Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW7437

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
04/898005-10
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ1967, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1967
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOTS, toepasselijkheid Belgische VI-regeling en strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/898005-10

Datum uitspraak : 5 juni 2012

Tegenspraak

Uitspraak van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen:

[betrokkene]

geboren te [geboortedatum en plaats]

wonende te [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 22 mei 2012.

2. De vordering van de officier van justitie

De vordering ex artikel 18 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) d.d. 26 augustus 2010 houdt in dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Hof van beroep te Antwerpen (Koninkrijk België) d.d. 28 juni 2007 waarbij [betrokkene] voornoemd werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar.

3. De geldigheid van de oproeping

Bij het onderzoek ter zitting is gebleken dat de oproeping van de veroordeelde aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van de vordering kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter zitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De vordering van de officier van justitie is ontvankelijk.

6. Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder de beslissing van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 28 juni 2007 en het verzoek van de Federale Overheidsdienst Justitie d.d. 4 februari 2010.

Het verzoek en de overgelegde stukken waarop het verzoek is gegrond voldoen aan de vereisten van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 gestelde eisen nu:

- de tenuitvoerlegging in Nederland kan geschieden krachtens voormeld verdrag;

- voormelde buitenlandse beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar is;

- betrokkene veroordeeld is tot een vrijheidsstraf en de sanctie niet bestaat uit betaling van proceskosten of uit een schadevergoeding aan een beledigde partij;

- voormelde buitenlandse beslissing is gewezen ter zake van - kort samengevat - valsheid in geschrift, overtreding van de Belgische belastingwetgeving, deelname en leidinggeven aan een criminele organisatie, terwijl eenzelfde inbreuken op de Nederlandse rechtsorde naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn gesteld bij de artikelen 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 68 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen;

- betrokkene op het moment van ontvangst van het verzoek nog tenminste 6 maanden van de hem opgelegde vrijheidsstraf diende te ondergaan;

- in geval van veroordeling, betrokkene naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest;

- veroordeelde de Nederlandse nationaliteit en een vaste woonplaats in Nederland heeft;

- overigens niet is gebleken van omstandigheden die aan toelaatbaarverklaring van de tenuitvoerlegging van voormelde buitenlandse beslissing in Nederland in de weg staan.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen.

7. De straffen en/of maatregelen

7.1. Het standpunt van de Officier van Justitie.

De officier van justitie heeft bij conclusie als bedoeld in artikel 28, lid 8, WOTS geconcludeerd tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van de tijd die veroordeelde reeds in voorarrest in Duitsland, België en Nederland, totaal 822 dagen, heeft doorgebracht.

7.2. Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is bij pleidooi op grond van het bepaalde in artikel 25, paragraaf 2 van de Belgische Wet betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan de het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (wet van 17 mei 2006) als verweer gevoerd dat veroordeelde in België na ommekomst van 1/3 van de hem opgelegde gevangenisstraf voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking zou zijn gekomen. Dit is slechts anders indien er sprake is van wettelijke herhaling (recidive). In dat geval komt veroordeelde eerst na het ondergaan van 2/3 van de opgelegde gevangenisstraf voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking. Daarvoor is nodig dat de Belgische rechter in het vonnis of arrest dient vast stelt dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond. Naar de mening van de verdediging heeft zich in de onderhavige zaak geen situatie van wettelijke herhaling voorgedaan, zodat veroordeelde na het ondergaan van 1/3 van de hem opgelegde straf van zes jaar, derhalve na 2 jaar, door de Belgische autoriteiten voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking had moeten komen en, nu zulks niet is gebeurd, hij in strijd met de voormelde wet, de gehele WOTS-wetgeving en regelgeving van de toepasselijke verdragen van zijn vrijheid beroofd is gehouden.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft primair een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepleit gelijk aan het in de onderhavige zaak ondergane voorarrest in Duitsland, België en Nederland, van in totaal 822 dagen. Geheel subsidiair heeft de raadsvrouw een werkstraf bepleit indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat aan veroordeelde een langere gevangenisstraf moet worden opgelegd dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft ondergaan.

7.3. De algemene overwegingen.

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de veroordeelde, zoals een en ander uit het onderzoek ter zitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de bij voormelde buitenlandse beslissing opgelegde sanctie behoort te worden omgezet in na te melden straffen.

7.4. De bijzondere overwegingen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf, die naar Nederlands recht moet worden opgelegd, meer in het bijzonder rekening gehouden met, enerzijds:

? de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, met het belang van een juiste norm¬handhaving naar Nederlandse maatstaven en de straffen die door deze rechtbank in het verleden in soortgelijke zaken zijn opgelegd;

? de omstandigheid dat de veroordeelde blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 14 mei 2012 eerder terzake soortgelijke feiten is veroordeeld;

en, anderzijds:

? de bijzondere persoonlijke omstandigheden van veroordeelde zoals die uit het dossier en het onderzoek ter zitting zijn gebleken.

