Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW8974

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
AWB 2011/1381, 2011/1398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op grond van eigen onderzoek het standpunt ingenomen dat er geen rechtsgrond is om een stookverbod op te leggen voor het stoken van een houtkachel in de achtertuin. De rechtbank komt tot het oordeel dat het door verweerder uitgevoerde onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan het door verweerder aangestelde geurpanel niet worden aangemerkt als ter zake deskundig, zijn de controles niet zorgvuldig uitgevoerd en waren de resultaten van de genomen luchtmonsters niet betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/740
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 2011 / 1381 en 2011 / 1398

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2012 in de zaken tussen

[eiser 1], te Siebengewald, eiser 1

(gemachtigde: drs. T.R. Janssen),

[eiser 2], te Siebengewald, eiser 2

(gemachtigde: mr. S. Oord)

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder

Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen:

[belanghebbende], te Siebengewald (belanghebbende).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder aan belanghebbende een last onder dwangsom opgelegd voor iedere dag dat mocht blijken dat hij de houtkachel in zijn achtertuin in gebruik heeft.

Bij besluit van 30 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 februari 2012. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.N.J. Kerkhoff. Belanghebbende is niet verschenen.

Overwegingen

1. Belanghebbende is woonachtig op het adres, kadastraal bekend gemeente

Bergen (L), sectie [letter] nummer [nummer], plaatselijk bekend [adres] te Siebengewald. In de achtertuin van het betreffende perceel heeft belanghebbende een houtkachel geplaatst die wordt gebruikt als sfeerhaard en om het zwembad mee te verwarmen. Eisers zijn de (twee) linkerburen van belanghebbende. Op 12 november 2008, respectievelijk 17 november 2008, hebben eisers bij verweerder een verzoek om handhaving ingediend ten aanzien van het gebruik van houtkachels door belanghebbende. Bij primair besluit heeft verweerder aan belanghebbende een last onder dwangsom opgelegd in die zin dat belanghebbende vanaf

16 juli 2009 dwangsommen verbeurt ter hoogte van € 500,00 voor iedere dag dat mocht blijken dat hij de houtkachel in de achtertuin in gebruik heeft met een maximum van

€ 10.000,00. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat het bepaalde in artikel 7.3.2 van de gemeentelijke bouwverordening is overtreden. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft verweerder het door belanghebbende tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juli 2010 (zaaknummers 2010/[nummer] en 2010/[nummer]) het beroep van eisers tegen het besluit van 19 januari 2010 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding, en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Die uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 4 mei 2011 (zaaknummer [nummer]) bevestigd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder opnieuw op de bezwaren van belanghebbende tegen het primaire besluit beslist, die bezwaren wederom gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op basis van de resultaten van het nadere onderzoek geen gegronde reden aanwezig is om het opgelegde stookverbod in stand te laten. Van een overtreding van het bepaalde in artikel 7.3.2 van de gemeentelijke bouwverordening gemeente Bergen 2010 (verder: de bouwverordening), geldend sinds 1 oktober 2010, is op het perceel [adres] te Siebengewald niet is gebleken.

3. In beroep hebben eisers -kort samengevat- aangevoerd dat het door verweerder gehouden onderzoek niet is toegesneden op emissies van een houtkachel, zodat verweerder geen houdbaar oordeel over de situatie heeft kunnen geven.

4. De rechtbank ziet zich geplaatst voor beantwoording van de vraag of het onderzoek dat verweerder heeft laten verrichten om vast te stellen of al dan niet sprake is van een overtreding van artikel 7.3.2 van de bouwverordening, goed, volledig en deugdelijk is geweest.

5. Op grond van het bepaalde in artikel 7.3.2 van de bouwverordening – voor zover van belang - is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid (…).

