Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW9307

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
04/800256-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen noodweer(exces) aannemelijk geacht bij brute doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/800256-11

Datum uitspraak: 22 juni 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum],

thans gedetineerd in [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 5 januari 2012, 29 maart 2012 en 8 juni 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat - na een nadere omschrijving van de tenlastelegging - terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 28 september 2011 tot en met 29 september 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden en/of geslagen en/of gehakt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art. 289 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 28 september 2011 tot en met 29 september 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden en/of geslagen en/of gehakt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art. 287 Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op of omstreeks 4 oktober 2011 te [plaats], in elk geval in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 289 jo. 45 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 4 oktober 2011 te [plaats], in elk geval in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 4 oktober 2011 te [plaats], in elk geval in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art. 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 juni 2012 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is voor kalm beraad en rustig overleg, zodat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte werd vanuit het niets plotseling door het slachtoffer belaagd, waarna de enige mogelijkheid voor verdachte was zich te verweren.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat er onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte een mes heeft gebruikt om de verwondingen van het slachtoffer te veroorzaken. Verdachte heeft ruzie gehad met het slachtoffer en hij heeft haar vastgegrepen. Vast staat wel dat zij een hoofdwond heeft opgelopen, maar mogelijk heeft hij haar op het hoofd geraakt met een telefoonlader.

7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

In het bijzonder acht de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen bewijs voorhanden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Ten aanzien van het onder 2 primair en 2 subsidiair acht de rechtbank geen bewijs voorhanden dat verdachte het opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven. Ook in voorwaardelijke zin kan niet gesteld worden dat door het gebruik van het soort mes waarmee verdachte heeft gehandeld, de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou kunnen overlijden.

7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

(Samenvatting van de) bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

De verbalisant [ verbalisant 1] relateert op 9 februari 2012 :

Op vrijdag 30 september 2011 omstreeks 19.40 uur vervoegden zich twee personen aan het politiebureau Roermond. Beiden verklaarden zich zorgen te maken om hun vriend [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum], wonende aan de [adre[huisnummer] te [plaatsnaam].

De verbalisant [verbalisant 2] relateert op 1 oktober 2011 :

Op vrijdag 30 september 2011, omstreeks 20.07 uur, kreeg ik, samen met collega [verbalisant 3], de opdracht om te gaan naar de [adres] te [plaatsnaam]. Omstreeks 20.11 uur waren wij ter plaatse. De [adres] betreft een woning die gelegen is in een flat. Mijn collega [verbalisant 3] belde aan bij nummer [huisnummer] Ik merkte dat er op het aanbellen niet werd gereageerd. Collega [verbalisant 3] belde vervolgens aan bij nummer [huisnummer]. Ik hoorde dat de centrale toegangsdeur ontgrendeld werd en dat [verbalisant 3] de deur opende. Ik hoorde [verbalisant 3] zeggen dat de voordeur van nummer [huisnummer] niet geopend werd. Collega [verbalisant 3] vertelde mij dat de balkondeur aan de achterzijde van de woning open stond. We hebben de brandweer ter plaatse laten komen met een ladder. Ik ben middels de ladder op het balkon van de woning [adres] geklommen. Omstreeks 20.30 uur ben ik de woning binnen gegaan.

Ik opende de deur van een kamer en rook meteen de mij bekende lijkengeur. Ik zag dat er rechts naast het bed een deken op de grond lag. Ik zag dat er onder de deken nog ‘iets’ lag. Ik pakte de deken aan de linkerzijde en sloeg deze naar rechts opzij. Ik zag dat er onder de deken een manspersoon lag. Ik zag dat deze man een gezet postuur had. Ik zag op het rechterbeen van de man een aantal kleine verwondingen, waarvan ik het vermoeden had dat dit messteken waren. Ik zag links naast het hoofd van de man een grote donkerrode vlek op de vloer van een mij onbekende substantie. Hoe het lichaam van de man er uitzag, de lijkengeur en eerdere aanblik van lijken, wist ik zeker dat deze man overleden was.

De verbalisant [ verbalisant 1] relateert op 9 februari 2012 :

Op het adres [adres] te [plaatsnaam] stond blijkens de gemeentelijke basisadministratie slechts één persoon als bewoner ingeschreven. Dit betrof de vermiste [slachtoffer 1]. Tijdens het forensisch onderzoek in de woning kon de identiteit van het stoffelijk overschot worden vastgesteld. Het betrof [slachtoffer 1].

De verbalisant [verbalisant 4] relateert op 3 februari 2012 :

Op 2 oktober 2011, omstreeks 15.30 uur, werd door mij het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] in beslag genomen. Het stoffelijk overschot werd voorzien van een label, met daarop het SIN nummer AACM0229NL en vervolgens verpakt in een daarvoor geëigende transportzak. Deze transportzak werd gesloten en middels een zegel voorzien van het zegelnummer KLPD AA0010495. Op deze transportzak werd het SIN-nummer AACM0229NL aangebracht.

Op 2 oktober, omstreeks 16.45 uur, werd het stoffelijk overschot, door de begrafenisonderneming, genaamd [naam begrafenisonderneming], onder politiebegeleiding overgebracht naar het politiebureau te Roermond. Aldaar verbleef het stoffelijk overschot enige tijd in een afgesloten gekoelde lijkenauto. Op 2 oktober, om 19.45 uur, werd het stoffelijk overschot onder politiebegeleiding, overgebracht naar het Academisch Ziekenhuis te Maastricht, alwaar het omstreeks 20.40 uur aankwam bij de afdeling Radiologie. Aldaar werd het stoffelijk overschot gescand.

Op 2 oktober om 21.43 uur verliet het stoffelijk overschot het Academisch Ziekenhuis te Maastricht. Door genoemde begrafenisonderneming en onder politiebegeleiding werd het stoffelijk overschot overgebracht naar het politiemortuarium [naam begrafenisonderneming] te [plaatsnaam]. Op 2 oktober 2011, omstreeks 23.15 uur, was de aankomst bij genoemd mortuarium. Op 2 oktober, omstreeks 23.25 uur, werd het stoffelijk overschot, in het bijzijn van een politieambtenaar, geplaatst in een koelcel 2. Deze koelcel werd vervolgens voorzien van een verzegeling met nummer AA001100.

Op 4 oktober 2011, omstreeks 06.44 uur, werd, in het bijzijn van een politieambtenaar, genoemde verzegeling verbroken. Het stoffelijk overschot werd vervolgens in een lijkenauto en onder politiebegeleiding overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut, afdeling Pathologie, te Den Haag. Op 4 oktober 2011, omstreeks 09.08 uur, kwam men aan bij het Nederlands Forensisch Instituut. Aldaar werd het lichaam omstreeks 10.40 uur overgebracht naar de sectiekamer.

