Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW4417

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
AWB 12/183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij verweerder de aan eiser toegekende inkomensvoorziening op grond van de WIJ heeft ingetrokken en een netto bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkering van eiser heeft teruggevorderd (het terugvorderingsbesluit), alsmede een besluit waarbij verweerder het bedrag van de terugvordering heeft verhoogd (het verhogingsbesluit). Voor zover het beroep de brutering van het terug te vorderen bedrag betreft, deelt de Rb. het standpunt van verweerder, dat het primaire besluit slechts een aankondiging van een eventuele brutering bevat. Deze vermelding is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en vormt derhalve geen onderdeel van het besluit. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre dan ook terecht niet-ontvankelijk geacht. Evenwel is het verhogingsbesluit een besluit in de zin van art. 4:125 Awb, nu dit is te beschouwen als een bijkomende beschikking van een besluit waarbij een verplichting tot betaling van een geldsom is opgelegd (het terugvorderingsbesluit). Het verhogingsbesluit impliceert immers dat het verschil tussen het bruto bedrag en het netto bedrag van de volgens verweerder ten onrechte betaalde uitkering voor een deel ten laste van eiser wordt gebracht en voor een deel wordt kwijtgescholden. Uit zijn bezwaarschrift blijkt echter dat eiser het met de brutering van de uitkering in zoverre niet eens is dat deze zijns inziens geen betrekking mag hebben op de maand september 2011. In het verhogingsbesluit is brutering voor deze maand evenwel achterwege gelaten, waardoor verweerder derhalve geheel aan het bezwaar tegen de brutering tegemoet is gekomen. Daarom moet worden geconcludeerd dat eiser het bijkomende besluit niet betwist, zodat het beroep van eiser daar geen betrekking op heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 183 WIJ

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Venray, eiser

(gemachtigde: mr. J.W.J. Hopmans),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: T. Willems),

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser toegekende inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) over de periode 1 juni 2011 tot en met 30 september 2011 ingetrokken en een bedrag van netto € 3.506,81 aan ten onrechte ontvangen uitkering van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 17 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 februari 2012 heeft verweerder het bedrag van de terugvordering verhoogd met een bedrag van € 628,58.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.J. Hopmans en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J.M.S. Willems.

Overwegingen

1. Eiser heeft een werkleeraanbod en een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ ontvangen. Op 17 september 2011 is verweerder uit een ontvangen IB-signaal gebleken dat eiser vanaf 1 juni 2011 inkomsten heeft uit een dienstverband bij [werkgever]. Op verzoek heeft deze werkgever looninformatie over juni tot en met september 2011 aan verweerder verstrekt. Uit de ontvangen gegevens heeft verweerder geconcludeerd, dat eiser over de periode 1 juni 2011 tot en met september 2011 inkomsten heeft ontvangen. Dit dienstverband en deze inkomsten heeft eiser niet op de rechtmatigheidsonderzoeks-formulieren (rof) over de desbetreffende periodes ingevuld.

Op het rof van augustus 2011, dat eiser op 13 september 2011 heeft ingediend, heeft hij wel onder “soort wijziging” vermeld: “maar de WW of bijstand kan stop gezet worden vanaf september krijg alleen augustus + vakantiegeld.” Op dat formulier heeft eiser, evenals op het rof over september 2011, op de vragen of er wijzigingen zijn geweest, of eiser gewerkt heeft en of eiser inkomen heeft ontvangen met “nee” geantwoord.

2. Op 20 oktober 2011 heeft verweerder het primaire besluit genomen. Daarin is onder meer -voor zover thans van belang- overwogen, dat eiser door zijn dienstverband en inkomsten niet op de rof te vermelden, zich niet heeft gehouden aan de uit artikel 44 van de WIJ voortvloeiende inlichtingenplicht en dat daarom eisers inkomensvoorziening over de periode 1 juni 2011 tot en met 30 september 2011 met toepassing van artikel 40 van de WIJ opnieuw is berekend.

