Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW9009

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
108678 / HA ZA 11-330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incassozaak van de ING tegen een particuliere rekeninghouder. Diverse gebreken in de algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 108678 / HA ZA 11-330

Vonnis van 20 juni 2012

in de zaak van

naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. H.J.J.M. van der Bruggen,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M.A. Ploemen.

Partijen zullen hierna ING. en de heer en mevrouw [gedaagden] genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De inhoud van dit vonnis is ontleend aan de volgende processtukken:

1. de dagvaarding

2. de conclusie van antwoord

3. de conclusie van repliek

4. de conclusie van dupliek

1.2. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

1.3. Verwijzing naar de bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolgd door het nummer van de bijlage.

2. Het geschil

2.1. De heer en mevrouw [gedaagden] hebben een betaalrekening bij ING onder rekeningnummer [rekeningnummer]. Deze rekening vertoonde op 23 november 2010 een roodstand van 3.407,87 euro, waar slechts 1.500 euro was toegestaan. ING heeft de rekening-courantverhouding met de heer en mevrouw [gedaagden] opgezegd en het saldo opgeëist. Zij vordert van zowel de heer als mevrouw [gedaagden] (hoofdelijk) (terug) betaling van dit saldo vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2010 tot aan de dag van betaling.

2.2. Mevrouw [gedaagde sub 2] heeft tevens een creditcard van de ING. In de overeenkomst die zij daarover op 23 februari 2001 met de rechtsvoorganger van ING: de Postbank, heeft gesloten, is een roodstand toegestaan van 10.000 gulden, thans 4.537,80 euro. Omdat zij twee termijnen niet afloste op een roodstand en deze ook boven de limiet kwam, is het saldo ad 5.333,50 euro volgens ING opeisbaar geworden. ING vordert (terug)betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2011 tot aan de dag van betaling.

2.3. Daarnaast worden nog buitengerechtelijke incassokosten gevorderd ad 608,30 euro, waarmerking van het vonnis als Europese executoriale titel en proceskosten.

2.4. De heer en mevrouw [gedaagden] hebben de vordering bestreden. Kort gezegd komen hun verweren op het volgende neer:

a. De overeenkomsten voor de betaalrekening en creditcard zijn gesloten met de Postbank en toen zijn de algemene voorwaarden, waarop ING zich beroept, niet rechtsgeldig onderdeel van de overeenkomst gaan uitmaken;

b. De opvolgende algemene voorwaarden zijn niet rechtsgeldig onderdeel gaan uitmaken van de overeenkomsten;

c. Als de algemene voorwaarden wel onderdeel uitmaken van de overeenkomsten, dan wordt de vernietiging daarvan ingeroepen omdat ze niet aan de heer en/of mevrouw [gedaagden] ter hand zijn gesteld;

d. Omdat ING de debetstand van de rekeningen niet adequaat heeft opgeëist, is deze omgezet in een kredietovereenkomst waarop de bepalingen van de Wet Consumenten Krediet (WCK) van toepassing zijn;

e. ING heeft niet voldaan aan haar zorgplicht met dien verstande dat zij [gedaagden] onvoldoende op hebben gewezen op de risico’s die aan het lenen van geld verbonden zijn;

f. De buitengerechtelijke kosten worden bestreden, nu de werkzaamheden die ter onderbouwing daarvan zijn aangevoerd, slechts als normale voorbereiding op de gerechtelijke procedure kunnen worden aangemerkt;

g. Nu ING in de dagvaarding spreekt over verschuldigdheid van contractuele rente, maar in het petitum de wettelijke rente vordert, is dat innerlijk tegenstrijdig en kan geen rente worden toegewezen.

2.5. De nadere stellingen van partijen worden hierna in de beoordeling besproken en betrokken voor zover dat voor een goed begrip van de beslissing gewenst is.

3. Beoordeling

Algemene voorwaarden

3.1. De heer en daarna mevrouw [gedaagden] zijn de overeenkomst tot betaalrekening al in 1980 respectievelijk 1984 aangegaan (bijlagen 3,3 en 3,4). Op dat moment gold andere regelgeving, krachtens welke minder hoge eisen werden gesteld aan het ‘ter hand stellen’ van algemene voorwaarden. In de betreffende overeenkomsten werd slechts opgenomen dat de rekenhouder zich akkoord verklaarde met de bepalingen van de dienst zoals deze zijn of worden vastgesteld. [gedaagden] vragen zich terecht af of hieruit, zelfs naar maatstaven van het toen van toepassing zijnde recht, kan worden afgeleid dat de op dat moment vigerende algemene voorwaarden (bijlage 3,5) zijn overeengekomen. De rechtbank stapt over deze vraag heen, omdat in elk geval vaststaat dat ten tijde van de fusie van Postgiro en Rijkspostspaarbank de vanaf dat moment (november 1985) toepasselijke voorwaarden aan de rekeninghouders zijn verstrekt (bijlage 3,6). Bij gelegenheid van de fusie tussen de Postbank en de ING in 2009 is een algemeen schrijven aan de rekeninghouders toegezonden met daarbij gevoegd een brochure waarin erop gewezen wordt dat de brochure met daarin alle algemene voorwaarden te downloaden is op ing.nl of telefonisch opgevraagd kan worden (bijlage 3,7). [gedaagden] betwisten deze algemene brief ontvangen te hebben en voorts stellen zij dat verwijzing in de brochure naar een website en telefoonnummer via welke van de algemene voorwaarden kennis kan worden genomen, niet volstaat als terhandstelling ervan. De rechtbank is van oordeel dat op ING de bewijslast rust dat de brief ook aan [gedaagden] is verzonden en door hen is ontvangen. Voorts onderschrijft de rechtbank de stelling van [gedaagden] dat de verwijzing naar de gewijzigde voorwaarden zoals in de brochure is gedaan, niet als voldoende informatieverstrekking is aan te merken.