Het rapport van de arts en patholoog [naam arts 1] van 7 oktober 2011 houdt onder meer – zakelijk weergegeven – in:

Er waren verspreid over het lichaam circa 39 scherprandige perforaties en klievingen alle met het aspect van steek- en snijletsels. Wegens overlap van letsels was het exacte aantal niet goed aan te geven, waarschijnlijk waren er veel meer letsels.

De klievingen aan het hoofd en in het gezicht verliepen vaak parallel aan elkaar en de meeste reikten tot in het schedeldak en de aangezichtsschedel. Er waren kerven en scherprandige perforaties tot in het botweefsel met plaatselijk versplinteren van botweefsel. Er was begeleidende bloeduitstorting in de omgevende weken delen. Links waren er gerelateerde breuklijnen in het schedeldak met doorlopen van breuklijnen tot in de linkeroogkas.

In relatie met een gebied van klieving middenvoor aan de hals, waren het strottenhoofd en het tongbeen van elkaar gescheiden en was het strottenhoofd doorgesneden. Beiderzijds waren de halsslagaders geperforeerd en rechts was ook de halsader doorgenomen. Er was begeleidende bloeduitstorting in de omgevende weke delen.

In relatie met een perforatie rechts aan de borst was er een steekkanaal te herleiden van rechtsboven naar linksonder met perforatie van de aanhechting van de 6e rib aan het borstbeen, het hartzakje, het hart in de rechterhartkamer, het middenrif en de lever. De lengte van het steekkanaal, gemeten aan het gestrekte lichaam, bedroeg circa 10 cm. Er was begeleidende bloeduitstorting in de omgevende weke delen: geen vrij bloed in de borstholten.

In relatie met letsels op de buik was er perforatie van de buikwand, de lever en van enkele darmlissen. Er puilde vetweefsel en darmlissen uit de letsels. De steekkanalen verliepen waarschijnlijk van rechts naar links en iets voetwaarts. Er was begeleidende bloeduitstorting in de omgevende weke delen, er was geen vrij bloed in de bukholte.

In relatie met de letsels op de rug was er een steekkanaal te herleiden van hoofd naar voetwaarts met perforatie van de borstkas beiderzijds en van de linkerlong bovenkwab en de rechterlong onderkwab. Er was begeleidende bloeduitstorting. De lengte van de steekkanalen bedroeg, gemeten aan het gestrekte lichaam, circa 10 cm.

In relatie met het letsel rechts op de rug was er een steekkanaal vrijwel recht van achter naar voor met perforatie van de rugspieren, de weke delen en de rechternier. De lengte van het steekkanaal bedroeg, gemeten aan het gestrekte lichaam, circa 15 cm. Er was begeleidende bloeduitstorting in de omgevende weke delen en in de rechternier.

De letsels in de linkerarm waren met elkaar verbonden via een steekkanaal van circa 20 cm (een doorsteek).

De letsels aan de linkerpols en linkerhand waren vrij oppervlakkig en reikten tot in het vet- en spierweefsel.

Er waren macroscopisch geen ziekelijke orgaanafwijkingen van betekenis voor het overlijden.

Interpretatie van resultaten

Bij sectie was er sprake van gevorderde postmortale veranderingen waardoor de beoordeling van bijvoorbeeld kleine en oppervlakkige onderhuidse bloeduitstortingen mogelijk minder goed was. De postmortale veranderingen kunnen passen bij een interval van enkele dagen.

Er waren verspreid over het lichaam vele scherprandige klievingen en letsels met het aspect van steek- en snij verwondingen. Gezien de begeleidende bloeduitstortingen alle bij leven opgelopen als gevolg van steken en snijden met een of meet scherpe snijdende voorwerpen zoals een of meerdere messen. Er waren in de gevonden steekkanalen vitale organen zoals het hart en de beide longen, de lever en de rechternier geraakt. In de hals waren onder andere de beide halsslagaders en 1 halsader doorgesneden. Het overlijden wordt als gevolg van massaal bloedverlies en opgetreden functieverlies van de vitale organen zonder meer verklaard. De klievingen aan het hoofd en op de schedel hebben aan het bloedverlies en daarmee aan het overlijden bijgedragen. De letsels aan de linkerarm en linkerarm kunnen passen bij afweerletsels. De lengte van de bij sectie gevonden steekkanalen dient vanwege de gevorderde postmortale veranderingen met terughoudendheid te worden geïnterpreteerd. Er waren geen aanwijzingen dat ziekelijke afwijkingen aan het overlijden hebben bijgedragen.

Conclusie

[slachtoffer 1], [leeftijd] jaar oud geworden, is overleden als gevolg van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend en klievend geweld op het lichaam.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 8 juni 2012 verklaard ;

Op woensdag 28 september 2011 heb ik inde woning aan de [adres] te [plaatsnaam] [slachtoffer 1] met een mes om het leven gebracht.

Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer 2]chtoffer 2] verklaart op 5 oktober 2011 :

Ik was gisteren op bezoek bij een collega van mij in [plaats]. Haar naam is [getuige 1]. Ongeveer tegen zes uur ben ik weggegaan. Ik liep naar buiten en zag opeens een donkere schim. Ik zag iemand staan. Ik zag vrij snel dat het [verdachte] was. [verdachte] is een man die uit [land] komt. Hij is dun, smal en licht, hiermee bedoel ik dat hij goed kan bewegen. Hij kan goed rennen. Omdat [verdachte] mij had verteld over de man die hij had doodgemaakt met een mes keek ik naar zijn handen. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een mes had. Ik denk dat het mes ongeveer 10 à 15 cm was. Hij kwam op mij af met het mes. Ik zei “niet doen, niet doen”. Ik ben naar achteren gelopen toen hij met het mes op mij afkwam. Ik wilde bij hem vandaan lopen. Ik viel achterover in de struiken. Op het moment dat [getuige 1] naar buiten kwam met de aluminium stok en [verdachte] begon te slaan ben ik weg kunnen komen.

Op het moment dat [verdachte] met het mes op mij afkwam dacht ik: “ik ga dood”. Ik moest er toen aan denken dat hij die man dood had gemaakt. Door het steken met het mes door [verdachte] heb ik letsel in mijn hoofd, in mijn beide benen en op mijn armen opgelopen.