6. Verweerder heeft zijn standpunt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 7.3.2 van de bouwverordening gebaseerd op de resultaten uit eigen onderzoek. Daartoe zijn vijf medewerkers uit de gemeentelijke organisatie aangewezen om deel uit te maken van een geurpanel dat ter plaatse de ernst van de verbrandingsgeur in de omgeving heeft waargenomen. Daarnaast zijn tijdens controlebezoeken luchtmonsters genomen die ter analyse op schadelijke concentraties aan stoffen zijn aangeboden aan [een bedrijf] te Geleen. Er zijn drie controles uitgevoerd, één (de eerste op 19 juli 2011) naar aanleiding van een klacht en twee (op 26 juli en 10 augustus 2011) naar aanleiding van meldingen van belanghebbende dat hij die betreffende dagen zijn houtkachel zou stoken. Bij de eerste controle door twee van de vijf aangewezenen van het geurpanel bleek van een duidelijk hinderlijke rookgeur en is een luchtmonster genomen in de tuin van eiser 1. Bij de twee andere controles is geen overlastgevende rookgeur waargenomen. Tijdens de controlebezoeken op 26 juli 2011 zijn twee luchtmonsters in de achtertuin van belanghebbende genomen. Op 10 augustus 2011 is een luchtmonster genomen in de achtertuin van de bewoner op het adres [adres]. Van de genomen luchtmonsters zijn die van 19 juli 2011 en één van 26 juli 2011 ter analyse aangeboden aan [het bedrijf] in Geleen. Bij twee van de drie onderzochte monsters is geen enkele stof gedetecteerd die de maximaal aanvaardbare concentratie van de betreffende stof overschrijdt. In het luchtmonster van 26 juli 2011 is wel een stof (N,N-Dimethylacetamide) gedetecteerd die de maximaal aanvaardbare concentratie overschrijdt, maar is geen overschrijding vastgesteld voor kortdurende blootstelling daaraan. Verweerder heeft geconcludeerd dat in de luchtmonsters van geen enkele gevaarlijke stof een concentratie is gemeten die gedurende meerdere uren /dagdelen in de buurt van of boven de maximaal aanvaarde concentratie is gelegen. Mede aan de hand van de bevindingen van de geurpanelleden heeft verweerder vastgesteld dat bij normaal tot intensief gebruik van de houtkachel geen schadelijke en/of hinderlijke stank, roet, walm, stof, vocht of irriterend materiaal voor de omgeving wordt veroorzaakt, dat incidenteel een storende rookgeur geen stookverbod rechtvaardigt en dat in die omstandigheden een stookverbod disproportioneel is.

7. Eisers hebben in beroep onder meer betoogd dat, gelet op de wijze van samenstelling, niet gesproken kan worden van een geurpanel. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat namens verweerder ter zitting desgevraagd is meegedeeld dat het geurpanel bestond uit vijf gemeentelijke toezichthouders die allen werkzaam zijn op het terrein van omgevingsrecht. Verweerder heeft bij de samenstelling van het panel rekening gehouden met de leeftijd in die zin dat één panellid jonger was dan 50 kalenderjaren terwijl de overige geurpanelleden ouder waren. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat aan de samenstelling van het geurpanel een zekere willekeur niet kan worden ontzegd, terwijl in het geheel niet is gebleken van valide en toetsbare criteria die verweerder heeft aangelegd bij de selectie van geurpanelleden en de samenstelling van het team. Vervolgens heeft het geurpanel geen enkele keer gezamenlijk en in zijn geheel onderzoek verricht naar mogelijke overlast en zijn de waarnemingen die aan het geurpanel zijn toegedicht, gedaan door de op dat moment beschikbare ambtenaar/ambtenaren. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het geurpanel niet kan worden aangemerkt als ter zake deskundig en dat de waarnemingen die aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd niet toegerekend kunnen worden aan het gehele panel.

