Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW2494

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/1488
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2011 is bepaald dat eiser vanaf 17 november 2012 geen WGA-uitkering meer krijgt. De rechtbank is van oordeel dat uit het samenstel de eerste twee leden van artikel 56 van de Wet WIA volgt dat, zodra vaststaat dat de mate van arbeidsongeschiktheid van degene aan wie aan WGA-uitkering is toegekend beneden 35% daalt, de uitkering eindigt, zulks evenwel met een wettelijk vastgelegde termijn welke in een geval als het voorliggende duurt totdat de loongerelateerde uitkering eindigt. Het doel van het tweede lid van artikel 56 van de Wet WIA is om de verzekerde enige uitlooptijd te gunnen welke hem stimuleert om zijn verdiencapaciteit te gaan benutten zonder dat direct het recht op WGA-uitkering eindigt en zonder dat een beroep hoeft te worden gedaan op de Werkloosheidswet. Het zou niet in overeenstemming zijn met (het doel van) dat stelsel om -zoals namens eiser is betoogd- met het nemen van een besluit waarin de beëindiging van de WGA-uitkering is neergelegd, te wachten tot het einde van die uitlooptermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 1488

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2011 in de zaak tussen

[eiser], te Tienray, eiser

(gemachtigde: mr. T.H.M.M. Kusters),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat eiser per

17 november 2012 geen uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 17 november 2012 wordt beëindigd.

Bij besluit van 26 september 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Coenen.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op 2 september 1953, is laatstelijk tot 19 december 2007 voor 38,24 uur per week werkzaam geweest als CNC-frezer/metaalbewerker in 2-ploegendienst. In een periode van werkloosheid heeft hij zich per 31 januari 2008 ziek gemeld in verband met fysieke klachten. Op 19 oktober 2009 heeft eiser een WIA uitkering aangevraagd. Bij besluit van 15 januari 2010 heeft verweerder besloten eiser vanaf 28 januari 2010 geen uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen, omdat eiser per die datum werd geacht om meer dan 65% te verdienen van hetgeen hij verdiende vóór hij ziek werd. Het daartegen gerichte bezwaar is door verweerder bij besluit van 4 augustus 2010 ongegrond verklaard.

Deze rechtbank heeft bij haar uitspraak van 2 maart 2011 eisers beroep tegen dat besluit gegrond verklaard met instandlating van de rechtsgevolgen. Eiser heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld.

2. In zijn rapportage over voormeld bezwaar van eiser heeft de bezwaarverzekeringsarts geconstateerd dat eiser als gevolg van een op 17 maart 2010 ondergane operatie aan de rechterhand tot 27 mei 2010 volledig arbeidsongeschikt is geweest en dat de situatie nadien weer gelijk was aan die op 28 januari 2010. Aan eiser is op 4 augustus 2010 meegedeeld dat nog zou worden beoordeeld of eiser op grond daarvan alsnog recht heeft op WIA-uitkering. Na rappel van eisers kant over de aangekondigde WIA-beoordeling heeft de verzekeringsarts [verzekeringsarts] op 22 februari 2011 op basis van dossiergegevens een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld, waarna de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] op 7 april 2011 heeft gerapporteerd dat per 17 maart 2010 het arbeidsongeschiktheidspercentage 80 tot 100% bedraagt en per 7 april 2011 21,38%.

3. Bij besluit van 19 april 2011 heeft verweerder eiser, kennelijk met toepassing van artikel 55, eerste lid, onder, van de Wet WIA, vanaf 17 maart 2010 een loongerelateerde uitkering in het kader van de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten (hierna: WGA-uitkering) toegekend en hem meegedeeld dat hij deze uitkering krijgt tot

17 november 2012. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door eiser bij brief van

5 juli 2011 ingetrokken. Bij besluit van eveneens 19 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser vanaf 17 november 2012 geen WGA-uitkering meer krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4. Het door eiser tegen het primaire besluit ingediende bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat bij het primaire besluit de actuele mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35% en dat de uitkering naar aanleiding daarvan pas per einde van de loongerelateerde uitkering kan worden beëindigd. Verweerder heeft voorts verwezen naar het per 1 januari 2011 gewijzigde beleid voor dit soort gevallen. Verweerders beleid hield -naar de rechtbank mede op grond van de ter zitting gegeven toelichting heeft begrepen- voorheen in dat, indien de mate van arbeidsongeschiktheid op een datum na toekenning van WGA-uitkering tot minder dan 35% was gedaald, niet aanstonds na het constateren daarvan een beëindigingsbesluit werd genomen. Destijds werd gewacht tot zes maanden voor het bereiken van de maximale duur van de loongerelateerde uitkering om ambtshalve de mate van arbeidsongeschiktheid te herbeoordelen en aan de hand daarvan te bepalen of de WGA-uitkering na het eindigen van de loongerelateerde uitkering kon worden voortgezet. In het per 1 januari 2011 gewijzigde beleid wordt echter direct na het constateren van afname van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 35% een besluit genomen tot beëindiging van de WGA-uitkering per de dag dat de loongerelateerde uitkering eindigt. Het wordt voortaan tot de eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde gerekend om wijzigingen in (onder meer) diens belastbaarheid gedurende de loop van de loongerelateerde uitkering door te geven. Aan de hand daarvan wordt dan beoordeeld of de mate van arbeidsongeschiktheid al da niet weer boven de grens van 35% is gekomen.