3. In bezwaar daartegen is aangevoerd, dat eiser zich wel met de intrekking per 1 juni 2011 kan verenigen, omdat hij een inkomen had dat hoger was dan de toegestane norm, maar dat hij bezwaar maakt tegen de terugvordering over de maand september 2011. Eiser stelt zich op het standpunt dat het niet zijn fout is dat verweerder hem de uitkering over september 2011 heeft betaald, nu eiser op het rof van augustus 2011 al had aangegeven dat de uitkering per september 2011 kon worden stopgezet. Voorts is in bezwaar aangevoerd, dat een brutering van de over september 2011 ontvangen uitkering niet aan de orde is, nu eiser in zoverre geen verwijt treft. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij financieel niet in staat is om voor 31 december 2011 de uitkering over september 2011 terug te betalen. Hij heeft daarom om een betalingsregeling daarvoor verzocht, zonder dat per 31 december 2011 zal worden gebruteerd.

4. Bij het bestreden besluit is het bezwaar, voor zover dit betrekking heeft op de brutering, niet-ontvankelijk verklaard, omdat in het primaire besluit slechts de mogelijkheid van brutering was aangekondigd en er volgens verweerder nog geen besluit over brutering was genomen. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen, dat eiser pas op het rof over augustus 2011, dat verweerder op 13 september 2011 heeft ontvangen, had aangegeven dat de uitkering vanaf september 2011 kon worden stopgezet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het op de weg van eiser had gelegen om verweerder tijdig te informeren over de werkzaamheden die hij op 1 juni 2011 is gestart en het inkomen dat hem daardoor toekwam en dat niet aan verweerder kan worden tegengeworpen, dat aan eiser over september 2011 nog uitkering is betaald.

5. Bij besluit van 1 februari 2012 heeft verweerder het bedrag van de terugvordering verhoogd. Daarbij is overwogen dat het gevorderde bedrag niet geheel is terugbetaald vóór 1 januari 2012, als gevolg waarvan de terugvordering wordt gebruteerd met het bedrag dat de gemeente aan de belastingdienst heeft moeten afdragen. Bij het gebruteerde bedrag heeft verweerder de over september 2011 teruggevorderde uitkering buiten beschouwing gelaten.

6. In beroep is naar de bezwaargronden verwezen. Voorts is aangevoerd dat eiser niet begrijpt, dat verweerder ten aanzien van de maand september 2011 geen rekening zou kunnen houden met eisers vermelding op het rof over augustus 2011, nu de uitkering over september 2011 pas aan het einde van die maand werd verstrekt. Tevens is aangevoerd, dat verweerder in het bestreden besluit heeft verzuimd de grondslag van de terugvordering aan te passen, nu in dat besluit niet is vermeld op welk wetsartikel de terugvordering is gebaseerd. Verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften is daartoe volgens eiser onvoldoende, nu daarin louter het advies wordt gegeven om de grondslag aan te passen en dat het voorts verweerder is die de grondslag moet aanpassen. Ten slotte is aangevoerd dat ten onrechte door verweerder is besloten tot brutering van de vordering.

7. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt het volgende overwogen.

8. Artikel 4:125 van de Awb luidt -voor zover thans van belang- als volgt:

“1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.………..”