8. Met betrekking tot de uitgevoerde controles oordeelt de rechtbank dat het een onverschoonbaar verzuim is dat op 19 juli 2011 niet ter plekke de houtkachel is onderzocht en is vastgesteld wat de oorzaak van de stankoverlast op dat moment was. De speculaties in het bestreden besluit omtrent de mogelijke oorzaken voor de stankoverlast op 19 juli 2011 laat de rechtbank buiten beschouwing nu daarvoor geen feitelijke onderbouwing in het dossier aanwezig is. De constatering dat belanghebbende uitsluitend schoon (onbewerkt) en droog gekloofd hout gebruikt, kan alleen voor de twee volgende controles gelden zodat daaraan geen verdere betekenis toekomt. Daar komt bij dat die volgende controles eerst hebben plaatsgevonden nadat belanghebbende aan verweerder had doorgegeven dat hij die dag zijn houtkachel in de achtertuin zou gaan gebruiken zodat belanghebbende erop was voorbereid dat op die dag een controle van gemeentewege naar mogelijke stankoverlast zou plaatsvinden en ter voorkoming van die stankoverlast voorbereidende maatregelen had kunnen treffen. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat aan de geurresultaten van controles op 26 juli 2011 en 10 augustus 2011 geen doorslaggevende betekenis toegekend kan worden.

9. Met betrekking tot de luchtmonsters stelt de rechtbank op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de controleurs niet over de vereiste deskundigheid beschikten om op een juiste wijze de luchtmonsters te nemen. Voorts is niet gebleken van criteria aan de hand waarvan dient te worden vastgesteld welke meetpunten bij het nemen van luchtmonsters representatief zijn. Ook overigens heeft verweerder niet gemotiveerd dat en op welke gronden de metingen die zijn verricht representatief zijn voor het onderzoeksdoel. Daarbij komt dat van de zijde van de provincie Limburg een deskundige heeft geadviseerd bij de opzet en uitvoering van het onderzoek en dat daarbij is aangegeven dat het aanbieden van de luchtmonsters bij een onderzoekslaboratorium moet geschieden binnen 24 uur. In strijd daarmee zijn de luchtmonsters eerst op 27 juli 2011 door [het bedrijf] ontvangen, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gezegd dat de resultaten van de luchtmonsters op dat moment nog betrouwbaar waren en geïnterpreteerd konden worden zoals verweerder heeft gedaan. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de luchtmonsters te beperkt is geweest nu niet gebleken is dat gecontroleerd is op uitstoot van fijnstof door de betreffende houtkachel.

10. Op grond van het onder 7 tot en met 9 overwogene is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder uitgevoerde onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd, zodat dit onderzoek de conclusie dat geen sprake is van overtreding van artikel 7.3.2 van de bouwverordening en daarmee het bestreden besluit niet kan dragen. De beroepsgronden van eisers slagen dan ook. De rechtbank ziet hierin aanleiding de beroepen gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

11. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de rechtbank voorop, dat de bestuursrechter bij een vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een formele dan wel informele bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

12. In het voorliggende geval leent de aard van de vastgestelde gebreken in de voorbereiding en de motivering van het bestreden besluit, gelet op de daaraan verbonden gevolgen, zich niet voor een instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit. Evenmin ziet de rechtbank bij gebrek aan deugdelijke onderzoeksresultaten, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Dit betekent dat herstel van die gebreken door het betrokken bestuursorgaan plaats moet vinden. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, verweerder opdragen de gebreken in de voorbereiding en de motivering van het bestreden besluit te herstellen. Verweerder heeft ter zitting de bereidheid daartoe uitgesproken. De rechtbank stelt thans verweerder in de gelegenheid binnen acht weken na de dag van verzending van deze tussenuitspraak die gebreken te herstellen. Zodra verweerder gebruik heeft maakt van de geboden gelegenheid om de gebreken te herstellen, zullen eisers en belanghebbende in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk hun visie op de wijze waarop de gebreken zijn hersteld te geven, en zal de rechtbank mede op basis daarvan hierover een oordeel geven in de einduitspraak.

In de einduitspraak zal voorts worden beslist over proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

heropent het onderzoek;

bepaalt dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de door de rechtbank geconstateerde gebreken te herstellen, dit met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 juni 2012

Rechtsmiddel

Hoger beroep tegen de tussenuitspraak is alleen mogelijk gelijktijdig met hoger beroep tegen de einduitspraak.