Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BW0043

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
99877 / HA ZA 10-230
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:4908, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mocht Mutualis aannemen dat de rentmeester van WML bevoegd was om haar percelen van WML te verkopen, nu deze rentmeester zelf belang had in Mutualis? Rechtbank stelt belang hebben in gelijk aan hoedanigheid van wederpartij in de regeling van de Selbsteintritt zoals geregeld in art. 3:68 BW en 7:416 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 68
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/344
RVR 2012/64
NJF 2012/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 99877 / HA ZA 10-230

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

de naamloze vennootschap

NV WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ LIMBURG,

gevestigd te Maastricht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. D.E.A.F. Aertssen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MUTUALIS BELEGGINGEN B.V.,

gevestigd te Baexem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.P. Zanders.

Partijen zullen hierna WML en Mutualis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

1. de dagvaarding van 1 maart 2010

2. de conclusie van antwoord en van eis in reconventie

3. de conclusie van antwoord in reconventie

4. het vonnis van 22 september 2010

5. de reactie op het vonnis van Mutualis van 18 januari 2011

6. een brief van WML van 17 januari 2011 met producties

7. een brief van WML van 24 januari 2011 met producties

8. het proces-verbaal van comparitie van 28 januari 2011 met als bijlagen de brieven van partijen naar aanleiding daarvan

9. de tijdens de comparitie ingediende akte vermeerdering van eis in conventie

10. de akte houdende vermeerdering van eis in reconventie van 16 februari 2011

11. de antwoordakte vermeerdering van eis in reconventie

12. de rolbeslissing van 3 maart 2011

13. de conclusie van repliek tevens akte vermeerdering van eis

14. de antwoordakte vermeerdering van eis

15. de rolbeslissing van 30 maart 2011

16. de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie

17. de conclusie van dupliek in reconventie

18. de akte van Mutualis van 15 november 2011

19. de pleitnotities van beide partijen van het op verzoek van Mutualis op 15 november 2011 gehouden pleidooi, na afloop waarvan de zaak voor vonnis is gesteld.

1.2. Verwijzing naar bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolgd door het nummer van de bijlage. Indien het een bijlage van een bijlage betreft, volgt het nummer van deze subbijlage na het nummer van de bijlage (bijlage 1,5,7 betreft dus bijlage 7 bij de bij processtuk 1 (de dagvaarding) gevoegde bijlage 5 (het rapport Hoffmann)).

2. De geschillen

In conventie

2.1. WML heeft bij koopovereenkomst van 24 december 2007 (bijlage 1,1) 21 percelen onroerend goed voor 115.003 euro verkocht aan het latere Mutualis (zie rechtsoverweging 3.14). Levering vond plaats bij akte van 25 februari 2008 (bijlage 1,2). Namens WML is deze transactie gesloten door de heer [A] (hierna: [A]), die als manager registergoederen en rentmeester bij WML werkzaam was. De onroerende zaken betroffen eigendommen van WML die in het kader van de waterwinning waren aangeschaft en in verband met de sluiting ervan voor verkoop bestemd waren.

2.2. [A] was bevoegd om namens WML transacties af te sluiten tot 250.000 euro, mits er voorafgaand intern door parafering goedkeuring werd verleend door de sectormanager van WML. Voor onderhavige transactie is deze interne goedkeuring niet gevraagd en verleend. De toepassing van deze validatieprocedure werd binnen WML niet consequent toegepast.

2.3. WML had het vermoeden dat de verkochte percelen veel meer waard waren dan waarvoor ze verkocht waren. Zij baseerde dat in eerste instantie op een interne taxatie van de heer [B] (verder: [B]), die uitkomt op een verkoopwaarde van 1.286.000 euro (bijlage 1,3). [B] is bij WML in dienst als adviseur zekerstelling grondstof en winning (bijlage 1,4). WML heeft in later stadium tevens de heren [C] en [D] van Ruijters Makelaars en Financieel Adviseurs (verder: Ruijters) de verkochte onroerende zaken laten taxeren. Deze komen in hun rapportage van 1 december 2008 uit op een waarde van 1.850.000 euro (bijlage 1,14).

