Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW3517

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
04/850244-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:697
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vervoeren drugsdealer levert voorwaardelijk opzet op voor het vervoer van de drugs die de dealer bij zich heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/138

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850244-11

Datum uitspraak : 13 april 2012

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 30 maart 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 27 juni 2011 in de [gemeente 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3036 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 27 juni 2011 in de [gemeente 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 499 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

(artikel 3 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 gevorderd dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zullen worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op de volgende standpunten gesteld.

Van feit 1 dient verdachte te worden vrijgesproken.

Van feit 2 dient verdachte primair te worden vrijgesproken, subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Samenvatting van de bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van beide feiten

Op maandag 27 juni 2011 omstreeks 04.15 uur reden verbalisanten [1] en [2] over de [straat] en stopten ter hoogte van de parkeerplaats gelegen aan de A73, aangezien er op deze parkeerplaats veelvuldig ladingdiefstal plaatsvindt. Aldaar zagen zij ongeveer 40 tot 50 meter voorbij de parkeerplaats in de berm een donkerkleurige personenauto met gedoofde lichten, een Audi A3, staan, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken]. Vervolgens zijn zij met groot licht en de schijnwerper van het dakset aan, naar de personenauto toegereden om de inzittenden te controleren. Zij zagen dat de auto een stukje naar voren reed. Verbalisant [1] is uitgestapt en naar de Audi gelopen totdat hij op een afstand van 1 meter bij het bijrijderportier, waarvan het raam omlaag was, stond en goed zicht had op de bijrijder. Ondanks dat verbalisant [1] meermalen riep: “Stop, politie” zagen en hoorden verbalisanten dat voornoemde Audi met piepende banden wegreed. De verbalisanten zagen dat er 3 personen in de Audi zaten. De Audi reed vlak langs het dienstvoertuig van de verbalisanten weg. Verbalisanten zetten vervolgens de achtervolging in. Op de [adres] zijn zij de Audi ongeveer 4 seconden uit het zicht verloren. Hierna zagen zij dat de Audi met hoge snelheid over [straat 2] reed in de richting van het viaduct over de A73. Zij zagen dat de Audi linksaf over het viaduct reed in de richting van de [straat 3] en dat de lichten van de Audi werden gedoofd. Ongeveer 50 meter voor de [straat 3] maakt [straat 2] een bocht naar rechts. Hier zijn de verbalisanten de Audi 1 à 2 seconden uit het zicht verloren. Tot aan deze bocht hadden zij continue zicht gehad op de Audi. Ter hoogte van de bocht zagen zij dat de Audi bij de rotonde linksaf ging over de [straat 3] in de richting van de [straat 4]. Uiteindelijk zagen zij voornoemde Audi op de [straat 5] in een parkeervak stilstaan. Nadat verbalisanten uitgestapt waren, zagen zij dat enkel de bestuurder en bijrijder nog in de Audi zaten. Nadat beiden war[medeverdachte]gestapt, bleken zij te zijn [medeverdachte] (bestuurder) en [verdachte], geboren op [geboortedatum] (bijrijder). Verbalisant [1] herkende verdachte [verdachte] als de persoon die hij eerder had gezien als de bijrijder in de betreffende Audi.

De verbalisanten zagen op de achterbank van de Audi onder meer een sporttas liggen en een plastic draagtas van Albert Heijn met de opening naar de rugleuning toe. Nadat [1] de draagtas had gedraaid, zag hij dat er 2 zilverkleurige gesealde zakken in de tas zaten. [1] is ambtshalve bekend dat dit soort zakken worden gebruikt om drugs te verpakken. [1] pakte een van de zakken en voelde aan de vorm van de inhoud dat er vermoedelijk henneptoppen in zaten. Hierna heeft hij 1 zak opengesneden en zag hij dat er in de zak een doorzichtige zak met hennep zat.

- Door de verbalisanten [3] en [4] werden ter hoogte van de kruising van de openbare weg [straat 2] en de [straat 3] in de [gemeente 1] op een onderlinge afstand van ongeveer 50 meter, 3 gesealde zakken aangetroffen met hierin een witte substantie.