[slachtoffer 2] verklaart op 11 oktober 2011 :

Hij raakte mij met het mes eerst op mijn hoofd. Hij heeft mij een keer geraakt op mijn hoofd. Verder heeft hij mij een keer in mijn arm en drie of vier keer in mijn benen geraakt.

Ik heb niet goed opgelet hoe het mes er uit zag. Ik zag wel iets in zijn hand. Ik weet niet of het een stuk ijzer was of een mes.

[slachtoffer 2] verklaart op 12 oktober 2011 :

Toen ik in de rozenstruik was gevallen is [verdachte] met het mes naar mij toegekomen. Ik heb met mijn beide benen naar hem getrapt. Ik weet niet waar hij mij wilde raken. Ik heb alleen maar gezien dat hij met het mes op mij afkwam en dat hij het mes in zijn rechterhand had.

De getuige [getuige 1] verklaart op 4 oktober 2011 :

Ik ben woonach[adres]es] in [plaats]. Vandaag, 4 oktober 2011, tussen 16.15 en 16.30 uur, bonkte een collega van mij op de voordeur van mijn woning. Ze heet [slachtoffer 2]. Mijn man vindt [slachtoffer 2] vreemd en vertrouwt haar niet. Ik ook niet. Ik geloof dat het ongeveer 17.30 uur was toen ze opstond om weg te gaan. Ik zag dat [slachtoffer 2] naar buiten liep. Ik zag dat er een man naast mijn woning stond. Ik zag dat [slachtoffer 2] in de richting van de man keek. Ik zag en hoorde dat [slachtoffer 2] direct tegen hem begon te schreeuwen. Ik zag dat deze man tegen de deur stond van de woning gelegen op nummer [huisnummer]. Die deur ligt in een soort nis. Het leek alsof de man zich schuilhield. Ik zag dat de man slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer 2] maakte. Ik zag dat [slachtoffer 2] achteruit liep. Ik zag dat [slachtoffer 2] tijdens het achteruit lopen door de man werd vastgepakt. Ik zag dat hij haar bij haar hoofd of bij haar schouders vastpakte. Ik zag dat [slachtoffer 2] tijdens het achteruit lopen achterover in de struiken viel. Ik zag dat de man in een beweging met haar mee in de struiken belandde. Hij bleef staan. Ik zag dat de man zijn rechterarm naar achter uithaalde. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een mes vasthield. Ik zag dat hij het mes met de scherpe kant naar voren richtte. Ik zag dat het een stiletto betrof. Ik zag dat er iets geels aan het handvat van de stiletto zat. Ik zag dat de man met het mes in zijn hand de slaande beweging richting het hoofd van [slachtoffer 2] maakte. Ik zag dat de man met het mes in zijn hand vanuit [slachtoffer 2] d’r hoofd naar de benen ging. Ik zag dat hij met het mes een steekbeweging naar [slachtoffer 2] haar been maakte. Toen [slachtoffer 2] in de struiken lag, heb ik de man met mijn loopkruk op zijn hoofd geslagen. De man ging gewoon door. Ik ben daarop naar binnen gegaan. Ik zag door het raampje van de voordeur dat [slachtoffer 2] op de deur klopte. Ik maakte de deur open en liet haar binnen.

De verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] relateren op 20 oktober 2011 :

Op 4 oktober 2011, omstreeks 17.42 uur, waren wij aan de [adres] te [plaats] ter hoogte van huisnummer [huisnummer]. Aldaar zou een persoon zijn neergestoken door een man. Ik zag dat de voordeur van de woning van de meldster aan de [adres] open stond. Ik zag direct achter de voordeur een vrouw zitten. Ik zag dat zij een bebloed been had. Ik, [naam], herkende de vrouw als zijnde [slachtoffer 2]. Het slachtoffer had een oppervlakkige steekwond ter hoogte van haar rechterknie, een behoorlijke steekwond op haar linkerbovenarm en een behoorlijke hoofdwond achter op haar hoofd. De personalia van het slachtoffer betreft: [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum], wonende [adres] te [plaatsnaam]. Het slachtoffer is per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis te Roermond.

Op de plaats delict werd een stukje van een stanleymesje aangetroffen.

De verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] relateren op 5 oktober 2011 :

Op woensdag 5 oktober 2011, omstreeks 10.45 uur, kregen wij het verzoek om te gaan naar het [adres] te [plaats]. Op de [adres] zou een man wonen die gezien zou hebben dat de dader van de steekpartij een dag eerder, op de [adres] in [plaats], iets weggegooid zou hebben in de struiken. Omstreeks 11.00 uur waren wij ter plaatse op de [adres] te [plaats] wij hebben gesproken met de bewoner van [adres] te [plaats], dhr. [getuige 2]. [getuige 2] gaf aan dat de dader van de steekpartij van dinsdag 4 oktober 2011 op de [adres], mogelijk iets weg had gegooid in de struiken voor de woning van hem. Wij hebben in de struiken gezocht welke [getuige 2] aangewezen had, naar voorwerpen welke als bewijs konden dienen voor de steekpartij op de [adres] te [plaats]. Wij hebben niets gevonden in de struiken dat als bewijs zou kunnen dienen. Ik, [verbalisant 8], werd aangesproken door een medewerker van de plantsoenendienst, [ge[getuige 3]. [getuige 3] zei dat een andere medewerker van de plantsoenendienst een stanleymes gevonden had in de [adres] te [plaats] ter hoogte van nummer 2 in een hoekje. Ik heb het mes in beslag genomen.

De forensisch geneeskundige mw. [naam arts 3] verklaart:

Letselbeschrijving betreffende mevr. [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum].

Datum onderzoek 4 oktober 2011

Letsels:

Hoofd: 3-3,5 cm lang oppervlakkige wond met gerafelde rand. Dit past bij een barstwond van bijvoorbeeld een hard voorwerp tegen hoofd of vallen.

Linkerwang: tweetal parallel lopende krasverwondingen zichtbaar.

Rechteronderarm: op de huid zes- achttal onderbroken rode strepen van oppervlakkige verwondingen zichtbaar. Dit beeld past bij een krasverwonding mogelijk door een voorwerp met een scherpe punt.

Verder richting de hand een donkere verkleuring van de huid met puntbloedinkje en een kleine oppervlakkige rode wond van ca. 2 mm. Dit beeld past bij een bloeduitstorting mogelijk door kneuzing met hard voorwerp en de kleine wond past bij een steek/kras met een scherp punt van een voorwerp.

Linkerbovenarm: een inkerving van de huid met scherpe rand van ca. 9 cm lang, de diepte van de wond is verschillend. Dit past bij een snijwond met een scherp voorwerp. Verder in de linkeronderarm vlak bij de elleboog meerdere oppervlakkige krasverwondingen zichtbaar.