3.2. ING merkt vervolgens op dat de thans geldende voorwaarden van november 2009 van kracht zijn geworden krachtens art. 33 van de dáárvoor geldende algemene voorwaarden, waarin is opgenomen dat de rekeninghouder ermee instemt dat de kennisgeving van nieuwe voorwaarden via deponering op de griffie van de rechtbank Amsterdam plaatsvindt en publicatie van die deponering in drie landelijke dagbladen. Het beroep op vernietiging door [gedaagden] van deze bepaling wegens de onredelijke bezwarendheid ervan wordt door de rechtbank onderschreven. Dit oordeel vindt haar grondslag in de visie dat voor een wijziging van algemene voorwaarden dezelfde eisen gelden als voor de van toepassing verklaring van nieuwe voorwaarden en dat daar niet eenzijdig in algemene voorwaarden van kan worden afgeweken.

3.3. Voor wat betreft de algemene voorwaarden die op het gebruik van de creditcard van toepassing zijn, wijst ING op de passage in de aanvraag (bijlage 1,2), waarin is opgenomen dat door de handtekening op de creditcard te plaatsen, de aanvrager akkoord gaat met de algemene voorwaarden welke gelijktijdig met de creditcard worden toegezonden. Hoewel [gedaagden] de ontvangst van de algemene voorwaarden betwist, mag uit het feit dat zij de creditcard kennelijk van een handtekening heeft voorzien, in combinatie met haar verklaring op de aanvraag dat zij zich daarmee ook akkoord verklaarde met de inhoud ervan, aangenomen worden dat zij ze dan ook ontvangen heeft. De stelling van ING dat de wijziging van die voorwaarden tot stand is gekomen op de wijze als in de vorige alinea is omschreven (met andere artikelnummers), wordt op dezelfde gronden verworpen.

3.4. Uit het voorgaande volgt dat de verweren van [gedaagden] tegen de algemene voorwaarden voor een belangrijk deel gegrond zijn. Het komt erop neer dat op de overeenkomst van betaalrekening in elk geval nog een beroep kan worden gedaan op de algemene voorwaarden van de Postbank uit 1985 (bijlage 3,6), terwijl voor wat betreft de creditcard de algemene voorwaarden ten tijde van de aanvraag (bijlage 3,9) van toepassing zijn.

3.5. Los van wel of niet toepasselijkheid van welke voorwaarden is de rechtbank tevens oordeel dat de vordering zelfs zonder algemene voorwaarden beoordeeld kan worden.

Inhoudelijk

3.6. Voor wat betreft de rekening-courantschuld blijkt uit de rekeningafschriften al welke kredietlimiet er voor [gedaagden] gold. Dat [gedaagden] zich ervan bewust waren dat ze deze limiet hadden overschreden, blijkt al uit het schrijven van de Plangroep namens [gedaagden] van 1 december 2009 (bijlage 3,12), waarin verzocht wordt om incassomaatregelen op te schorten. Bij de opgave daarvan op 23 december 2009 deelt de ING mee dat de rekening en creditcard geblokkeerd worden, de bankrelatie met [gedaagden] beëindigd zal worden en dat registratie bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) volgt. Nadat in juni en augustus 2010 aangedrongen wordt op aanzuivering, wordt in december 2010 het incassotraject ingezet. De rechtbank is van oordeel dat deze aanschrijvingen als opeising van het krediet kunnen worden aangemerkt, ook los van het verschuldigd worden van de gehele debetstand op grond van algemene voorwaarden.

3.7. Hetzelfde geldt voor de creditcard. Ook daarvan was duidelijk dat de door [gedaagden] met ING overeengekomen kredietlimiet overschreden werd en ING de relatie met [gedaagden] wilde beëindigen onder gelijktijdige incasso van het debetsaldo. Gelet op de onderbouwing van de saldi (bijlage 3,10 en 3,11) en het gebrek aan betwisting daarvan, kan worden uitgegaan van de daarvoor door ING genoemde bedragen. Het feit dat ING vervolgens alleen wettelijke rente vordert en afziet van de hogere contractuele, staat aan toewijzing van dat mindere niet in de weg. De verschuldigdheid van wettelijke rente steunt op de wet, zodat ook voor dit aspect de algemene voorwaarden niet van belang zijn.

3.8. Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de rechtbank het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

3.9. De vordering tot waarmerking van het vonnis als Europese executoriale titel is niet toewijsbaar nu de vordering betwist is en daarmee niet aan de voorwaarde voor waarmerking voldoet.

3.10. [gedaagden] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van ING worden veroordeeld. Gelet op de gegrondheid van een aantal van de weren over de algemene voorwaarden, zullen die kosten in zoverre beperkt worden dat het aantal procesverrichtingen van ING dat [gedaagden] moet vergoeden (dagvaarding en conclusie van repliek) beperkt zal worden tot één, en wel tegen het standaardtarief dat geldt voor vorderingen met een geldwaarde beneden 10.000 euro (384 euro).

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. veroordeelt de heer en mevrouw [gedaagden] (gedaagden) hoofdelijk tot betaling aan ING van 3.407,87 euro, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 november 2010 tot aan betaling;

4.2. veroordeelt mevrouw [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2) tot betaling aan ING van 5.333,50 euro, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 februari 2011 tot aan betaling;

4.3. veroordeelt de heer en mevrouw [gedaagden] (gedaagden) in de kosten van dit geding aan de zijde van ING, welke kosten tot op heden worden gesteld op 96,76 euro aan explootkosten, 96,76 euro aan deurwaarderskosten en 384 euro aan advocaatkosten;

4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.

Type: HD