2.4. Naar aanleiding van het vermoeden van belangenverstrengeling tussen [A] en Mutualis heeft WML opdracht gegeven aan Hoffmann Bedrijfsrecherche (verder: Hoffmann) om daarnaar onderzoek te doen (het rapport van 8 oktober 2008 is als bijlage 1,5 in het geding gebracht). WML heeft tevens in de woning van [A] en op diens privé computer bewijsbeslag gelegd op documenten. Deloitte heeft naar die documenten een forensisch accountantsonderzoek gedaan en daarvan een rapport opgemaakt, dat niet in het geding kon worden gebracht omdat Deloitte daarvoor geen toestemming verleende.

2.5. WML stelt met verwijzing naar met name bovenomschreven onderzoeken dat genoemde koopovereenkomst tussen WML en Mutualis nietig is door een gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid, althans onder invloed van bedrog of dwaling tot stand is gekomen c.q. strijdig is met de openbare orde dan wel dat Mutualis onrechtmatig jegens WML gehandeld heeft, althans onrechtmatig geprofiteerd heeft van door [A] jegens WML gepleegde wanprestatie. De stellingen van WML komen er kort gezegd op neer dat [A] en de heer [E] (directeur van Mutualis, verder: [E]) samengespannen hebben om de betreffende onroerende zaken (te) goedkoop aan Mutualis over te dragen met het oogmerk om daarvan vervolgens samen voordeel te hebben. WML heeft bij brief van 11 februari 2010 jegens Mutualis de nietigheid van de koopovereenkomst ingeroepen. WML vordert een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst en daaropvolgende leveringsakte nietig zijn, althans vernietigd zijn althans bij vonnis worden vernietigd. Voorts wordt uit hoofde van nietigheid, vernietiging of schadevergoeding gevorderd om ingevolge art. 3:299 BW gemachtigd te worden over te gaan tot teruglevering van de nog in bezit van Mutualis zijnde (gekochte) percelen dan wel Mutualis onder verbeurte van dwangsommen te bevelen aan die teruglevering mee te werken.

2.6. Mutualis heeft in de periode van 27 mei 2008 tot en met 15 augustus 2008 vijf (van de eenentwintig) onroerende zaken verkocht voor een totaalprijs van 239.500 euro (zie voor een overzicht rapport Hoffmann, blz. 55-57). WML vordert dit bedrag minus de door haar ontvangen prijs voor alle percelen (115.003 euro) terug, hetgeen neerkomt op 124.497 euro. Over dit laatste bedrag vordert WML de wettelijke rente vanaf 25 februari 2008: de datum dat (de laatste van) de vijf percelen waren verkocht, althans vanaf de dag van de instelling van de vordering (1 maart 2010). Voorts worden buitengerechtelijke, beslag- en proceskosten gevorderd.

2.7. Mutualis bestrijdt de vorderingen. Zij stelt dat de transactie volstrekt zakelijk en eerlijk is verlopen en er van fraude, benadeling of enige andere onregelmatigheid geen sprake was. Besprekingen tussen [A] en [E] over betrokkenheid van [A] bij Mutualis waren uitsluitend gericht op een tijdbesteding van [A] na zijn pensionering. Die beoogde deelname heeft geen invloed gehad op de inhoud van de transactie of de prijs.

2.8. Ter onderbouwing dat er tussen partijen een marktconforme prijs is overeengekomen, heeft in opdracht van Mutualis de heer [F] van Bonnema Makelaars (verder: Bonnema) op 14 mei 2009 een taxatierapport uitgebracht (bijlage 2,4), waarin de waarde van de verkochte zaken wordt getaxeerd op 699.000 euro, waarbij met name geen rekening is gehouden met een sloopverplichting ten aanzien van een onroerende zaak in Helden aan de Kesselseweg 42-44, die door Mutualis wordt gesteld op 500.000 euro. In opdracht van Mutualis heeft tevens ing. [G] van Jack Frenken Makelaars en Hypotheekadviseurs (verder: Frenken) op 26 mei 2009 een taxatierapport uitgebracht (bijlage 2,5), waarin de waarde van de verkochte zaken wordt getaxeerd op 135.200 euro.