Buitenkant en onderkant van het rechterbovenbeen: tientallen krasverwondingen met onregelmatig/chaotisch verloop.

Op en om de rechter knieholte zijn lange strepen van verwondingen zichtbaar met tamelijk gelijkmatige diepte van de wondbodem waarvan tenminste één op snijverwonding lijkt. Beeld past bij een verwonding met een scherp voorwerp c.q. punt van een scherp voorwerp.

Linker bovenbeen en knieholte: meerdere kortlijnige krasverwondingen zichtbaar.

Conclusie:

Tientallen krasverwondingen op het lichaam zichtbaar, mogelijk veroorzaakt door een scherpe punt van een voorwerp en een paar snijverwondingen mogelijk veroorzaakt door een scherpsnijdend voorwerp, bijvoorbeeld een mes.

Verdachte heeft verklaard :

Op 4 oktober 2011 was ik in [plaats]. Ik was op zoek naar [slachtoffer 2]. Op een gegeven moment zag ik haar. Ik heb haar gezegd dat ik mijn paspoort wilde hebben. Daarop stapte zij naar achteren en viel in de struiken.

Overweging van de rechtbank ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft aangevoerd dat aangeefster, ook met betrekking tot haar rol in de nasleep van de dood van [slachtoffer 1], leugenachtig heeft verklaard en dat daarom moet worden getwijfeld aan al hetgeen aangeefster heeft verklaard. Ook aan de verklaring van [getuige 1] moet worden getwijfeld, onder andere omdat zij op een gegeven moment de deur dicht trok. Bovendien kan uit de medische verklaring niet blijken dat aangeefster heel vaak gestoken zou zijn.

Met de raadsvrouwe is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster dat zij heel vaak gestoken zou zijn niet noodzakelijkerwijze past bij de medische verklaring: uit die verklaring blijkt immers van veel oppervlakkige krasverwondingen die mogelijk veroorzaakt zouden kunnen zijn door een scherpe punt van een voorwerp. De rechtbank kan zich evenwel ook voorstellen dat die verwondingen veroorzaakt zouden kunnen zijn door het gegeven dat aangeefster in de (rozen)struiken is beland en zich heeft verweerd. Anderzijds wijst de medische verklaring er evenmin op dat de verklaring van aangeefster op dat punt niet zou kunnen kloppen. Dat aangeefster wat betreft de gang van zaken rondom het overlijden van [slachtoffer 1] wellicht anders heeft verklaard dan wat bijvoorbeeld uit de verklaring van verdachte alsook getuigenverklaringen zou kunnen blijken mag zo zijn, maar dat maakt niet dat haar verklaringen op alle onderdelen onbetrouwbaar zouden zijn. Bovendien zijn het nu juist gevoelige aangelegenheden waar aangeefster anders over verklaart dan uit andere bewijsmiddelen zou kunnen blijken: het huwelijk met verdachte waar haar Nederlandse echtgenoot niet van op de hoogte was, haar seksleven alsmede haar eventuele aanwezigheid in de woning na de dood van het slachtoffer. Wat dat laatste betreft zou een rol kunnen spelen dat aangeefster mogelijk zichzelf zou kunnen belasten.

Het is juist dat mevrouw [getuige 2] op enig moment haar woning is binnengegaan, maar dat sluit geenszins uit dat zij het incident heeft gezien. Integendeel, deze getuige beschrijft wat zij heeft gezien en dat past bij de verklaringen van aangeefster, in elk geval wat betreft het gegeven dat verdachte een mes in zijn hand had, dat hij op aangeefster afkwam, dat aangeefster achteruit liep en achterover in de struiken viel en dat de getuige verdachte met een voorwerp op het hoofd heeft geslagen. Nu, zoals de verdediging ook aangeeft, de getuige heeft verklaard dat zij aangeefster vreemd vindt en niet vertrouwt, is er dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen reden te bedenken waarom de getuige desondanks de verklaring van aangeefster zou bevestigen als die aangifte niet naar waarheid zou zijn afgelegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de verklaringen van aangeefster en de getuige zou moeten worden getwijfeld. De rechtbank is daarom bij de vaststelling van de toedracht van die verklaringen uitgegaan.

Uit het relaas van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] blijkt dat gezien is dat verdachte na de aanval op het slachtoffer iets in de struiken had gegooid en dat daar een stanleymes was aangetroffen. Uit de medische verklaring blijkt dat meerdere verwondingen mogelijk veroorzaakt zijn door een voorwerp met een scherpe punt of een scherpsnijdend voorwerp, bijvoorbeeld een mes. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar met een mes heeft gestoken. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte in zijn rechterhand een mes had dat zij omschrijft als een stiletto. De rechtbank overweegt dat bij een stiletto het lemmet evenals bij een stanleymes naar voren wordt bewogen. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte tijdens de aanval op het slachtoffer over een stanleymes beschikte en dat hij [slachtoffer 2] daarmee meermalen heeft gestoken.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 28 september 2011 tot en met 29 september 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes, in/op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 4 oktober 2011 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

Ten aanzien van feit 1 subsidiair.

Ter terechtzitting heeft de verdachte de volgende verklaring afgelegd:

Ik woonde in dezelfde woning als het slachtoffer [slachtoffer 1] aan de [adres] te [plaatsnaam]. Daar woonden nog twee andere personen. [slachtoffer 1] vertelde dingen die men niet zou accepteren, maar ik bleef vriendelijk. Als je in hetzelfde huis woont, zijn er soms wrijvingen, maar ik besteedde er niet veel aandacht aan. Ik heb nooit ruzie gehad, met wie dan ook. Er was sprake van een complot tegen mij. Ik wist daarvan, maar dat was geen reden om hem te doden. Het complot had betrekking op de handel in verdovende middelen. [slachtoffer 1] en [medebewoner 1] handelden en de groep wilde dat ik zou meedoen. Ik wist dat [slachtoffer 1] een relatie had met [slachtoffer 2], met wie ik getrouwd was. [slachtoffer 2] wilde als hoer werken en met de anderen samenwerken. Ik heb [slachtoffer 2] gezegd dat als zij zo zou doorgaan, ik naar de politie zou gaan. Ik heb [slachtoffer 2] verschillende keren voor de keus gesteld. Zij koos voor mij en zei dat zij bij mij wilde blijven. Ik gaf haar een kans en had weer vertrouwen in haar. Ik was doende een nieuwe woonruimte te zoeken, omdat ik zelfstandig wilde wonen met mijn vrouw en ik mij in de woning van [slachtoffer 1] niet veilig voelde. Er gebeurde namelijk van alles in de woning. [slachtoffer 1] heeft nooit gezegd dat ik weg moest.

