Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW8368

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
112661 / FA RK 11-1836
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek benoeming bijzondere curator als bedoeld in 1:212 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2012/109 met annotatie van I.J. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer: 112661 / FA RK 11-1836

Beschikking van 20 juni 2012

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen verzoeker,

advocaat: mr. S.H.M. Skrotzki;

tegen:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen verweerster,

advocaat: mr. L.A.C.M. van der Bruggen.

Verzoeker en verweerster hierna ook te noemen de man en de vrouw en tezamen partijen.

De rechtbank merkt voorts aan als belanghebbende de minderjarige [de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 21 november 2011;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 26 januari 2012;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 11 april 2012 en bij welke behandeling zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De minderjarige [de minderjarige] – verder ook: [de minderjarige] – is zowel op 27 december 2011 als op 19 april 2012 in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Op 1 juni 2012 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de rechter een zakelijke weergave van hetgeen [de minderjarige] heeft verklaard aan de man en de vrouw heeft voorgehouden. Bij deze behandeling zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op basis van de gedingstukken kan het volgende worden vastgesteld.

2.2. Verzoeker heeft een affectieve relatie gehad met verweerster. Verzoeker heeft tijdens deze relatie op 20 juli 2006 de minderjarige [de minderjarige] erkend.

2.3. Het gezag over [de minderjarige] berust bij de vrouw.

3. Het verzoek

3.1. Het verzoek houdt in dat de rechtbank, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, over [de minderjarige] als bijzondere curator mr. M. Kikken zal benoemen, opdat die de belangen van de minderjarige in een eventueel te starten procedure tot vernietiging van de erkenning kan behartigen.

De rechtbank verwijst voor de aan het verzoek ten grondslag liggende stellingen naar de inhoud van het verzoekschrift, welke inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

4. Het verweer

4.1. Het verweer strekt ertoe dat de rechtbank primair het verzoek van de man zal afwijzen en subsidiair een bijzondere curator over de minderjarige zal benoemen, niet zijnde mr. M. Kikken te Vaals, kosten rechtens.

De rechtbank verwijst voor de aan het verweer ten grondslag liggende stellingen naar de inhoud van het verweerschrift, welke inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

5. Het oordeel van de rechtbank

5.1. Een verzoek als bedoeld in artikel 1:205 BW kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden, door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen en door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

5.2. In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.

5.3. Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

5.4. De man heeft, kort samengevat, de volgende stellingen aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke relatie in februari 2011 is geëindigd. De man heeft tijdens deze relatie op 20 juli 2006 [de minderjarige] erkend. Meer dan één jaar geleden is de man erachter gekomen dat [de minderjarige] niet zijn biologisch kind is. De vrouw heeft erkend dat [de minderjarige] de biologische dochter van [de biologische vader] is, verder te noemen de biologische vader. De vrouw ontvangt van de biologische vader kinderalimentatie en [de minderjarige] en de biologische vader hebben één keer per drie weken omgang. De vrouw wenst het juridisch vaderschap van [de minderjarige] niet te wijzigen, ongeacht het feit dat de biologische vader [de minderjarige] graag zou erkennen. De man heeft sinds het einde van de relatie geen contact meer met [de minderjarige]. Volgens de man is het in het belang van [de minderjarige] dat de erkenning wordt vernietigd. Omdat de man en de vrouw juridisch niet meer in de gelegenheid zijn om de vernietiging van de erkenning te verzoeken, verzoekt de man de benoeming van een bijzondere curator die het vorenstaande namens de minderjarige zal verzoeken.

5.5. De vrouw heeft, kort samengevat, de volgende stellingen aan haar verweer ten grondslag gelegd:

Het is correct dat [de minderjarige] niet de biologische dochter van de man is. De man is in 2005 bij de vrouw komen wonen nadat hij [de minderjarige] ook in de jaren daarvoor mee verzorgd en opgevoed had. De man heeft altijd geweten dat [de minderjarige] niet zijn biologisch kind is, maar dat [de minderjarige] een andere vader, de heer [de biologische vader] heeft. De heer [de biologische vader] heeft nooit alimentatie voor [de minderjarige] betaald en heeft ook nooit omgang met [de minderjarige] gehad. De heer [de biologische vader] heeft nooit te kennen gegeven [de minderjarige] te willen erkennen. De onderhavige procedure is zeer belastend voor [de minderjarige]. De vrouw acht het niet in het belang van [de minderjarige] dat de zekerheid van het hebben van een vader haar wordt ontnomen. De man is voor [de minderjarige] de enige echte vader. Wanneer de rechtbank het nodig acht om een bijzondere curator voor [de minderjarige] te benoemen, acht de vrouw het in het belang van [de minderjarige] dat niet mr. Kikken wordt benoemd.

5.6. [de minderjarige] is tweemaal in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Daarnaast heeft [de minderjarige] op 20 januari 2012 een brief aan de kinderrechter geschreven, welke brief als productie 5 bij het verweerschrift is gevoegd.

5.7. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast, dat de man niet de biologische vader van de minderjarige [de minderjarige] is. Tevens staat vast, dat de termijn als genoemd in artikel 1:205 lid 3 zowel voor de man als de vrouw is verstreken. Resteert de mogelijkheid dat een door de rechtbank te benoemen bijzondere curator namens de minderjarige de vernietiging van de erkenning zal verzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank is in laatstbedoelde procedure uitgangspunt dat het aan een te benoemen bijzonder curator is te beslissen of er een verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank dient er in deze procedure van dat uitgangspunt te worden afgeweken. De minderjarige [de minderjarige] heeft bij herhaling en weloverwogen, onder andere tijdens de verhoren door de kinderrechter, te kennen gegeven dat het haar wens is dat de familierechtelijke betrekking met verzoeker blijft bestaan. [de minderjarige] heeft daarbij aangegeven dat verzoeker in haar beleving haar ‘echte’ vader is. Van verzoeker heeft ze haar naam gekregen en verzoeker heeft haar gedurende negen jaar opgevoed en verzorgd. [de minderjarige] heeft geen enkel contact met haar biologische vader.

De pijnlijke ervaringen die [de minderjarige] met verzoeker zegt te hebben, staan daarbij niet in de weg aan de liefde die ze voor hem als vader voelt. [de minderjarige] houdt van verzoeker en wil niet dat de erkenning wordt vernietigd. [de minderjarige] hoopt dat ze in de toekomst weer contact zal krijgen met verzoeker. Aan het herstel van dat contact werkt ze hard binnen de door en voor haar ingezette therapie. Dat proces van contactherstel wil [de minderjarige] voortzetten, waarbij ze hoopt op een positief resultaat. Daarbij ervaart ze een procedure tot vernietiging van de erkenning en het daarvoor te verrichten onderzoek door een bijzonder curator als storend en pijnlijk en als een aantasting van haar autonomie.

De rechtbank is van oordeel dat de minderjarige er blijk van heeft gegeven haar standpunt goed doordacht te hebben en in staat is gebleken een weloverwogen oordeel te vormen. Aan de mening van de minderjarige dient passend belang te worden gehecht gezien haar leeftijd en rijpheid. Daarbij dient het belang van de minderjarige voorop te staan. De benoeming van een bijzonder curator is voor de minderjarige een onnodige belasting nu gebleken is dat zij op een weloverwogen wijze tot haar mening is gekomen. Mede gezien artikelen 3 en 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen.

5.7.1. De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst af het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator;

6.2. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr J.M.M. Wassenberg, kinderrechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 20 juni 2012 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

JvdK

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden