Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW0436

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/1671
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens de hoorzitting in een andere bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van eiser het volgende opgemerkt:

“Inmiddels, zo zegt gemachtigde, heeft reclamant een nieuwe aanvraag Werkleeraanbod ingediend, maar hier heeft hij nog geen bericht van gekregen of de brieven zouden reclamant niet bereikt moeten hebben”.

De rechtbank overweegt dat bij de hoorzitting van 8 juni 2011, naast eiser en zijn gemachtigde, ook de klantmanager van eiser, mw. Seelen, aanwezig was. De hoorzitting vond plaats op het moment dat eiser 12 dagen eerder (op 27 mei) niet was komen opdagen bij zijn afspraak met mw. Seelen. Zij had hem op die dag opnieuw een aangetekende uitnodiging voor een gesprek toegestuurd. Dat gesprek zou twee dagen na de hoorzitting plaatsvinden. Op het moment van de hoorzitting wist mw. Seelen dus dat eiser op 27 mei 2011, ondanks een aangetekend verzonden uitnodiging, niet was komen opdagen en dat zij hem, opnieuw met een aangetekende brief, had uitgenodigd voor een gesprek dat twee dagen later zou plaatsvinden. Uit het verslag van die hoorzitting blijkt verder dat de gestelde problemen van eiser met de ontvangst van zijn post tijdens die hoorzitting zeer uitvoerig zijn besproken. Ook mw. Seelen stelde hierover tijdens de hoorzitting verschillende vragen aan eiser.

Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat

mw. Seelen eiser tijdens de hoorzitting van 8 juni 2011 op de uitnodiging voor het gesprek dat twee dagen later zou plaatsvinden had moeten wijzen. Doorslaggevend hierbij acht de rechtbank de hiervoor geciteerde opmerking van eisers gemachtigde. Door naar aanleiding van die opmerking niet te vermelden dat er wel degelijk al berichten over de nieuwe aanvraag naar eiser waren verstuurd en hij zelfs twee dagen later op een belangrijk gesprek werd verwacht, is eiser in de waan gelaten dat er nog geen vervolgstappen op die aanvraag bekend waren en dat hij daarover geen post had gemist. De rechtbank acht zulks in strijd met het beginsel van fair play, welk beginsel inhoudt dat bestuursorganen burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. Dat deze hoorzitting werd gehouden in het kader van een andere procedure, doet niet ter zake. Tijdens de hoorzitting waren dezelfde personen aanwezig die bij de voorliggende zaak betrokken zijn en ook tijdens de hoorzitting van 8 juni 2001 ging het om een beslissing over een uitkering en de problemen met de ontvangst van post op zijn adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 1671

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.M.J. Offermans),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een werkleeraanbod (verder: WLA) op grond van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) afgewezen en geweigerd eiser een uitkering op grond van de WIJ toe te kennen.

Bij besluit van 26 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. V.P.A. Dassen.

Overwegingen

1. Op 3 mei 2011 heeft eiser een WLA op grond van de WIJ aangevraagd. Bij besluit van 14 juni 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft voldaan aan de verplichting om mee te werken aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling. Hij is namelijk, zonder bericht van verhindering, niet verschenen op de afspraken van 27 mei 2011 en 10 juni 2011. Zonder WLA wordt aan eiser geen uitkering op grond van de WIJ toegekend.

2. Bij heroverweging in bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering. Verweerder blijft erbij dat eiser verwijtbaar niet is verschenen op de afspraken van 27 mei 2011 en 10 juni 2011. Daarnaast heeft hij niet voldaan aan de verplichtingen overeengekomen tijdens het gesprek van 10 mei 2011. Eiser heeft immers geen sollicitaties ingeleverd en geen digitaal curriculum vitae aan de klantmanager (mw. Seelen) gestuurd.

3. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Hij bestrijdt dat hij zijn verplichtingen op grond van de WIJ niet zou willen nakomen. Hij stelt dat het niet verschijnen op de afspraken van 27 mei 2011 en 10 juni 2011 hem niet kan worden verweten, omdat hij de uitnodigingen voor die afspraken nooit heeft ontvangen. Eiser vindt onbegrijpelijk dat mw. Seelen tijdens een hoorzitting op 8 juni 2011 niet tegen hem heeft gezegd dat hij op 10 juni 2011 met haar een nieuwe afspraak had.

4. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

5. Ingevolge artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ bestaat geen recht op de inkomensvoorziening voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen.

Het gaat hierbij in het geval van eiser om de verplichting om mee te werken aan de totstandkoming en uitvoering van het WLA (artikel 45, aanhef en onder a, van de WIJ). Ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de WIJ doet het college geen WLA indien en zolang de jongere niet voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel 45, onderdeel a.

6. Over het niet komen opdagen op de gesprekken van 27 mei 2011 en 10 juni 2011 overweegt de rechtbank het volgende.

7. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2011, LJN: BV0381) dient, indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.

8. De uitnodigingen voor de afspraken op 27 mei 2011 en 10 juni 2011 zijn per brieven van respectievelijk 19 mei 2011 en 27 mei 2011 aan eiser toegezonden. Vast staat dat verweerder dit in beide gevallen per aangetekende post heeft gedaan. Vast staat ook dat de brieven op het adres van eiser zijn aangeboden en dat daar, omdat eiser niet thuis was, afhaalbewijzen zijn achtergelaten. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, leest de rechtbank geen (althans geen geloofwaardige) ontkenning van het feit dat twee keer een afhaalbericht is achtergelaten. Eiser heeft daarentegen wel de ontvangst van de afhaalbewijzen (en als gevolg daarvan de ontvangst van de uitnodigingen) bestreden. Hoewel de rechtbank voorstelbaar acht dat deze afhaalbewijzen eiser niet hebben bereikt, omdat eiser in een woning met zes anderen woont en de brievenbus deelt, is dit een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser komt. Eiser is zelf verantwoordelijk voor de behandeling van zijn post nadat deze op het door hem opgegeven adres is bezorgd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juli 2010, LJN: BN2461).

9. Uit het verslag van de hoorzitting van 8 juni 2011 (gehouden in het kader van een andere procedure) blijkt niet dat eiser tijdens die hoorzitting een verzoek heeft gedaan zijn post voortaan naar het adres van zijn moeder te sturen. Overigens waren de brieven in kwestie op de dag van die hoorzitting al verzonden, dus kan eisers stelling hem in die zin niet baten.

10. Dan komt de rechtbank toe aan het betoog van eiser dat mw. Seelen, werkzaam op de afdeling Sociale Zaken van verweerders gemeente, hem tijdens de hoorzitting van 8 juni 2011 had moeten informeren over de afspraak die twee dagen later met hem gepland stond.

11. De rechtbank overweegt dat bij de hoorzitting van 8 juni 2011, naast eiser en zijn gemachtigde, ook de klantmanager van eiser, mw. Seelen, aanwezig was. De hoorzitting vond plaats op het moment dat eiser 12 dagen eerder (op 27 mei) niet was komen opdagen bij zijn afspraak met mw. Seelen. Zij had hem op die dag opnieuw een aangetekende uitnodiging voor een gesprek toegestuurd. Dat gesprek zou twee dagen na de hoorzitting plaatsvinden. Op het moment van de hoorzitting wist mw. Seelen dus dat eiser op 27 mei 2011, ondanks een aangetekend verzonden uitnodiging, niet was komen opdagen en dat zij hem, opnieuw met een aangetekende brief, had uitgenodigd voor een gesprek dat twee dagen later zou plaatsvinden. Uit het verslag van die hoorzitting blijkt verder dat de gestelde problemen van eiser met de ontvangst van zijn post tijdens die hoorzitting zeer uitvoerig zijn besproken. Ook mw. Seelen stelde hierover tijdens de hoorzitting verschillende vragen aan eiser. Tijdens de hoorzitting merkt eisers gemachtigde onder meer het volgende op:

“Inmiddels, zo zegt gemachtigde, heeft reclamant een nieuwe aanvraag Werkleeraanbod ingediend, maar hier heeft hij nog geen bericht van gekregen of de brieven zouden reclamant niet bereikt moeten hebben”.

Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat mw. Seelen eiser tijdens de hoorzitting van 8 juni 2011 op de uitnodiging voor het gesprek dat twee dagen later zou plaatsvinden had moeten wijzen. Doorslaggevend hierbij acht de rechtbank de hiervoor geciteerde opmerking van eisers gemachtigde. Door naar aanleiding van die opmerking niet te vermelden dat er wel degelijk al berichten over de nieuwe aanvraag naar eiser waren verstuurd en hij zelfs twee dagen later op een belangrijk gesprek werd verwacht, is eiser in de waan gelaten dat er nog geen vervolgstappen op die aanvraag bekend waren en dat hij daarover geen post had gemist. De rechtbank acht zulks in strijd met het beginsel van fair play, welk beginsel inhoudt dat bestuursorganen burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. Dat deze hoorzitting werd gehouden in het kader van een andere procedure, doet niet ter zake. Tijdens de hoorzitting waren dezelfde personen aanwezig die bij de voorliggende zaak betrokken zijn en ook tijdens de hoorzitting van 8 juni 2001 ging het om een beslissing over een uitkering en de problemen met de ontvangst van post op zijn adres.

12. Uit het feit dat eiser niet is verschenen op de gesprekken van 27 mei 2011 en 10 juni 2011 kan, gelet op het voorgaande, niet de conclusie worden getrokken dat uit eisers houding en gedragingen ondubbelzinnig zou blijken dat hij de verplichtingen uit hoofdstuk 5 van de WIJ niet wil nakomen.

13. Hoewel eiser deze beroepsgrond terecht naar voren heeft gebracht, kan dit, gelet op het navolgende, niet leiden tot een gegrond beroep.

14. Verweerder heeft, anders dan eiser aanneemt, aan het bestreden besluit niet alleen het niet verschijnen op de gesprekken van 27 mei 2011 en 10 juni 2011 ten grondslag gelegd, maar ook het niet nakomen van verplichtingen die eiser op 10 mei 2011 met zijn klantmanager is overeengekomen. Het betreft de verplichting dat eiser iedere vrijdag vijf sollicitaties in zou leveren bij mw. Seelen en dat hij haar diezelfde dag (op 10 mei 2011) zijn curriculum vitae (cv) via de mail zou toesturen. Eiser heeft niet aan deze verplichtingen voldaan. Over het niet toesturen van een cv, zo blijkt uit de stukken, heeft eiser verklaard dat hij geen computer had, hij mw. Seelen dus ook niet kon mailen en dat verweerder bovendien al over een cv beschikte. De rechtbank ziet hierin geen rechtvaardiging om afgesproken verplichtingen niet na te komen. Indien eiser geen computer had, had hij niet met mw. Seelen moeten afspreken dat hij zijn cv zou mailen of hij had zijn cv diezelfde dag op een andere manier moeten aanleveren. Van de kant van verweerder is bovendien onbestreden gesteld dat eiser op het UWV Werkplein computers tot zijn beschikking had. Dat het niet nodig was om een nieuw cv op te vragen, is niet gebleken. In tegendeel; eiser heeft zelf verklaard dat hij in februari 2011 nog een cv had toegezonden en dat hij in april 2011 enkele weken via een uitzendbureau heeft gewerkt. Het was voor verweerder dan ook wel degelijk van belang een actueel cv van eiser te hebben. Los van het vorenstaande heeft eiser zich bovendien met ondertekening van de verklaring van 10 mei 2011 ertoe verplicht alle daarin opgenomen afspraken na te komen. Dat geldt ook voor de afspraak te solliciteren en iedere week vijf sollicitaties te laten zien. Uit de stukken blijkt weliswaar dat eiser zich ervoor heeft ingespannen weer aan het werk te komen en dat hij op eigen kracht een opleiding heeft gevolgd en een werkleerovereenkomst heeft gesloten, maar dit laat onverlet dat eiser vanaf 10 mei 2011 de plicht had om wekelijks vijf sollicitaties te laten zien en hij deze verplichting niet is nagekomen. Verweerder heeft zich mitsdien op goede gronden op het standpunt gesteld dat gebleken is dat eiser de verplichting om mee te werken aan de totstandkoming en uitvoering van het WLA niet wil nakomen. Dit betekent dat op grond van artikel 17, vijfde lid, van de WIJ verweerder terecht geen WLA heeft gedaan. Op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c van de WIJ bestaat daarom geen recht op een inkomensvoorziening.

15. Het beroep van eiser is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.

w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 maart 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.