In die tijd voelde ik mij raar als ik iets at of dronk, dan werd ik moe en als ik geslapen had voelde ik mij beresterk. Dat gebeurde onder andere als [slachtoffer 2] mij groente gaf. Ook op 28 september 2011 was dat het geval. Ik woonde in een akelige situatie met een akelige man. Die avond heb ik één biertje gedronken. Ik gebruik geen cocaïne. Ik heb slechts één keer cocaïne geprobeerd en dat beviel mij heel slecht. Die avond ben ik op weg naar huis [slachtoffer 2] tegen gekomen. Zij vertelde dat zij bij mij op bezoek zou komen. Dat is de normale situatie. Soms ga ik ook naar huis en dan zit zij al op mij te wachten. Of ik haar buiten ontmoet of dat zij in het huis zit te wachten maakt niet uit, want ik weet dat zij en [slachtoffer 1] elkaar gesproken hebben. Het kan ook dat zij met [slachtoffer 1] naar bed was geweest. Ik was er zeker van dat zij een relatie met elkaar hadden. Ik had het gevoel dat ik weg moest uit dat huis.

Op woensdag 28 september 2011 kwam ik de woning binnen en groette [slachtoffer 1]. Ik wilde een ontspannen sfeer doen ontstaan omdat ik iets voelde. Ik wist dat hij thuis was, want de TV stond aan. [slachtoffer 1] zat achter de salontafel op de bank. Toen ik bij de deuropening van de kamer kwam, was hij bezig op te staan. [slachtoffer 1] riep tijdens het opstaan: “Welkom, je bent gekomen voor je lot!”. Voor hem op de tafel lag een mes, ik denk dat het een behoorlijk groot mes was. Het is mogelijk dat het hetzelfde mes was dat ik tevoren had meegenomen van mijn werk. Ik stond tegenover hem. [slachtoffer 1] zei: “wil je dat ze mij doden?”. Hij pakte mij met zijn linkerarm bij mijn rechter schouder vast. Hij sloeg mij. Op dat moment zei hij: “ik ga je doden”. Hij hield mij vast en bewoog zijn hand met het mes in een stekende beweging. Ik stond aan de andere kant van de tafel. Ik heb het mes omhoog geduwd zodat hij mij zou missen. Toen heb ik een paar stappen naar achteren gemaakt. Hij hield mij nog steeds vast. Toen struikelde hij en op dat moment viel het mes. Hij probeerde het mes nog een keer te pakken. [slachtoffer 1] was zwaar en ik was sneller en ik kon het mes pakken. Hij leunde op zijn rechterarm om op te staan en probeerde met zijn hele lijf naar het mes te gaan. Toen ik het mes in mijn hand had stond hij al recht. Op dat moment zag ik bloed op mijn hand en op de grond en had ik het idee dat ik doodging. Ik schrok en wilde weg maar er was geen andere oplossing. Toen heb ik hem eenmaal gestoken, waar weet ik niet, maar niet in zijn rug. Het was ergens in zijn bovenlichaam. Mij wordt voorgehouden dat ik bij de politie heb verklaard dat ik toen in zijn buik heb gestoken. Dat kan kloppen. Ik probeerde weg te lopen en hij ging een beetje naar achteren. Hij is een paar stappen naar achteren gegaan richting balkon. Het gordijn viel vanzelf, mogelijk omdat hij er tegenaan kwam. Ik wilde weggaan en stapte in de richting van de deur, maar hij heeft mij bij de deuropening weer vastgegrepen. Ik stond met mijn gezicht naar de deur gericht en was bij de opening toen hij mij vasthield bij mijn rechterschouder. Hij is veel sterker en ik dacht dat het afgelopen was met mij. Ik stak daarop met het mes naar achteren. Ik stak raak. Toen ik mij omdraaide zag ik dat hij op de grond aan het vallen was. Hij ging richting schuifdeur, kwam daarna nog een keer terug en viel toen neer en was dood. Ik heb maar twee keer gestoken.

Ik raakte hem nog aan, maar hij was dood. Het kan wel zijn dat ik afwerend het mes op en neer heb bewogen omdat hij steeds op mij af kwam en dat ik hem daarbij geraakt heb, maar ik heb niet vaker gestoken. Ik heb hem niet 39 keer gestoken. Ik weet zeker dat ik hem maar twee keer heb gestoken. Ik heb hem niet in zijn rug gestoken. Ik heb ook niet zijn keel doorgesneden. Ik heb daarna een minuut of vijf op de bank gezeten en daarna ben ik naar buiten gegaan.

Ik ben weggegaan en ben een dag later teruggekomen. Toen heb ik het lijk verplaatst. Ik heb zelf getracht de woning schoon te maken. Later heb ik samen met[slachtoffer 2]chtoffer 2] geprobeerd de boel schoon te maken. Ik was heel erg bang. Ik voelde mij onder druk gezet. [slachtoffer 2] probeerde mij te overtuigen dat ik moest vluchten. Ik was niet van plan te vluchten.

De bedoeling was het zo te laten lijken dat hij door de Duitsers, die al eerder in de woning waren binnen gedrongen, was vermoord.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte handelde uit noodweer. Verdachte handelde immers vanuit een ogenblikkelijke en wederrechtelijke verdedigingshandeling, die geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen een aanranding.

Bij binnenkomst van verdachte in de woning kwam het slachtoffer met een groot mes in de hand op verdachte af en probeerde hem neer te steken. Deze aanval vormde de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen een noodzakelijke verdediging geboden was. Verdachte wist deze aanval af te weren, maar als gevolg daarvan liep hij een forse snijwond op. Verdachte en het slachtoffer worstelden vervolgens door de kamer waardoor [slachtoffer 1] over de salontafel viel. Door de valpartij verloor [slachtoffer 1] het mes en wist verdachte dat mes te bemachtigen. In de fractie van een seconde die verdachte dan had, stak hij, om een volgende aanval te voorkomen, het slachtoffer in zijn buik, in de hoop hem zo uit te kunnen schakelen en te kunnen vluchten.