In reconventie

2.9. Mutualis stelt dat het taxatierapport van Ruijters apert ondeugdelijk is doordat daarin ten onrechte de negatieve aspecten van de onroerende zaken geheel buiten beschouwing zijn gebleven. Op veel percelen staan watertorens of andere bouwwerken, waaraan nu of in de toekomst verplichtingen tot onderhoud of afbraak kleven. Mutualis stelt dat WML moest beseffen dat Ruijters die aspecten onvoldoende had belicht en dat zijn taxatie dus niet klopte. Door toch op dat rapport af te gaan en op basis van de resultaten Mutualis te beschuldigen en de publiciteit te zoeken (krantenartikelen: bijlage 2,7), heeft WML volgens Mutualis onrechtmatig jegens haar gehandeld. Zij vordert de door haar ter beperking van schade gemaakte kosten voor de taxaties van Bonnema en Frenken ad 12.692 euro exclusief omzetbelasting alsmede overige schade op te maken bij staat. Voorts vordert zij opheffing van het door WML gelegde beslag en plaatsing van een annonce in Dagblad de Limburger en de NRC met de tekst zoals in de vordering is opgenomen.

2.10. WML betwist dat het taxatierapport van Ruijters onjuist is. Zij wijst er voorts op dat zij haar beschuldigingen primair baseert op door Hoffmann en Deloitte geconstateerde feiten en omstandigheden en dat de taxatie van Ruijters vooral bevestigde wat in die onderzoeken naar voren kwam. WML stelt dat Mutualis niet aangeeft op welke wijze zij aan de publicatie van de in geding gebrachte artikelen zou hebben bijgedragen. WML stelt zelf de publiciteit niet te hebben gezocht en terughoudend te zijn gebleven met het ingaan op verzoeken tot informatie van journalisten.

3. De beoordeling

in conventie

Maakt het rapport Hoffmann onderdeel uit van de processtukken?

3.1. Mutualis stelt zich op het standpunt dat de rechtbank geen gebruik mag maken van het rapport Hoffmann. Als reden voert zij aan dat het een stuk van “enige honderden niet duidelijk gekopieerde en genummerde bladzijden” betreft. De betekenis ervan wordt niet toegelicht evenmin als dat opheldering wordt gegeven ter toelichting of staving van welke stelling het rapport bedoeld is.

3.2. WML merkt op dat het niet aan partijen, maar aan de rechter is om in geval van onduidelijkheid om opheldering te vragen. WML geeft als reden dat het rapport in het geding is gebracht de door Hoffmann naar boven gehaalde gegevens. Om de conclusies van het rapport te kunnen volgen, is het gehele rapport overgelegd. De conclusies van het rapport acht WML relevant voor de beoordeling van de positie van [A] ten opzichte van Mutualis ten tijde van de onderhandelingen, de totstandkoming van de schriftelijke koopovereenkomst en de betrokkenheid van [A] bij de doorverkoop van diverse door Mutualis weer doorverkochte percelen.

3.3. De rechtbank beschikt als bijlage 1,5 over een goed leesbaar, doorlopend genummerd rapport (62 bladzijden) met daaraan gehecht 48 bijlagen waar in de tekst van het rapport (telkens, per bijlage) naar verwezen wordt. Van procespartijen wordt verwacht dat zij hun stellingen door feiten en omstandigheden concretiseren en zo mogelijk onderbouwen met bewijsmiddelen. In dat verband staat het partijen vrij om hun stellingen met onderzoeksresultaten van door henzelf ingeschakelde deskundigen kracht bij te zetten. De rechtbank beschouwt het rapport Hoffmann als een dergelijk partij deskundig rapport, zodat het in beginsel in het geding kan worden gebracht en onderdeel van de processtukken kan uitmaken.

3.4. Het staat een partij vervolgens vrij om naar de inhoud en conclusies van een dergelijk rapport te verwijzen ter onderbouwing van haar stellingen. Van de wederpartij mag in dat geval worden verwacht dat zij de inhoud en conclusie van dat rapport zo nodig gemotiveerd betwist. De inhoud en omvang van het rapport Hoffmann zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig van omvang of verscheidenheid aan onderwerpen, dat Mutualis door het integraal in geding brengen ervan en door het algeheel verwijzen ernaar in haar verdediging wordt geschaad. Het bezwaar van Mutualis tegen het rapport Hoffmann wordt derhalve verworpen.

Het beoordelingskader

3.5. [A] ontleende zijn bevoegdheid om WML te vertegenwoordigen aan de hoedanigheid dat hij bij WML in dienstbetrekking was als rentmeester. Die functie bracht met zich mee dat hij namens WML onroerende zaken kocht en verkocht. In de relatie WML en [A] was geregeld dat de bevoegdheid van [A] om WML te vertegenwoordigen niet verder reikte dan transacties tot een geldbedrag van 250.000 euro alsmede dat voor bedragen tot genoemd bedrag de vertegenwoordigingsbevoegdheid was verbonden aan de (opschortende) voorwaarde dat de betreffende transactie intern goedgekeurd werd door de sectormanager van WML.

3.6. Mutualis mocht alleen aannemen dat [A] bevoegd was om WML als verkoper te binden voor de onderhavige transactie, als zij dit uit uitlatingen of handelingen van WML zelf mocht afleiden. Als dergelijke handelingen worden beschouwd het feit dat WML [A] als rentmeester heeft aangesteld en hem toestaat om met gebruikmaking van alle faciliteiten van WML (kantoor, telefoon, e-mail, ondersteuning) namens WML te handelen. Doordat (Mutualis wist dat) [A] al vele jaren rentmeester bij WML was en WML bij vele transacties vertegenwoordigde, mocht Mutualis aannemen dat [A] bevoegd was om namens WML met haar een verkooptransactie in orde en grootte als de onderhavige af te sluiten.

3.7. Het feit dat er bij WML een interne validatieprocedure gold, die in onderhavige transactie niet is nageleefd, doorbreekt de door bovengenoemde omstandigheden opgeroepen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet. Aan dit oordeel draagt bij dat niet gesteld of gebleken is dat Mutualis van deze interne validatieprocedure op de hoogte was of behoorde te zijn. Voorts is gebleken dat WML ook zelf er geen belang aan hechtte dat die interne goedkeuring strikt werd gevraagd. Tenslotte is de leveringsakte verleden ten overstaan van een notaris en mocht Mutualis erop vertrouwen dat deze zo nodig onderzoek zou doen naar de bevoegdheid van [A] om WML in deze te vertegenwoordigen, welk onderzoek kennelijk niet tot contra-indicaties heeft geleid.

3.8. Zowel bij volmacht als bij lastgeving kan de gevolgmachtigde of lastnemer slechts als wederpartij van de volmachtgever optreden (de zogenaamde Selbsteintritt) wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten is (art. 3:69 BW en art. 7:416 BW). Deze bepaling impliceert dat als de belangen die de gevolmachtigde namens de volmachtgever moet behartigen in strijd kunnen komen met de belangen van de gevolmachtigde als wederpartij, de volmacht ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat onder de “wederpartij” mede moet worden begrepen het hebben van een direct of indirect belang in de wederpartij. Een andere opvatting zou de wetsbepaling in veel gevallen zinledig maken, terwijl voorts de door de rechtbank aangenomen uitleg tot gevolg heeft dat de tegenstrijdig belangregeling zoals deze voor werknemers geldt, aansluit bij de tegenstrijdig belangregeling zoals deze op bestuurders van rechtspersonen van toepassing is.

3.9. Naar onderhavig geval vertaald betekent dat als [A] niet alleen als gevolmachtigde van WML optrad, maar tevens als belanghebbende bij Mutualis, de hem door WML gegeven volmacht om haar bij transacties te vertegenwoordigen, zich daartoe niet uitstrekte, tenzij de inhoud van de prestatie zo bepaald is dat tegenstrijdig belang niet aan de orde kan zijn. In het kader van deze normstelling dient derhalve te worden onderzocht of [A] mede als belanghebbende bij de koper Mutualis heeft gehandeld alsmede of de rechtshandeling waarom het ging in haar (on)bepaaldheid ruimte liet voor tegenstrijdig belang.

3.10. Als vastgesteld moet worden dat [A] in voren omschreven zin handelde met tegenstrijdig belang, ontbrak krachtens de wet de bevoegdheid tot vertegenwoordiging. Als vervolgens aangenomen moet worden dat Mutualis van dit tegenstrijdig handelen op de hoogte was, kan die onbevoegdheid in beginsel aan Mutualis worden tegengeworpen. In beginsel, omdat ook hier de hoofdregel geldt dat als Mutualis uit gedragingen of mededelingen van WML zelf mocht afleiden dat [A] desalniettemin bevoegd was om mede namens de koper op te treden, van deze verderstrekkende volmacht mag worden uitgegaan.

3.11. De ratio dat handelen met tegenstrijdig belang tot beperking of ontbreken van de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan leiden, is dat door dit handelen de kans op benadeling van de vertegenwoordigde toeneemt. Mutualis heeft met kracht gesteld dat van dergelijke benadeling in onderhavige procedure geen sprake is geweest. Gezegd moet evenwel worden dat in de betreffende wetsartikelen inzake volmacht en lastgeving de voorwaarde dat het handelen met tegenstrijdig belang daadwerkelijk nadeel heeft opgeleverd, niet is gesteld. Dat hieruit volgt dat die voorwaarde niet aan de orde is, vindt bevestiging in de voor bestuurders van vennootschappen verwante regeling van handelen met tegenstrijdig belang (art. 2:146 juncto 256 BW). In de daarover ontwikkelde jurisprudentie (met name Hoge Raad 29 februari 2008, LJN: BC2199) is het volgende uitgemaakt: “Voor de toepassing van de bepaling is niet vereist dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden, doch is voldoende dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming”.

3.12. Mutualis heeft het ontbreken van enig nadeel in conventie tot inzet van haar verdediging gemaakt. Met verwijzing naar met name het rapport van taxateur Frenken voert zij aan dat de tussen WML en Mutualis tot stand gekomen koopprijs in redelijke verhouding stond met de daadwerkelijke waarde van de gekochte en verkochte onroerende zaken en een eventueel tegenstrijdig belang van [A] dus niet tot enig nadeel voor WML heeft geleid. De vordering in reconventie steunt op de stelling dat WML wist of behoorde te weten dat de taxatie van Ruijters niet deugde en dat WML daarop niet had mogen afgaan. Gelet hierop zal de rechtbank zich aan de hand van alle aanwijzingen in het dossier tevens een oordeel vormen over de vraag van welke (bandbreedte in) waarde van de percelen kan worden uitgegaan en of er aanleiding is om dat verschil toe te schrijven aan het dubbele belang dat [A] had.

Belang van [A] bij Mutualis

3.13. Mutualis Beleggingen BV (eerder geheten Mutualis Ontwikkelingen BV) is op 4 januari 2008 opgericht. Aandeelhouders waren (voor 162 aandelen) [E] Beheer BV en (voor 18 aandelen) de levenspartner van [E]: mevrouw [H] (verder: [H]). [E] Beheer BV is op dezelfde 4 januari 2008 opgericht met [E] en [H] als aandeelhouders (bijlage 1,5,34). Naast [E] Beheer BV is tot de datum van de grondtransactie op 25 februari 2008 Rentmeesterskantoor Aerwinckel BV bestuurder. Ook deze vennootschap is op 4 januari 2008 opgericht met [E] Beheer BV als enig aandeelhouder en bestuurder. Vanaf 25 februari 2008 is Rentmeesterskantoor Aerwinckel BV als bestuurder vervangen door de heer [I] (verder: [I]). [I] is ondanks verzoek van de rechtbank bij vonnis van 22 september 2010, niet op de comparitie verschenen. Bovenstaande informatie is (hoofdzakelijk) ontleend aan het rapport Hoffmann (blz. 6) en door Mutualis niet bestreden. De rechtbank leidt uit deze informatie af dat [E] (al dan niet middellijk) de zeggenschap had in Mutualis.

3.14. Mutualis is opgericht (4 januari 2008) nadat de koopovereenkomst (24 december 2007) gesloten was. [I] is in de koopovereenkomst als comparant mede voor ‘nader te noemen meester’, zijnde nadien Mutualis, opgetreden. Uit informatie uit het kadaster door Hoffmann (blz. 57) blijkt dat ten tijde van totstandkoming van het rapport (8 oktober 2008) buiten de 21 van WML gekochte percelen slechts één ander natuurterrein in eigendom van Mutualis was verkregen.

3.15. Omtrent de reden van oprichting van Mutualis verklaart [A] tegenover Deloitte (zoals door WML op blz. 4 dagvaarding geciteerd en door Mutualis niet betwist):

Sinds de zomer van 2007 dacht de heer [E] al na over de oprichting van een eigen onderneming. Ik ben hiervan op de hoogte, omdat de heer [E] dit aan mij heeft verteld. Ik vond dat ook een interessant onderwerp. Ik heb er ook vaker wel eens aan gedacht om een eigen bedrijf te beginnen. In het kader van het uitwisselingsproject met Meander was ik werkzaam bij Meander vestiging Horn. Ik sprak regelmatig met de heer [E] op kantoor in Horn. (…) Toen zijn volgens mij wel eens de namen Aerwinckel en Mutualis genoemd. Hij heeft mij toen ook wel gevraagd of ik wilde participeren in zijn nog op te richten bedrijf, of dat ik misschien een stukje wilde financieren. Dat is waarschijnlijk geweest ergens in de periode augustus-september 2007. Ik heb dus wel met hem daarover gesproken, maar ik heb besloten niet te participeren in zijn nieuw op te richten onderneming.

3.16. Deloitte heeft op de privé computer van [A] een e-mailbericht aangetroffen dat op 12 augustus 2007 door [E] aan [A] was verzonden (bijlage 1,7). Aan die e-mail zaten als bijlagen onder andere een lijst met vraagpunten, waarvan één er luidde:

Hoe de Financiering en objecten verdelen? Uitgangspunt: Vastrentende objecten (Luikerweg en WTON) in C.V. en rest in Ontwikkel BV. Vergoeding in ontw. BV behaalde winsten aan optiehouder. Hoe?

3.17. Deloitte heeft op de privé computer van [A] tevens een e-mailbericht aangetroffen dat op 3 november 2007 door [A] aan het e-mail adres van [E] is verzonden en vanaf dat e-mail adres op 11 november 2007 met onder andere als commentaar: “Ziet er goed uit” aan [A] is teruggezonden (bijlage 1,8). Daaraan is als bijlage gehecht een (door [E] enigszins aangepaste) overeenkomst van geldlening tussen mevrouw [J] (de levenspartner van [A], verder: [J]) en (het latere) Mutualis voor een bedrag van 100.000 euro tegen een rente van 8% (bijlage 1,9). De e-mail bevat onder andere de volgende inhoud:

Hierbij het uitgewerkte overeenkomstje van de lening. Ik heb als voorbeeld genomen de overeenkomst die ik met [K] heb gemaakt en die weer kwam van jou en je vader. Ik heb daar wel de hypothecaire zekerstelling uitgehaald. (…) Wat betreft de optieovereenkomst welke we gisteren bespraken, ik zie jou voorstel wel tegemoet. Ga er maar vanuit dat ik gebruik maak van het recht, (op zijn vroegst op 1-9-2008 en) op zijn laatst op 1-3-2011, omdat dat de termijn is waarop ik nog bij WML zou kunnen werken. Ook kan erin staan dat partijen de aandelen eerst aan elkaar moeten aanbieden voordat deze verkocht kunnen worden.

In de concept leenovereenkomst is tevens een optierecht opgenomen. In die optie verleent Mutualis aan [J] het recht om tot 5 januari 2015 een gedeelte van 50% van de aandelen in Mutualis te kopen tegen een bedrag van 100.000 euro, welk bedrag met het leenbedrag kon worden verrekend.

3.18. [E] heeft op de comparitie verklaard dat de beoogde samenwerking na het sluiten van de koopovereenkomst (maar vóór de levering) is afgeblazen. Daarvan is geen nader bewijs aangedragen. Wel is door Deloitte in het bewijsbeslag een email van 27 maart 2008 van [A] aan [I] aangetroffen (derhalve na de koopovereenkomst en de levering) waarin [A] nauwkeurige instructies geeft over de verkoop(prijs) door Mutualis van een aantal percelen (bijlage 1,10). Een citaat:

Hoe om te gaan met [L].

