 2012 onder meer: “Op dinsdag 13 maart 2012, omstreeks 02:39 uur, waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], belast met de noodhulp binnen het district Venlo. Op enig moment hoorden wij portofonisch dat collega's uit Roermond achter genoemde personenauto reden over de N280 in de richting van Duitsland. Hierop zijn wij ook in deze richting gereden. Op verzoek van de Meldkamer Limburg-Noord hebben wij post gevat bij de afslag Elmpt te Duitsland, in de richting van Roermond. Vervolgens hoorden wij portofonisch dat de rode auto in onze richting gereden kwam. Na enkele minuten zagen wij dat de rode auto met vier inzittenden ons passeerden. Op dat moment werd de rode auto gevolgd door een Duits politievoertuig en een Nederlands politievoertuig. Hierop hebben wij de achtervolging ingezet in de richting van de A73. wij zagen dat de rode auto de afslag naar Belfeld nam. De achtervolging werd voortgezet in de richting van Tegelen. Wij zagen dat de rode auto de afslag Glazenapstraat te Tegelen insloeg. De auto sloeg de Galgenstraat te Tegelen in en minderde vaart. Hierna zagen wij dat de collega’s van Roermond een aanrijding kregen met de rode auto, welke vervolgens naar voren schoot en tegen een hekwerk tot stilstand kwam. Vervolgens zagen we dat de vier inzittenden van de auto uit probeerde te stappen. Ik, verbalisant [verbalisant 4], ben achter de bestuurder en de inzittende aangerend. Ik zag dat de bestuurder ontkwam door de trap omhoog te rennen. Ik ben naar de inzittende, de later te noemen verdachte [verdachte], gerend. Ik zag dat verdachte [verdachte] ten val kwam en vervolgens weer trachtte op te staan. Op dat moment ben ik verdachte [verdachte] achter in de rug gesprongen.”

Verbalisant [verbalisant 2] relateert in de kennisgeving van inbeslagneming met het registratienummer [nummer] onder meer: “Goederen werden aangetroffen tijdens de insluitingsfouillering van verdachte [verdachte]:

?nummer [nummer]: 36 ringen aangetroffen in de binnenzak jas verdachte;

?nummer [nummer]: 5 kettingen.”

Verbalisant [verbalisant 5] relateert op 21 maart 2012 onder meer: [slachtoffer 1] verscheen aan het bureau van Politie te Venlo om enkele in beslag genomen goederen te bekijken. De goederen welke door mij aan [slachtoffer 1] werden getoond betroffen:

?37 (vergulde) zilveren ringen uit de fouilleringszak met nummer [nummer], in de KVI aangegeven onder nummer [nummer];

?5 kettingen van verschillende soorten uit de fouilleringszak met nummer [nummer], in de KVI aangegeven onder nummer [nummer].”

Verbalisant [verbalisant 6] relateert in de kennisgeving van inbeslagneming met het registratienummer [nummer] onder meer: Goederen uit auto gekentekend [kenteken]:

?6 schakelarmbanden, waarvan 1 bronskleurige en 5 zilverkleurige en 1 armband met steentjes blauw en roze;

?1 paar oorbellen zilverkleurig met aan iedere oorbel 2 blauwe en 2 roze kleurige bolletjes en 2 zilverkleurige blaadjes;

?4 hangers met zwart koord, 1x hanger goud, zilver met wit pareltje, 1x goudkleurig met witkleurige steen, 1x goudkleurige hanger;

?7 kettingen waarvan 1 met zilverkleurige steentjes, 3 schakelkettingen, 1 goudkleurige met hanger, 1 zilverkleurige met gouden hanger en 1 zilver gevlochten;

?10 objecten waaraan kettingen kunnen worden getoond;

?2 lege doosjes voor ringen.”

Verbalisant [verbalisant 7] relateert op 20 maart 2012 onder meer: [slachtoffer 1] verscheen aan het bureau van Politie te Venlo om enkele in beslag genomen goederen te bekijken. De goederen welke door mij aan [slachtoffer 1] werden getoond betroffen:

?6 schakelarmbanden, waarvan 1 bronskleurige en 5 zilverkleurige en 1 armband met steentjes blauw en roze;

?1 paar oorbellen zilverkleurig met aan iedere oorbel 2 blauwe en 2 roze kleurige bolletjes en 2 zilverkleurige blaadjes;

?4 hangers met zwart koord, 1x hanger goud, zilver met wit pareltje, 1x goudkleurig met witkleurige steen, 1x goudkleurige hanger;

?7 kettingen waarvan 1 met zilverkleurige steentjes, 3 schakelkettingen, 1 goudkleurige met hanger, 1 zilverkleurige met gouden hanger en 1 zilver gevlochten;

?10 objecten waaraan kettingen kunnen worden getoond;

?2 lege doosjes voor ringen.