Een enkele messteek bleek echter onvoldoende om het slachtoffer uit te schakelen. [slachtoffer 1] stond op, rende vanaf het balkon achter verdachte aan en greep hem vast. Dit is een dusdanige beperking van zijn bewegingsvrijheid dat er onder deze omstandigheden sprake is van wederrechtelijke aanranding. [slachtoffer 1] was een stevige man en verdachte zou in een man op man gevecht zonder twijfel het onderspit delven. Verdachte besefte dat hij in gevaar was, op dat moment zat er niets anders op dan [slachtoffer 1] wederom te steken om zichzelf te kunnen verdedigen en zijn leven te redden.

Deze wijze van verdediging staat zonder twijfel in proportie tot het op dat moment dreigende gevaar voor zijn eigen leven, aldus de raadsvrouw.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er sprake was van een te vergaande en disproportionele reactie, er sprake is van noodweerexces.

Verdachte werd aangevallen, waardoor hij te vrezen had voor zijn eigen leven. Door deze wederrechtelijke aanranding ontstaat er een hevige beweging in zijn gemoedstoestand.

Verdachte is blijkens de psychische rapportages een rustige en vriendelijke man en vertoont geen tekenen van een agressieprobleem. Verdachte was dus buiten zinnen en niet in zijn normale doen. De verwondingen van het slachtoffer zijn hier het meest sprekende voorbeeld van.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte al maanden in een situatie verkeerde waar hij uit alle macht uit probeerde te blijven. Deze situatie heeft zonder enige twijfel bijgedragen aan de gemoedstoestand van verdachte. Hij had een gevoel van onveiligheid in zijn eigen huis. Met alle incidenten uit het verleden in zijn hoofd besefte verdachte dat hij waarschijnlijk niet op een normale manier uit deze situatie weg kon komen.

Op het moment van de aanval door [slachtoffer 1] slaat verdachte dan ook de schrik en de angst om het hart. Als gevolg van de aanranding door het slachtoffer en de daardoor ontstane vrees voor zijn eigen leven, met daarbij alle emoties en wanhoop uit zijn ervaringen in hetzelfde appartement van de maanden ervoor, ontstaat er een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Deze gemoedsbeweging heeft ertoe geleid dat hij maar bleef steken en steken in het lijf van het slachtoffer.

Ook om deze reden dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is de vraag of er sprake is geweest van zo een aanranding of dreigend gevaar.

De rechtbank stelt voorop dat noch uit verklaringen van getuigen, noch uit technisch onderzoek noch anderszins enige aanwijzing is te putten die de lezing van verdachte – als hierboven weergegeven – ondersteunt. Dat geldt ook voor de verwondingen die verdachte aan zijn linkerhand had; uit de bevindingen van de forensisch arts dr. [naam arts 4] van 9 maart 2012 blijkt dat de verwondingen niet specifiek letsel betreft en dat dit letsel zowel kan passen bij afweer als bij doorschieten na steken en dat zelfs een ander scenario, zoals al dan niet onbedoeld bij zichzelf toegebracht letsel, ook zeer wel mogelijk is.

Er zijn dus geen aanwijzingen die de lezing van verdachte ondersteunen, doch daarmee is niet gezegd dat reeds om die reden de verklaring van verdachte en daarmee de aanval door het slachtoffer op hem niet aannemelijk zou kunnen zijn. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat de lezing van verdachte over de aanval door het slachtoffer met een mes niet aannemelijk is geworden. Daartoe zijn voor de rechtbank de navolgende omstandigheden van belang.

1. Op 5 oktober 2011 meldt verdachte zich bij de politie. Op 6 oktober, na overleg met zijn raadsvrouwe, wordt verdachte door de politie verhoord. Hij zegt dat zijn advocaat hem geadviseerd heeft te zwijgen totdat de advocaat het dossier heeft of bij het verhoor aanwezig is. Niettemin legt verdachte een uitvoerige verklaring af maar verklaart evenwel niet dat en waarom hij het slachtoffer heeft gedood.

Op 11 oktober wordt verdachte weer verhoord en legt hij wederom een uitvoerige verklaring af. Verdachte is dan al in bewaring gesteld en voorgeleid bij de rechter-commissaris en beschikt derhalve – althans in elk geval zijn advocaat - over een dossier. Maar ook bij de voorgeleiding noch daarna op 11 oktober 2011 zegt verdachte dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. Het duurt tot 12 oktober 2012 en dus twee weken na de dood van [slachtoffer 1] voordat verdachte verklaart dat hij uit zelfbehoud het slachtoffer heeft gedood op 28 september 2012.

Desgevraagd heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij tegen [slachtoffer 2] zou hebben gezegd dat hij [slachtoffer 1] had gedood omdat hij zich had moeten verdedigen. Op geen enkel moment heeft verdachte daar eerder met een woord over gerept. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] kan in elk geval niet blijken dat verdachte haar op enig moment zulks heeft toevertrouwd. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar had gezegd dat zij [medebewoner 2] moest bellen en moest zeggen dat [slachtoffer 1] dood was. Uit de verklaring van [medebewoner 2] kan evenmin blijken dat [slachtoffer 2] hem had verteld dat verdachte het slachtoffer had gedood om zichzelf te verdedigen.

De rechtbank houdt het er voor dat verdachte aan [slachtoffer 2] noch aan een ander heeft gezegd dat hij zich had moeten verdedigen. De rechtbank vindt het opvallend dat verdachte bij de politie pas in een laat stadium verklaart dat hij zich heeft moeten verdedigen en minstgenomen onwaarschijnlijk dat hij zelfs tegen zijn vrouw, met wie hij (voor de imam) was getrouwd en die hem, zoals hij verklaarde, hielp om de plaats delict schoon te maken, om de sporen van het misdrijf te wissen en om naar het buitenland te vluchten, niet op enig moment heeft gezegd dat hij het slachtoffer wel dood moest maken omdat die hem aanviel met een mes.

2. Verdachte heeft herhaaldelijke malen verklaard dat er een complot tegen hem zou bestaan. Zo verklaart verdachte dat het slachtoffer en de andere huisgenoten – [medebewoner 2] en [medebewoner 1] – hem onder druk zouden zetten om samen met hen in de drugshandel te werken en dat ook [slachtoffer 2] dat wilde. Alle vier die personen werkten samen tegen hem, aldus verdachte. Ook beweert verdachte dat het slachtoffer een relatie had zijn vrouw en dat ook zijn huisgenoten seksueel contact met haar hadden. Verdachte wil naar eigen zeggen niets met drugs van doen hebben en heeft slechts één keer cocaine gebruikt en dat was, zo verklaarde hij op 3 november 2011, ongeveer 8 maanden geleden.

Uit de verklaringen van de huisgenoten en [slachtoffer 2] alsmede uit andere bewijsmiddelen ontstaat evenwel een ander beeld.

