Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW0432

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/412
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om nadeelcompensatie door eigenaar meubelwinkel. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade lijdt door het verkeersbesluit. Het enkele feit dat de omzet vanaf 2009 is gedaald ten opzichte van voorgaande jaren is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat het verkeersbesluit de omzetdaling heeft veroorzaakt. De aard van het winkelassortiment (meubelen) en de ligging van de winkel buiten het centrum van Venlo maken niet dat reeds op basis van de omzetdaling geoordeeld kan worden dat een causaal verband aannemelijk is. Het lag op de weg van eiser om in dit verband gegevens aan te dragen waaruit blijkt dat vóór het verkeersbesluit van 1 september 2008 inkopen door passanten een zeker aandeel van zijn omzet hebben gevormd. Eiser heeft zijn stellingen niet feitelijk onderbouwd. Uit het onderzoek door StAB blijkt voorts ook niet dat de omzetdaling geheel of deels is veroorzaakt door het verkeersbesluit. Volgens StAB zijn er meer oorzaken aanwijsbaar voor deze daling, zoals de economische recessie, het verouderd winkelassortiment, een gebrek aan reclame, gewijzigde openingstijden en een gebrek aan verkoopmogelijkheden via internet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 412

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Eiser is daarbij wel verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.G. Vincken.

Bij beslissing van 12 juli 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat opdracht wordt gegeven aan de Stichting Advisering bestuursrechtspraak (StAB) voor het uitbrengen van een advies. StAB heeft op 2 november 2011 een rapportage uitgebracht. Beide partijen hebben op het rapport van StAB gereageerd, waarop de rechtbank het onderzoek ter zitting op 9 maart 2012 heeft hervat. Ter zitting zijn eiser verschenen, bijgestaan door mr. B. de Jong, en namens verweerder J.M.G. Vincken.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 1979 eigenaar van het pand aan de [adres] te [woonplaats] waarin hij woont en tevens een meubelwinkel exploiteert. Verweerder heeft in 2002 eenrichtingsverkeer ingesteld op het gedeelte van de Stalbergweg tussen de Van Schelbergenstraat en de Burgemeester van Rijnsingel, in welk gedeelte het winkelpand van eiser is gelegen. Bij besluit van 1 september 2008 (hierna: het verkeersbesluit) heeft verweerder het eenrichtingsverkeer opgeheven. Bij dat besluit heeft verweerder voorts de aansluiting van de Stalbergweg op de Burgemeester van Rijnsingel afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. De maatregel is op 23 oktober 2008 feitelijk geëffectueerd.

2. Eiser heeft verweerder bij brief van 12 januari 2010 verzocht om de schade te vergoeden, die hij als gevolg van het verkeersbesluit lijdt. Verweerder heeft een onderzoek laten verrichten door Tog Nederland Zuid B.V. (Tog). De uitkomsten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapportage van 22 oktober 2010. Onder verwijzing naar voornoemde rapportage heeft verweerder vervolgens bij het primaire besluit het verzoek van eiser afgewezen. Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Eiser stelt in beroep dat hij ruim € 750.000,00 schade heeft geleden als gevolg van de verkeersbesluiten van 2002 en 2008. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige beroepsprocedure uitsluitend kan worden geoordeeld over het verzoek om nadeelcompensatie als gevolg van het verkeersbesluit van 1 september 2008, nu eiser in zijn verzoek van 12 januari 2008 en tijdens de bezwarenprocedure uitsluitend heeft verwezen naar dat besluit.

5. Deze rechtbank heeft het beroep tegen het (gehandhaafde) verkeersbesluit bij uitspraak van 10 juni 2009 ongegrond verklaard (AWB 09/129). Eiser heeft tegen de uitspraak geen hoger beroep ingesteld zodat het verkeersbesluit in rechte onaantastbaar is geworden. Nu het besluit niet is vernietigd staat de rechtmatigheid daarvan vast.

6. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) kan een belanghebbende in geval van een rechtmatig besluit op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten (het zogenaamde égalité-beginsel) onder omstandigheden recht hebben op een schadevergoeding. Ten aanzien van verkeersbesluiten heeft de ABRS voorts als uitgangspunt geformuleerd dat het treffen van een verkeersmaatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten. Dat neemt niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen, waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkenen dient te blijven. Het hanteren van een percentage van 20% van het totale schadebedrag als normaal ondernemersrisico, acht de ABRS daarbij niet onredelijk (bijvoorbeeld ABRS 24 juni 2009, LJN: BI9694).

7. Niet in geschil is dat de omzet van eiser over 2009 ten opzichte van de voorgaande jaren is gedaald. De kern van het geschil wordt uitgemaakt door de vraag of (een deel van) deze omzetdaling is veroorzaakt door het verkeersbesluit van 1 september 2008. Blijkens voormelde jurisprudentie is een positief antwoord op deze vraag een noodzakelijke voorwaarde voor de toekenning van nadeelcompensatie.

8. Eiser heeft in het beroepsschrift betoogd dat een deel van zijn klantenkring is weggevallen door het verkeersbesluit waardoor zijn omzet vanaf het derde kwartaal van 2008 blijvend is verminderd met omstreeks 70% ten opzichte van 2007 en de eerste drie kwartalen van 2008. Tijdens de zitting van 9 maart 2012 heeft eiser zijn standpunt herzien in zoverre dat omstreeks 50% van de omzetdaling het gevolg zou zijn van het verkeersbesluit, welk gewijzigd standpunt eiser ook kenbaar heeft gemaakt aan StAB.

Naast omzetschade lijdt eiser andere schade door het verkeersbesluit zoals verlies aan goodwill, een waardevermindering van het pand en de winkelvoorraad. Voorts stelt eiser dat hij het winkelpand niet meer kan verhuren welke schade verweerder ook dient te vergoeden. De totale schade is volgens eiser inmiddels opgelopen tot omstreeks € 750.000,-.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat de gestelde omzetdaling het gevolg is van het verkeersbesluit van 1 september 2008. Volgens verweerder blijkt uit het onderzoek van Tog van andere oorzaken voor de omzetdaling zoals de economische recessie in de meubelbranche, een wijziging in het winkelassortiment, het feit dat eiser minder reclame heeft gemaakt ten tijde van het verkeersbesluit en meer beperkte sluitingstijden van de winkel. Verweerder betwist voorts een aantal schadeposten zoals de waardevermindering van het pand.

10. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade lijdt door het verkeersbesluit. Het enkele feit dat de omzet vanaf 2009 is gedaald ten opzichte van voorgaande jaren is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat het verkeersbesluit de omzetdaling heeft veroorzaakt. De aard van het winkelassortiment (meubelen) en de ligging van de winkel buiten het centrum van Venlo maken niet dat reeds op basis van de omzetdaling geoordeeld kan worden dat een causaal verband aannemelijk is. Het lag op de weg van eiser om in dit verband gegevens aan te dragen waaruit blijkt dat vóór het verkeersbesluit van 1 september 2008 inkopen door passanten een zeker aandeel van zijn omzet hebben gevormd. Eiser heeft zijn stellingen niet feitelijk onderbouwd.

11. Uit het onderzoek door StAB blijkt voorts ook niet dat de omzetdaling geheel of deels is veroorzaakt door het verkeersbesluit. Volgens StAB zijn er meer oorzaken aanwijsbaar voor deze daling, zoals de economische recessie, het verouderd winkelassortiment, een gebrek aan reclame, gewijzigde openingstijden en een gebrek aan verkoopmogelijkheden via internet. In hoeverre deze oorzaken de omzetdaling hebben veroorzaakt heeft StAB niet kunnen vaststellen. Anders dan eiser is de rechtbank niet van oordeel dat uit het rapport van StAB juist zou blijken dat eiser schade lijdt door het verkeersbesluit. StAB heeft immers het verkeersbesluit niet opgesomd als een van de oorzaken. Dit volgt ook uit de overweging van StAB dat eiser de verhouding tussen passanten en klanten (omzet) niet heeft kunnen aantonen (bladzijde 15 van het rapport).

12. Hetgeen eiser heeft aangevoerd levert voorts naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt op voor twijfel aan het advies van StAB dat er andere oorzaken zijn voor de omzetdaling. Dat StAB niet heeft kunnen vaststellen in hoeverre de oorzaken hebben bijgedragen aan de omzetdaling doet daar niet aan af. Zoals hiervoor is overwogen lag op de weg van eiser om gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat een deel van de omzet voor het verkeersbesluit afkomstig was van passerende automobilisten.

13. Verweerder heeft het verzoek van eiser om toekenning van nadeelcompensatie dan ook mogen afwijzen op grond van de overweging dat niet aannemelijk is geworden dat eiser schade heeft geleden door het verkeersbesluit.

14. Het beroep van eiser is ongegrond.

15. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

16. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 maart 2012.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. B.J. Zippelius,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 maart 2012.

Rechtsmiddel

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.