[slachtoffer 1] verklaarde ten overstaan van mij dat de getoonde goederen afkomstig waren uit zijn juwelierszaak en deze waren weggenomen tijdens de inbraak op 13 maart 2012 uit zijn juwelierswinkel. Alle getoonde goederen waren in beslag genomen in de kennisgeving van inbeslagname onder registratienummer [nummer].”

Ten aanzien van feit 3

Het strafdossier bevat de aangifte van [slachtoffer 3] , waarin zij onder meer verklaart: “Ik ben namens de benadeelden [slachto[slachtoffer 3] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben directeur van [slachtoffer 3], gevestigd op de [adres]. Als zodanig ben ik tevens uitbaatster van [slachtoffer 5] eveneens gevestigd op dit adres. Het pand huur ik van dhr. [naam] uit Venlo. Hij heeft de inboedel verzekerd via zijn bedrijf [slachtoffer 3], gevestigd op de [adres]. Op 16 februari 2012 om 02:30 uur is het café gesloten. Alles was op dat moment nog intact en afgesloten. Verder is het café gedeelte voorzien van camerabewaking middels twee camera's. Vanmorgen 16 februari 2012 om 07:00 uur ontdekte de poetsvrouw dat er in het café was ingebroken. De daders zijn vanaf de [adres] door een toegangspoort aan de achterzijde van het café gekomen. Deze poort is wel op slot maar van buiten uit wel te openen. Hierna komt men op een soort binnenterras bij de serre. Van de serre werd vervolgens middels een steen de noodruit ingegooid. Hierna is men door het ontstane gat naar binnen geklommen. Via de serre is men vermoedelijk naar de keuken gelopen. Vanaf de keuken kom je in het restaurant. In het restaurant stond de koeling van de wijnkast open. Vermoedelijk mis ik hier een paar flessen wijn. In het café zelf was de kassa opengebroken. Ook in de bar was alles opengetrokken en doorzocht. Verder stonden beiden koelkasten open. Het was hier een ravage. Ik vermis hier o.a. wat flessen met likeuren. Vervolgens is men naar de bovenverdieping gegaan. Op deze verdieping is de afgesloten deur naar zaal 4 opengetrapt. In deze ruimte werd de muurkast geopend en kennelijk bekeken. Uit deze muurkast werd een beamer meegenomen. Naast zaal 4 zit een muurkast welke wordt gebruikt als berging. Naast deze opbergkast zit de deur naar het kantoor. Het kantoor werd in zijn geheel overhoop gehaald en doorzocht. In deze ruimte zit een muurkast die op slot was. Deze deur is eveneens opengebroken. In deze muurkast stonden twee kluizen. Op de grote kluis stond nog een kleinere kluis. Deze was hier op vastgezet. Deze kluis is weg. In deze kluis lag rond de euro 1000,- aan wisselgeld verpakt in rolletjes. Ik heb de beelden van de camera opnames bekeken en kan hierop zien dat de inbraak gepleegd moest zijn ongeveer rond 02:55 uur en geduurd heeft tot ongeveer 03:30 uur. Op de beelden is te zien dat de inbraak gepleegd werd door vier daders.”

Verbalisant [verbalisant 5] relateert in het proces-verbaal van bevindingen met bijbehorende foto’s (bijlage 3) onder meer: “Uit het onderzoek is gebleken dat één van de verdachten van de inbraak bij [slachtoffer 1] ook verdachte is bij een inbraak in [slachtoffer 5] te Venlo. Deze inbraak is gepleegd op 16 februari 2012 omstreeks 03.00 uur. In de aangifte werd gesproken over vier daders. Door de aangever werden hiervan beelden ter beschikking gesteld voor het politieonderzoek. De op bijlage 3 getoonde dader herken ik ambtshalve als zijnde verdachte [verdachte] ”

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 maart 2012 te Tegelen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, waaronder een aantal ringen, kettingen en kettinghangers, en een kassa met daarin een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

3.

hij op 16 februari 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand, gelegen aan het [adres], heeft weggenomen onder meer een aantal flessen drank, een beamer en een kluis met daarin een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

ten aanzien van feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 19 juni 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 1 jaar jeugddetentie, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat aan verdachte geen straf langer dan het voorarrest dient te worden opgelegd. Deze straf zou eventueel gecombineerd kunnen worden met een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van deelname aan het HKA-traject.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte is een thans 17-jarige jeugdige op wie vanwege zijn wangedrag in het verleden reeds zowel strafrechtelijke als civielrechtelijke interventies zijn toegepast.

Uit het feit dat verdachte, ondanks zijn nog jeugdige leeftijd van thans 17 jaar, blijkens zijn uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 25 mei 2012 reeds eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld en nog in een proeftijd liep van een eerder door de meervoudige kamer opgelegde voorwaardelijke straf, concludeert de rechtbank dat verdachte hieruit kennelijk geen lering heeft getrokken en door blijft gaan met het plegen van vermogensdelicten.