[medebewoner 2] verklaarde dat het alleen [medebewoner 1] was die in drugs handelde maar hij en ook het slachtoffer niet. [medebewoner 2] verklaarde dat juist verdachte wel eens zaken voor [medebewoner 1] regelde en dat [medebewoner 1] een keer had geklaagd dat verdachte cocaine en geld kwijt was geraakt. [medebewoner 2] heeft verdachte meer dan eens cocaïne zien snuiven. Volgens [medebewoner 2] is er geen sprake van een relatie met de vriendin van verdachte en behandelde zij het slachtoffer slechts als haar huisbaas.

[medebewoner 1] bevestigt dat hij in verdovende middelen handelde en dat verdachte heel erg jaloers was in verband met zijn vrouw. Als die vrouw met [medebewoner 2] en hem sprak was verdachte jaloers. [medebewoner 1] verklaart dat het contact tussen slachtoffer en de vrouw van verdachte bestond uit eten en met elkaar spreken. [medebewoner 2] en hijzelf hadden geen contact met haar. [slachtoffer 2] verklaarde dat zij een normale relatie met [slachtoffer 1] had en dat ze hem als een vader beschouwde.

Van een objectief aanknopingspunt dat (ook) het slachtoffer betrokken zou zijn bij de handel in verdovende middelen en/of dat hij en zijn huisgenoten een seksuele relatie met [slachtoffer 2] zouden hebben is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Daar komt bij dat de verklaring van verdachte over zijn cocaïnegebruik niet enkel wordt weersproken door de verklaring van [medebewoner 2] maar vooral door de resultaten van het toxicologisch onderzoek. Daaruit is immers gebleken dat in het hoofdhaar van verdachte cocaine en omzettingsproducten zijn aangetoond die passen bij een incidentele actief gebruik van cocaine in de vier maanden voor haarafname. Dat betekent dat de verklaring van verdachte dat hij slechts eenmaal en wel 8 maanden geleden cocaine heeft gebruikt, niet op waarheid kan berusten.

Wat de complottheorie betreft heeft verdachte echter ook verklaard dat het doel van dat complot was om een drugsnetwerk op te bouwen tussen [medebewoner 2], [medebewoner 1] en [slachtoffer 2] om niet alleen van verdachte maar ook van juist het slachtoffer af te komen. Wanneer de politie verdachte dan vraagt waarom [medebewoner 2], [medebewoner 1] en [slachtoffer 2] het slachtoffer weg wilde hebben, verklaart verdachte dat hij niet weet waarom zij het slachtoffer haten “want ze noemden hem papa”. Voorts verklaarde verdachte dat zij hem onder invloed hadden gebracht maar dat hij niets wist waarvan. In dat verband heeft verdachte eerder gesproken over het eten van groente en de bittere smaak van de flesjes water uit de koelkast.

Naar het oordeel van de rechtbank is wat betreft geen van de verschillende complottheorieën zelfs maar een begin van aannemelijkheid naar voren gekomen. Niet enkel omdat verdachte daar soms onnavolgbare verklaringen over heeft afgelegd, maar ook omdat hij daar wisselende verklaringen over heeft afgelegd. Bovendien is zijn verklaring wat betreft het drugsgebruik aantoonbaar onjuist.

3. Verdachte heeft niet enkel wisselende verklaringen afgelegd waar die zien op de complottheorie.

In de woning van het slachtoffer en verdachte zijn in de keukenlade diverse messen aangetroffen. Op 19 oktober 2012 wijst verdachte bij de politie twee messen uit de keukenlade aan: één van die messen had [slachtoffer 2] gekocht en het andere mes had verdachte van zijn werk mee naar huis genomen en in de keukenlade bewaard. Verdachte verklaarde dat hij “zeker” één van die twee messen heeft gebruikt bij het doden van het slachtoffer maar dat hij niet weet hoe het gebruikte mes in de keukenlade terecht is gekomen. Wanneer de politie verdachte twee weken later voorhoudt dat ze één van de messen aan zijn werkgever hadden laten zien maar dat de werkgever het mes niet had herkend, antwoord verdachte dat de politie het bij zijn werkgever kan controleren omdat uit de messenset in het houten blok een mes mist. Vervolgens blijkt dat het houten messenblok van de werkgever daadwerkelijke een grotere en brede uitsparing zonder mes bevatte en dat de werkgever mededeelde dat hij niet wist waar het betreffende mes zich bevond.

Hoewel niet onomstotelijk is komen vast te staan met welk mes het slachtoffer om het leven is gebracht, wijzen de technische gegevens wel in de richting van het mes dat verdachte had meegebracht van zijn werk. Op dat mes zijn bloedsporen aangetroffen van verdachte en het slachtoffer. Bovendien concludeert deskundige [naam arts 5] dat de aangetroffen breuk in het lemmet van het mes en de wijze waarop deze breuk is ontstaan, past in het traumatische beeld dat is aangetroffen in het schedeldak van het slachtoffer. De rechtbank houdt er dan ook voor dat dat het mes is waarmee het slachtoffer werd gedood.

De stelligheid waarmee verdachte aldus heeft verklaard over het mes van zijn werkgever vindt aldus steun in andere bewijsmiddelen. Het is daarom des te opvallender dat verdachte later opeens een andersluidende verklaring aflegt. Zo beweert hij opeens op 23 november 2011 dat [slachtoffer 2] de donderdag – de dag na de dood van het slachtoffer - het gebruikte mes bij zich had toen ze wegging – verdachte zou dat hebben gezien - en dat het mes in de keukenla van zijn werkgever alleen maar leek op het mes dat hij gebruikt zou hebben.

Nog meer springt in het oog de verklaringen van verdachte waar het gaat over het aantal keren dat hij het slachtoffer heeft gestoken. Bij de politie heeft verdachte herhaalde malen verklaard dat hij vaak had gestoken. Op 12 oktober 2011 verklaart verdachte: “ik heb hem zo vaak gestoken in zijn buik en in zijn nek”. Op 17 oktober 20112 verklaarde hij eveneens dat hij “zo vaak” had gestoken “totdat hij neerviel”. Ter terechtzitting verklaarde verdachte echter dat hij maar twee keer zou hebben gestoken, dat hij niet de keel had doorgesneden en ook niet in de rug van het slachtoffer had gestoken. Die verklaring wordt gelogenstraft door de bevindingen van de sectie waaruit blijkt bij het slachtoffer tenminste 39 steek- en snijletsels zijn geconstateerd, dat het strottenhoofd was doorgesneden en dat er sprake was van steekkanalen in de rug.