- De door de politie aangetroffen plantdelen in de boodschappentas van Albert Heijn hadden een totaal gewicht van 499,37 gram. Zij zijn door de politie onderzocht en de testen gaven als resultaat: hennep. De aangetroffen drie dichtgesealde zakken hadden een brutogewicht van 3.036 gram. De inhoud van deze zakken is eveneens door de politie onderzocht. Het bleek een crèmekleurige pasta te zijn die amfetamine bevat. Uit elk van de drie zakken met crèmekleurige pasta is een monster genomen, welke monsters naar het NFI zijn gezonden.

- De drie door de politie getrokken monsters zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht en blijkens het daarover uitgebrachte rapport bevatten de drie monsters amfetamine.

- Tegenover de politie heeft de verdachte [[medeverdachte]dachte] op 27 juni 2011 verklaard dat hij op verzoek van de hem bekende [verdachte] in diens auto naar Nederland is gereden en dat [verdachte] hem vertelde hoe hij moest rijden. Op een gegeven moment zei [verdachte] dat hij moest stoppen en kort daarna kwam een hem onbekende persoon op de achterbank zitten. Tijdens de rit van Duitsland naar Nederland heeft [verdachte] tussen 02.30 uur en 03.00 uur met zijn, [medeverdachte], telefoon, merk Samsung, gebeld. Zij waren toen nog in Duitsland en [verdachte] sprak in het Nederlands.

- Verdachte [verdachte] heeft op 27 juni 2011 tegenover de politie verklaard dat hij gisteren vanuit [woonplaats] met de hem bekende [medeverdachte] is afgereisd richting [gemeente 2] en dat [medeverdachte] reed. Vóór het passeren van de grens met Nederland heeft hij tussen 04.00 en 04.30 uur nog met de mobiele telefoon van [medeverdachte] gebeld naar een persoon die zich [betrokkene] noemt. Hierna heeft hij [medeverdachte] gezegd hoe deze moest rijden en op een gegeven moment heeft hij tegen [medeverdachte] gezegd dat hij moest stoppen. Hierna is [betrokkene], met wie hij had afgesproken 150 gram hennep voor hem, [verdachte], te regelen, op de achterbank gaan zitten. [betrokkene] had toen twee tassen bij zich. Hierna werd naar een parkeerplaats gereden en kort daarna zagen zij politie. Vervolgens zijn zij snel weggereden en onderweg heeft [betrokkene] de auto verlaten. [verdachte] zag dat [betrokkene] een tas op de grond van de auto liet vallen en even later heeft [verdachte] deze tas uit de auto gegooid. Op het moment dat zij op het viaduct over de A73 reden, hoorde en zag hij dat de politie met sirene en zwaailicht aan achter hen aanreed. Verder heeft hij nog verklaard dat hij al eerder hennep van [betrokkene] heeft gekocht.

- Verdachte [verdachte] heeft verder nog tegenover de verbalisanten [1] en [5] verklaard dat de overdracht van de hennep heeft plaatsgevonden op de plaats waar de politie hen heeft aangetroffen en waar [medeverdachte] is weggereden. Hij zag dat het om politie ging omdat hij de auto die kwam aanrijden als een politieauto herkende en de politieman die hem nu verhoort, herkent als de politieman die naar hun auto kwam lopen. Nadat [betrokkene] de auto had verlaten, zag hij dat in de door [betrokkene] achtergelaten tas iets wits zat, waarna hij de 3 pakketjes die in die tas zaten, uit het raam heeft gegooid. [betrokkene] is door hen meegenomen omdat [betrokkene] dat vroeg.

De raadsman heeft de navolgende verweren gevoerd.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking van de personenauto.