Verdachte heeft met de thans bewezenverklaarde feiten laten zien dat hij geen enkel respect heeft voor andermans eigendom. Niet alleen worden spullen gestolen, daarnaast wordt ook zeer veel schade aangericht.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving, mede gelet op de ernst van de feiten en de veroorzaakte schade, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan een jeugddetentie van 6 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Blijkens de Rapportage strafzitting van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering d.d. 18 juni 2012 is verdachte civiel onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Limburg tot 9 februari 2013. Bovendien is verdachte in het verleden in het kader van opgelegde straf verplicht begeleid door de Jeugdreclassering, waarvan hij blijkbaar niets heeft opgestoken. Bureau Jeugdzorg geeft aan dat de verschillende in het verleden ingezette hulpverleningstrajecten onvoldoende effect hebben gehad. Mede gelet op de proceshouding van verdachte, wordt inzetten op gedragsverandering niet als een reële optie gezien. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. De weg die verdachte thans bewandelt zal zeer wel mogelijk leiden tot veelvuldig en in ernst toenemende criminele activiteiten met daaraan gekoppelde langere detentietijd. Een kader van controle en harde voorwaarden is de meest passende reactie, op grond waarvan de Jeugdreclassering adviseert een Harde Kern Aanpak op te leggen.

In de hoop dat verdachte thans in gaat zien dat hij steeds de verkeerde weg kiest, zal de rechtbank nogmaals een begeleiding door Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering opleggen. Verdachte wordt zodoende de mogelijkheid geboden de negatieve spiraal te doorbreken. Die begeleiding kan voorts inhouden dat verdachte zich zal richten naar de begeleiding in het kader van een HKA-traject traject.

De rechtbank zal daarom een gedeelte van de jeugddetentie, te weten 2 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd van 2 jaar, houdt aan de aanwijzingen gegeven door Bureau Jeugdzorg Limburg te Roermond afdeling Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte zal deelnemen aan het HKA-traject.

10.4.Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

[nummer], 1 mobiele telefoon, SAMSUNG Gt S5830 Galaxy, voorwerpnummer: [nummer];

[nummer], 91,40 Euro, voorwerpnummer: [nummer];

[nummer], 4,70 Euro, voorwerpnummer: [nummer].

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen.

10.5.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden, daar door de indiening van de vordering niet het krachtens artikel 51g, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier is gebruikt. Voorts was de ter terechtzitting aanwezige zoon van de benadeelde partij niet schriftelijk gemachtigd, zodat er ook geen sprake kan zijn van een mondelinge voeging zoals bedoeld in artikel 51g, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw overweegt de rechtbank dat de wens tot voeging blijkt uit het schadeonderbouwingsformulier en door de bevestiging van deze wens door de zoon van het slachtoffer op de zitting. Weliswaar is bij deze schriftelijke opgave niet het door de Minister vastgestelde formulier gebruikt, maar deze opgave bevat wel alle in artikel 51g, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering bedoelde informatie met betrekking tot de persoonsgegevens van de benadeelde partij.

Gelet hierop is de benadeelde partij ontvankelijk. De functie van de zoon ter terechtzitting was enkel het overhandigen van de al in de schriftelijke opgave genoemde, maar nog niet bijgevoegde bijlagen. Hiervoor is geen schriftelijke machtiging vereist.

[slachtoffer 1] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de, als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit, geleden materiële schade en immateriële schade.

De benadeelde partij voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 3.365,32 en de immateriële schade op een bedrag van € 250,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het materiële schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

a) vitrines: € 771,91

b) kassa: € 118,41

c) inhoud kassa: € 250,00

d) reparatie alarm: € 900,00

e) beschadigde sieraden: totaal € 1.325,00

Aangezien de vordering met betrekking tot de post e niet is onderbouwd, zal de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard ten aanzien van deze post en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posten a tot en met d onvoldoende weersproken en voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 2.040,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor. De vordering immateriële schade, die door verdachte niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte en zijn mededaders de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 2.290,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 32 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 77a, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77ee, 77gg, 310, 311.

12.De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf dient te worden toegewezen.

13.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 en onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot jeugddetentie voor de tijd van 6 maanden;

bepaalt dat van deze jeugddetentie 2 maanden, niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg in Limburg te Roermond, afdeling Jeugdreclassering - ook als dat inhoudt deelname aan het HKA-traject - met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de straf;

gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

[nummer], 1 mobiele telefoon, SAMSUNG Gt S5830 Galaxy, voorwerpnummer: [nummer];

[nummer], 91,40 Euro, voorwerpnummer: [nummer];

[nummer], 4,70 Euro, voorwerpnummer: [nummer].

vordering benadeelde partij;

wijst toe de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1];

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 2.290,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover de vordering van voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededaders is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 2.290,32 subsidiair 32 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 13 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededaders heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.290,32 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededaders aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de post ‘beschadigde sieraden’ en bepaalt dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging:

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Roermond d.d. 3 mei 2010 in de zaak met parketnummer 04/860840-09 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten: jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, A.K. Kleine, beide plaatsvervangend, kinderrechter, en C.C.W.M. Aretz, rechter, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N. Geene als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 juli 2012.