De rechtbank tast in het duister over de reden waarom verdachte het slachtoffer heeft gedood. De verklaring van verdachte dat het slachtoffer hem aanviel met een mes acht de rechtbank op grond van de bovengenoemde omstandigheden niet aannemelijk geworden. De zogenaamde complottheorieën, nog afgezien van het gegeven dat die naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk zijn geworden, zouden ook geen motief voor het slachtoffer kunnen vormen om verdachte aan te vallen. De rechtbank acht het dan ook allerminst waarschijnlijk dat het slachtoffer in zijn woning op de bank, met het mes gereed op tafel, met de TV aan, verdachte vanuit het niets met een mes heeft aangevallen. Daar komt bij dat de rechtbank het evenmin waarschijnlijk vindt dat het slachtoffer met zijn fors postuur – verdachte beschrijft hem als “zwaar” – nadat hij door verdachte met een mes in zijn bovenlichaam was gestoken, éérst zich een aantal stappen richting balkon heeft verwijderd en aldaar in de gordijnen ‘valt’, maar dan toch weer richting verdachte gaat ondanks dat deze een mes heeft en bezig zou zijn het woonvertrek te verlaten en ook nog eens - ondanks de messteek in het bovenlichaam en het feit dat zijn route langer is en blokkades kent in de vorm van een bank en salontafel - in staat zou zijn om verdachte op weg naar de deur in te halen en opnieuw aan te vallen.

In het licht van het vorenstaande acht de rechtbank het niet aannemelijk geworden dat op het moment dat verdachte het slachtoffer stak, sprake was van een (dreigende), ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer waartegen verdachte zich moest verdedigen, zodat de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt. Door de raadvrouw is ter terechtzitting voorts bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake was van een situatie van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwerpt ook dit verweer nu, zoals hiervoor overwogen, niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie. De rechtbank verwerpt bijgevolg het verweer van de raadsvrouwe in al zijn onderdelen.

Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

De rechtbank acht het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk geworden en gelet op de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer heeft gestoken waardoor het slachtoffer overleden is, zou de rechtbank daarmee kunnen volstaan. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de verklaringen wel een scenario opdoemt die het gebeuren zou kunnen verklaren. Verdachte is een jaloers persoon, die behept is met een grote achterdocht jegens mensen en die gebeurtenissen telkens verklaart vanuit die achterdocht. Zo verdenkt hij zijn vrouw van sex met anderen zoals zijn huisgenoten waaronder het slachtoffer, lijkt hij te veronderstellen dat men hem vergiftigt en meent hij dat zijn huisgenoten en zijn vrouw een complot gesmeed hebben om hem te dwingen deel te nemen in de drugshandel. Verder gebruikt hij cocaïne en zou hij de avond van de steekpartij alcohol gedronken hebben. Verdachte treft na dat gebruik vlak bij zijn woning zijn vrouw aan die van zijn woning op weg is naar haar eigen woning. Verdachte heeft aangegeven dat hij veronderstelde dat zijn vrouw vlak daarvoor sex gehad had met het slachtoffer. Buren horen vervolgens een erge ruzie tussen verdachte en het slachtoffer en daarbij/daarna doodskreten van het slachtoffer. Verdachte probeert de sporen van het misdrijf uit te wissen en vlucht naar het buitenland. Als zijn vrouw tegen de wil van verdachte zijn paspoort in haar bezit heeft, keert hij terug uit het buitenland om het paspoort van haar af te nemen waarbij hij haar steekt met een mes.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Doodslag.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2 meer subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 302 in verband met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psycholoog drs. [naam arts 6] en de psychiater dr. [naam arts 6] is omtrent de geestvermogens van verdachte op 16 mei 2012 respectievelijk 30 mei 2012 rapportage uitgebracht. De deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte (ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde) niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten of verdachte uitsluiten.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 8 juni 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, gelet op het beroep op noodweer dan wel noodweerexces ten aanzien van feit 1, aangevoerd ten aanzien van feit 2 volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt bij de straftoemeting dat doodslag één van de ernstigste delicten is die de Nederlandse strafwetgeving kent. Het recht op leven behoort tot de meest fundamentele rechten die in onze rechtsorde dienen te worden beschermd. Schending van het recht op leven behoort tot de meest fundamentele inbreuken, waartegen de rechtsorde bescherming beoogt te bieden.

Verdachte heeft op een uiterst gewelddadige, grove wijze het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, het leven ontnomen. Gelet op de doodskreten die de buurtgenoten horen moet het slachtoffer geleden hebben en ook beseft hebben dat het geweld van verdachte hem het leven zou kosten. Dat rekent de rechtbank verdachte als strafverzwarend aan. Voorts heeft verdachte onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden en dierbaren van het slachtoffer, die hem voor altijd hebben verloren.

Daarenboven geldt dat door dit soort feiten ook de samenleving ernstig geschokt raakt en gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg brengt. In het bijzonder geldt dit door de brute wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht als ook voor de omgeving van het appartementencomplex waar verdachte en het slachtoffer verbleven.

Het opzettelijk en abrupt beëindigen van een mensenleven is voor het slachtoffer zo ingrijpend en onherroepelijk en voor de nabestaanden en meer in het algemeen voor de samenleving zo choquerend, dat alleen een zware sanctie in de vorm van een langdurige gevangenisstraf erkenning kan bieden aan het leed en de onlustgevoelens.

Daarnaast heeft verdachte met gebruikmaking van een mes getracht [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het is slechts aan het feit dat verdachte enkel over een stanleymesje beschikte en dat de getuige [getuige 2] het slachtoffer geholpen heeft door verdachte tijdens zijn daad te slaan met een loopkruk te danken dat de gevolgen voor het slachtoffer niet ernstiger zijn geweest. Blijkens haar verklaring is het gebeuren voor [slachtoffer 2] begrijpelijkerwijs zeer traumatiserend geweest.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in Nederland niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op de straf die doorgaans op dergelijk feiten die onder deze omstandigheden wordt gegeven en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht de rechtbank de gevorderde straf wat te zwaar. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden.

10.4. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 2], wonende [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit geleden schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de schade op nihil gesteld.

Aangezien uit de vordering niet blijkt dat de benadeelde partij schade heeft geleden door het bewezenverklaarde, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 45, 57, 287, 302.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 10 jaar;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], w[adres], niet ontvankelijk in haar vordering.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, P.M.S. Dijks en W.A.H.J. Poppeliers, rechters,

van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 22 juni 2012.

P.J.T. Frijns is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.