Door de verdediging is in dit verband, kort samengevat, als verweer gevoerd dat veroordeelde na het uitzitten van 1/3 van de hem in België opgelegde gevangenisstraf van zes jaar, dus na 2 jaar, door de Belgische autoriteiten voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking had moeten komen en, nu dit niet is gebeurd, hij in strijd met verdragrechtelijke - en wettelijke bepalingen te lang in België en in Nederland gedetineerd is geweest.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank berust het verweer op een verkeerde lezing van het vonnis van het Hof van Beroep te Antwerpen van 28 juni 2007. In dit vonnis heeft het hof, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

“(… ) [betrokkene] werd reeds bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 19 april 2000 veroordeeld tot een enkele gevangenisstraf van een jaar met uitstel van de tenuitvoerlegging voor zes maanden gedurende een proeftermijn van drie jaar (..) wegens bedrieglijk faillissement ( … ) Het openbaar Ministerie vordert hem ditmaal te veroordelen tot een enkele gevangenisstraf van tien jaar. Rekening houdend met zijn voorafgaande veroordeling wegens bedrieglijke bankbreuk, met de sluwe wijze waarop hij zijn misdaadimperium leidt, met de omvang van de fiscale fraude en met het grote nadeel dat hij de Belgische Staat, maar ongetwijfeld ook een aantal kleine maar eerlijke handelaars heeft veroorzaakt, dient hij ditmaal veroordeeld tot een enkele gevangenisstraf van zes jaar (..) “

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor weergegeven strafoverweging van het hof onmiskenbaar dat het hof bij het bepalen van de strafmaat rekening heeft gehouden met de recidive van veroordeelde en er dus gesproken kan worden van een wettelijke herhaling als bedoeld in artikel 25, paragraaf 2, van voornoemde Belgische wet. Dit brengt met zich mee dat veroordeelde niet na ommekomst van 1/3, maar eerst na 2/3 van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaar, dus na vier jaar, voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking zou zijn gekomen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, bij het bepalen van de aan veroordeelde op te leggen straf als uitgangspunt nemen een detentieduur van vier jaar omdat veroordeelde, indien hij niet in het kader van de WOTS vanuit België naar Nederland zou zijn overgedragen, hij in België minimaal vier jaar gevangenisstraf zou hebben moeten ondergaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde in de onderhavige zaak tot de datum van schorsing op 28 oktober 2010 in totaliteit 822 dagen in voorarrest in Duitsland, België en Nederland heeft doorgebracht en dat hij bij een detentieduur van 4 jaar (=1460 dagen) - zoals hiervoor is overwogen - na aftrek van het voorarrest van 822 dagen nog 638 dagen detentie zou moeten ondergaan. De rechtbank zag zich geplaatst voor de vraag of veroordeelde deze restdetentie van 638 dagen nog zou moeten ondergaan. Alles afwegende is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De rechtbank zal dan ook niet een zodanige gevangenisstraf, die hernieuwde verdere vrijheidsbeneming met zich mee brengt, aan veroordeelde opleggen. Veroordeelde is ruim een decennium lang in binnen- en buitenland bij meerdere complexe (straf) rechtelijke procedures betrokken geweest waarbij hij tot meerdere aanzienlijke gevangenisstraffen werd veroordeeld. Al deze procedures en opgelegde straffen hebben een behoorlijke impact op veroordeelde gehad. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande en het totale tijdsverloop dat met deze procedures gemoeid is geweest en de omstandigheid dat veroordeelde alle straffen in Nederland heeft uitgezeten en zijn leven inmiddels een positieve wending heeft weten te geven, termen aanwezig om aan veroordeelde thans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest, op te leggen. Daarnaast zal nog een voorwaardelijke gevangenisstraf van 21 maanden worden opgelegd met een - in verband met het reeds gememoreerde tijdsverloop - proeftijd van 1 jaar. Met het opleggen van het voorwaardelijk gedeelte beoogt de rechtbank uitdrukkelijk dat veroordeelde zich (mede daardoor) zal laten weerhouden tot het plegen van nieuwe strafbare feiten.

8. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden uitspraak is gegrond op de artikelen:

Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983:

art. 3, 5, 6, 7, 9, 10 en 11;

Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen: art. 2, 3, 4, 5, 6, 7, 30 en 31;

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27. 91, 140 een 225;

Algemene Wet inzake Rijksbelastingen: art. 68.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Hof van Beroep te Antwerpen (Koninkrijk België) van 28 juni 2007 met betrekking tot de gevangenisstraf toelaatbaar;

verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van voormelde rechterlijke beslissing;

legt veroordeelde een gevangenisstraf op voor de duur van 822 dagen;

beveelt dat de tijd gedurende welke veroordeelde in de onderhavige zaak in voorarrest in Duitsland, België en Nederland, totaal 822 dagen, heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

legt veroordeelde daarnaast een gevangenisstraf op voor de tijd van 21 maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

heft op het geschorste bevel gevangenhouding d.d. 27 oktober 2010 met ingang van 5 juni 2012.

Vonnis gewezen door mrs. M.B.Th.G. Steeghs, J.H.M. Delnooz-Engels en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. M.B.Th.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. P.C.M. Müller als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 5 juni 2012.

Mr. C.C.W.M. Aretz is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.