Verdachte was bijrijder in de auto die werd bestuurd door de aan verdachte bekende [medeverdachte]. Deze personenauto, merk Audi, stond op 27 juni 2011 omstreeks 04.15 uur aan het einde van een parkeerplaats langs de A73 in de [gemeente 1] met gedoofde lichten geparkeerd. Kort hierna kwam politie om de inzittenden en de Audi te controleren omdat aldaar regelmatig ladingen uit vrachtauto’s worden gestolen. De politie had niet eerst geconstateerd of een van de op de parkeerplaats staande vrachtauto’s was opengebroken. Een politieambtenaar naderde vervolgens de Audi waarna deze auto wegreed. Na een achtervolging trof de politie de Audi weer aan, waarna de politie met toestemming in de bagageruimte van de auto keek en geen gestolen goederen of inbrekerswerktuig aantrof. Naar de mening van de verdediging valt hierna de verdenking van overtreding van artikel 311 Wetboek van Strafrecht jegens de inzittenden van de auto weg. Een van de verbalisanten kijkt hierna in de auto en ziet op de achterbank een plastic zak met het opschrift ‘Albert Heijn’ staan. Hierna ziet de politieambtenaar dat in die plastic zak 2 gesealde zakken zitten, welke zakken later hennep blijken te bevatten. Naar de mening van de verdediging was op het moment dat de verbalisant in de auto keek, bedoelde plastic zak zag en besloot daarom de auto en die zak te doorzoeken, geen verdenking meer jegens de inzittenden terzake overtreding van artikel 311 Wetboek van Strafrecht. Die was immers al komen te vervallen. Evenmin was er een verdenking ter zake van overtreding van de Opiumwet. De raadsman heeft vervolgens geconcludeerd dat de doorzoeking in het passagierscompartiment van de auto onrechtmatig is geweest en dat al hetgeen dat daaruit rechtstreeks is voortgevloeid niet voor het bewijs kan en mag worden gebruikt. Als gevolg hiervan is er onvoldoende bewijs voor de feiten 1 en 2 zodat verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1

Nadat de Audi van de parkeerplaats langs de A73 was weggereden, heeft [betrokkene], de leverancier van de in de auto aangetroffen hennep, onderweg de auto verlaten. Tijdens het verlaten van de auto heeft hij een tas in de auto laten vallen. Nadat verdachte heeft gezien dat in die tas pakketjes zaten, gooide hij die pakketjes uit de rijdende auto. De inhoud van die pakketjes blijkt later amfetamine te zijn. De vraag is of verdachte wist dan wel moest weten/vermoeden dat in die pakketjes amfetamine zat. De stelling van de verdediging is dat verdachte die pakketjes heeft weggegooid omdat hij alleen hennep wilde kopen en met geen enkele andere drug te maken wilde hebben. Nu het opzet op het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van de amfetamine bij verdachte ontbreekt, kan het in de tenlastelegging vermelde bestanddeel ‘opzettelijk’ niet worden bewezen verklaard en dient verdachte van feit 1 te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking van de personenauto

Naar het oordeel van de rechtbank hebben voornoemde omstandigheden met betrekking tot beide verdachten kunnen leiden tot de verdenking van enig strafbaar feit. Dat vervolgens, toen de Audi weer werd aangetroffen in de kofferbak geen gestolen goederen en/of inbrekerswerktuig aanwezig bleken, maakt - anders dan de raadsman stelt - niet dat daarmee ook die verdenking kwam te vervallen. Zij waren gerechtigd de gehele auto te doorzoeken. Daarbij troffen de verbalisanten op de achterbank van de Audi een geopende plastic zak met het opschrift Albert Heijn met daarin twee gesealde zakken waarvan verbalisant [1] relateert dat hem ambtshalve bekend is dat dergelijke zakken worden gebruikt om de geur van hennep te maskeren. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal.