5. In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het per 1 januari 2011 gewijzigde beleid van verweerder in strijd is met de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep inhoudende dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid niet mag zijn gebaseerd op verouderde medische gegevens. In het nieuwe beleid is immers sprake van beëindiging van de WGA-uitkering per een toekomstige datum, terwijl daar ten tijde van het beëindigingsbesluit nog geen actuele medische gegevens over bestaan. Eiser heeft in verband daarmee betoogd dat tegen het einde van de loongerelateerde WGA-uitkering een nieuw medisch onderzoek zou moeten plaatsvinden op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser wordt beoordeeld. Dit is volgens eiser -zoals hij ook al in bezwaar heeft gesteld- te meer van belang, nu zijn klachten sinds de datum in geding zijn toegenomen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1. De eerste twee leden van artikel 56 van de Wet WIA luiden als volgt:

“-1. Het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat:

a. de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; of

b. er op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder 2º, d, e, f, g of h, van toepassing is.

-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35% twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.”

6.2. Uit het samenstel van beide leden van artikel 56 van de Wet WIA volgt dat, zodra vaststaat dat de mate van arbeidsongeschiktheid van degene aan wie aan WGA-uitkering is toegekend beneden 35% daalt, de uitkering eindigt, zulks evenwel met een wettelijk vastgelegde termijn welke in een geval als het voorliggende duurt totdat de loongerelateerde uitkering eindigt. Uit de Memorie van Toelichting (kamerstukken 030 034 nr. 3) blijkt dat het doel van het tweede lid van artikel 56 van de Wet WIA is om de verzekerde enige uitlooptijd te gunnen welke hem stimuleert om zijn verdiencapaciteit te gaan benutten zonder dat direct het recht op WGA-uitkering eindigt en zonder dat een beroep hoeft te worden gedaan op de Werkloosheidswet. Het zou niet in overeenstemming zijn met (het doel van) dat stelsel om -zoals namens eiser is betoogd- met het nemen van een besluit waarin de beëindiging van de WGA-uitkering is neergelegd, te wachten tot het einde van die uitlooptermijn. Zulks te minder omdat ook uit de overige bepalingen omtrent WGA-uitkering (bijvoorbeeld de bepaling in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA dat de inkomenseis wordt vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op WGA-uitkering) het doel naar voren komt dat zo snel mogelijk duidelijkheid wordt gegeven over de rechtspositie na afloop van de loongerelateerde uitkering. Uit het stelsel van artikel 56 van de Wet WIA vloeit tevens voort dat, indien de mate van arbeidsongeschiktheid binnen de looptijd van de loongerelateerde uitkering weer toeneemt tot meer dan 35%, genoemde eindigingsgrond vervalt, hetgeen dan eveneens in een besluit moet worden vastgelegd.

6.3. De rechtbank is voorts van oordeel dat voormeld wettelijk stelsel er niet aan in de weg staat dat in verweerders nieuwe beleid de uitkeringsgerechtigde er zelf verantwoordelijk voor wordt gehouden om in de loop van de loongerelateerde uitkering toegenomen arbeidsongeschiktheid bij verweerder te melden. Evenmin is dit beleid als zodanig in strijd met de door eiser bedoelde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, nu dat beleid ruimte laat om aan de hand van ten tijde van de besluitvorming actuele medische gegevens te beoordelen of de mate van arbeidsongeschiktheid al dan niet minder dan 35% bedraagt.

6.4. Voormeld oordeel neemt niet weg dat het voorliggende besluit in recht geen stand kan houden. In de eerste plaats is noch in het primaire besluit noch in het bestreden besluit op bezwaar de wettelijke basis van de aangevochten beëindiging en van het daaraan ten grondslag liggende beleid omschreven. Verweerder heeft pas na het primaire besluit aan eiser meegedeeld dat hij zelf om herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid kan vragen maar ook de uitleg in het bestreden besluit laat aan duidelijkheid te wensen over. Bovendien is juist in dit geval niet voldaan aan het (jurisprudentiële) vereiste dat de beoordeling niet mag zijn gebaseerd op verouderde medische gegevens. De medische gegevens waarop het primaire besluit van 19 april 2011 is gebaseerd, komen namelijk voort uit het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts dat in het rapport van 7 september 2010 is beschreven. Het latere rapport van de verzekeringsarts van 22 februari 2011 is geheel op die gegevens gebaseerd en deze zijn ook nadien niet geactualiseerd. Te meer daar eiser reeds in bezwaar heeft gesteld dat zijn beperkingen zijn toegenomen, moeten de voor het bestreden besluit gehanteerde medische gegevens in dit geval als verouderd worden aangemerkt.

6.5. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden niet berust op een voldoende kenbare motivering en dat dit besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, zodat dit wegens strijd met de artikelen 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Awb moet worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder ten slotte in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,=

Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 874,= (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,= volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.A.J. Monnens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2011.

w.g. mr. S.A.J. Monnens

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 april 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.