9. Voor zover het beroep de brutering van het (na 31 december 2011 nog) terug te vorderen bedrag betreft, deelt de rechtbank het standpunt van verweerder, dat het primaire besluit slechts een aankondiging van een eventuele brutering bevat. Deze vermelding is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en vormt derhalve geen onderdeel van het besluit. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre dan ook terecht niet-ontvankelijk geacht. Evenwel is het besluit van 1 februari 2012 aan te merken als een besluit in de zin van artikel 4:125 van de Awb, nu dit is te beschouwen als een bijkomende beschikking van een besluit waarbij een verplichting tot betaling van een geldsom is opgelegd (het terugvorderingsbesluit van 20 oktober 2011). Het besluit van 1 februari 2012 impliceert immers dat het verschil tussen het bruto-bedrag en het netto-bedrag van de volgens verweerder ten onrechte betaalde uitkering voor een deel ten laste van eiser wordt gebracht en voor een deel wordt kwijtgescholden. Uit het bezwaarschrift tegen het besluit van 20 oktober 2011 blijkt echter dat eiser het met de brutering van de uitkering in zoverre niet eens is dat deze zijns inziens geen betrekking mag hebben op de maand september 2011. In het besluit van 1 februari 2012 is brutering voor deze maand evenwel achterwege gelaten, waardoor verweerder derhalve geheel aan het bezwaar tegen de brutering tegemoet is gekomen. Daarom moet worden geconcludeerd dat eiser het bijkomende besluit niet betwist, zodat het beroep van eiser daar geen betrekking op heeft.

10. In het primaire besluit heeft verweerder de artikelen genoemd, waarop de intrekking is gebaseerd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat het advies van de commissie bezwaarschriften zorgvuldig wordt geacht en dat het advies en de motivering daarvan volledig wordt overgenomen. Eisers standpunt, dat verweerder in het bestreden besluit voor de wetsartikelen waarop de terugvordering is gebaseerd, niet kon volstaan met verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, deelt de rechtbank niet.

11. Het geschil spitst zich voor het overige toe op de vraag of verweerder de inkomensvoorziening over de maand september 2011 mocht terugvorderen.

12. Met ingang van 1 januari 2012 is de WIJ ingetrokken. Ingevolge artikel 78t, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) blijven op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór de datum van inwerkingtreden van de gewijzigde WWB is ingediend, de bepalingen van de WIJ van toepassing.

13. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder a van artikel 54 van de WIJ kan het college de kosten van de inkomensvoorziening terugvorderen, voor zover die inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

14. Nu de intrekking niet is bestreden en vast staat dat de inkomensvoorziening ten onrechte is verleend, is er voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ, zodat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van die terugvorderingsbevoegdheid.

15. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid hanteert verweerder de beleidsregels Terugvordering en verhaal gemeente Venray. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt verweerder overeenkomstig de beleidsregel tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzonder omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken.

16. De rechtbank heeft geconstateerd, dat eiser weliswaar op het rof over de maand augustus 2011, dat hij op 13 september 2011 bij verweerder heeft ingediend, heeft vermeld, dat de uitkering in september kan worden stopgezet, maar dat neemt niet weg dat hij noch in het rof over augustus, noch in dat over september, heeft aangegeven dat hij arbeid verricht en inkomsten daaruit heeft, hetgeen hij ingevolge artikel 44 van de WIJ wel verplicht is. Ook kan uit de vermelding op het rof over augustus “maar de WW of bijstand kan stop gezet worden vanaf september krijg alleen augustus + vakantiegeld.” niet worden geconcludeerd, dat eiser in september 2011 inkomsten ontvangt. Derhalve is niet staande te houden dat eiser door bedoelde vermelding verweerder alsnog adequaat heeft geïnformeerd. Reeds daarom kan verweerder niet worden tegengeworpen dat hij de uitkering niet onmiddellijk heeft stopgezet na deze mededeling.

17. Tot slot overweegt de rechtbank dat de zogenaamde “zesmaandenjurisprudentie” niet van toepassing is. Ingevolge die jurisprudentie vindt immers geen terugvordering plaats na zes maanden na ontvangst van het signaal dat er ten onrechte bijstand is verstrekt, terwijl verweerder het hier bedoelde signaal op 17 september 2011 heeft ontvangen en de uitkering over juni tot en met september 2011 bij het primaire besluit van 20 oktober 2011 heeft teruggevorderd.

18. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep voor ongegrond moet worden gehouden.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van J.C. Kupers-Leenen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 april 2012.

w.g. J.C. Kupers-Leenen,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 27 april 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.