Ten aanzien van het medeplegen

Verdachte heeft bekend dat hij hennep wilde kopen en hennep is ook aangetroffen in de Audi. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij niets wist van het voornemen van verdachte om drugs te kopen. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Beide verdachten reizen midden in de nacht naar Nederland. Verdachte maakte voor vertrek en ook net voor het passeren van de Duits-Nederlandse grens gebruik van de telefoon van [medeverdachte] en belt met [betrokkene]. [medeverdachte] verklaart hierover tweemaal anders, terwijl zijn eerste verklaring dienaangaande wordt bevestigd door de verklaring van [verdachte]. Gelet op het gedrag vervolgens van [medeverdachte], bestuurder van de Audi, die, toen de verbalisanten hen wilden controleren met piepende banden weg is gereden, is de rechtbank er van overtuigd dat [medeverdachte] op de hoogte was van de aanwezigheid van drugs in de auto. Immers was er geen enkele aanleiding voor deze als vlucht te kwalificeren wijze van wegrijden indien hij inderdaad geen wetenschap had. Dat hij niet zou hebben gezien dat het politie betrof acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op hetgeen met name verbalisant [1] relateert en verdachte daarover verklaart. Ook dat er sprake zou zijn van stress zoals gesteld door medeverdachte [medeverdachte] acht de rechtbank niet geloofwaardig. Immers heeft hij bij het naderen van de politie eerst tot tweemaal toe langzaam opgetrokken om vervolgens met piepende banden weg te rijden. Dit duidt eerder op weloverwogen handelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] van de voorgenomen drugsdeal op de hoogte was en dat er sprake is van medeplegen aan de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door de hem bekende drugsdealer [betrokkene] mee te nemen in de auto terwijl deze twee plastic zakken bij zich had en terwijl hij – verdachte – volgens zijn verklaring slechts 150 gram hennep had besteld, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze [betrokkene] meer drugs bij zich had en ook niet alleen softdrugs. Er is mitsdien sprake van voorwaardelijk opzet op het tezamen en in vereniging vervoeren van ongeveer 3036 gram amfetamine, zoals is ten laste gelegd onder feit 1.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 juni 2011 in de [gemeente 1] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 3036 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 27 juni 2011 in de [gemeente 1] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 499 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf onder 1 is strafbaar gesteld bij de artikelen 10 van de Opiumwet juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht

Het misdrijf onder 2 is strafbaar gesteld bij de artikelen 11 van de Opiumwet juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 maart 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het medeplegen van vervoeren van iets meer dan 3 kilogram amfetamine en bijna 0,5 kilogram hennep zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 20 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze veel te hoog is en dat aan verdachte, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest naast een groot voorwaardelijk strafdeel voldoende is.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard het tezamen met [medeverdachte] opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid van ruim 3 kilogram amfetamine en ongeveer 500 gram hennep, waarbij het verkrijgen van die stoffen heeft plaatsgevonden op een afgelegen plaats tijdens de nachtelijke uren. De rechtbank gaat er, gelet op de hoeveelheid van de onder hen aangetroffen drugs, van uit dat deze deels bestemd waren om naar het buitenland, in casu Duitsland, te vervoeren, alhoewel zulks niet in de tenlastelegging is vermeld. Verdachte heeft verklaard dat hij de hennep wilde meenemen naar Duitsland.

De rechtbank merkt het bewezenverklaarde aan als ernstige feiten. Vooral de hoeveelheid aangetroffen drugs rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte daarvan zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten opgesteld door het LOVS voor drugskoeriers. Op grond van het gewicht van de amfetamine alleen al komt het uitgangspunt op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden voor de laagste categorie. In dit geval gaat het echter niet om een koerier, maar om kopers.

Nu de rechtbank voor wat betreft de amfetamine niet bewezen acht dat verdachte en zijn mededader deze hebben gekocht, doch slechts hebben vervoerd, ziet de rechtbank aanleiding om voor wat betreft het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf aan te sluiten bij genoemd oriëntatiepunt. De rechtbank zal hierbij tevens een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte te weerhouden om dergelijke feiten opnieuw te plegen.

De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat verdachte niet eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld, thans werk heeft en met de persoonlijke omstandigheden van hem zoals tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: artikel 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57, 91

Opiumwet: art. 2, 3, 10 en 11

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van twintig maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf tien maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. V.P. van Deventer, A.K. Kleine en J.H.M. Delnooz-Engels, rechters, van wie mr. V.P. van Deventer voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 april 2012.

Typ: Jb