• Gaarne hem bellen vandaag of morgen. Tel nummer (…) (Ik heb beloofd dat ik zou aandringen bij Mutualis op een contact met hem)

• Voorstel doen: hij kan 1500 m2 tuin kopen bij zijn zhuis a 30.=/m2, totaal 1500 m2 dus voor 45..000 euro (kan eventueel terug tot 40.000 euro als het maar een logisch stuk is wat hij eruit wil halen)

• Als hij het hele perceel wil kopen, dan kan dat ook, vraagprijs 125.000 euro (kan eventueel naar een laatprijs van 100.000 euro, maar dat is gezien de omstandigheid al best weinig)

Dus, vlam in de pijp en gas geven!!

3.19. Deloitte heeft bij gelegenheid van het bewijsbeslag op de privé computer van [A] een document aangetroffen (bijlage 1,11), waarop met betrekking tot activiteiten met betrekking tot meer dan tien verkochte percelen een tijdpad tussen augustus 2008 tot ver in 2010 is uitgezet en bij elke activiteit (huurcontract, onderhoud woning facturen maken enz.) is aangegeven “Wie uitvoer”, “Wie kontact” en “Wanneer Ma en jr”. Daarin is vaak en over het hele tijdvak uitgesmeerd naast de afkorting [..] (kennelijk horend bij [E]), [.] (kennelijk horend bij [I]) het initiaal [..] (kennelijk horend bij [A]) gebruikt.

3.20. De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven door WML in het geding gebrachte, en door Mutualis niet weersproken documenten en citaten is af te leiden dat [A] ten tijde van het tot stand komen van de koopovereenkomst niet alleen optrad namens de verkoper WML, maar ook belanghebbende was bij de koper Mutualis. Voorts is de rechtbank met verwijzing naar de nog nader te bespreken taxatierapporten van oordeel dat de koopovereenkomst met name qua prijs niet zodanig nauwkeurig vaststond, dat strijd tussen de beide belangen uitgesloten was. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat Mutualis, in de persoon van met name [E], op de hoogte was van deze belangenverstrengeling van [A] en haar (blijkens de in rechtsoverweging 3.15 geciteerde verklaring van [A]) zelfs heeft gestimuleerd. Tenslotte heeft WML onbetwist gesteld dat geen enkele andere medewerker binnen WML op de hoogte was van de transactie tussen [A] en Mutualis en WML (dus) op geen enkele wijze de indruk bij Mutualis heeft gewekt dat [A] bevoegd was om in deze dubbele hoedanigheid op te treden.

3.21. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [A] als werknemer met tegenstrijdig belang heeft gehandeld in de zin van art. 3:68 en 7:416 BW. Daardoor was hij niet langer bevoegd om WML in deze kwestie te vertegenwoordigen. Mutualis was van dit gebrek in bevoegdheid op de hoogte. [A] heeft WML derhalve rechtens niet gebonden. De vordering van WML tot verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen WML en Mutualis van 24 december 2007 en de notariële akte van levering tussen WML en Mutualis van 25 februari 2008 nietig zijn, komen voor toewijzing in aanmerking, waarmee tevens de vordering tot teruglevering toewijsbaar is.

Benadeling?

3.22. Makelaar Ruijters taxeert de onderhandse verkoopwaarde van alle verkochte percelen (in één koop) op 1.850.000 euro (bijlage 1,14, blz. 4). Deze taxatie wijkt aanmerkelijk af van de taxaties van Bonnema (bijlage 2,4) en Frenken (bijlage 2,5). Deze taxaties komen respectievelijk uit op 699.000 en 135.200 euro. Mutualis beroept zich met name op de juistheid van de taxatie van Frenken. In relatie met die taxatie zou de koopprijs van 115.003 euro zelfs aan de lage kant zijn geweest. Nu Mutualis ter onderbouwing van haar stelling dat de koopprijs reëel was, vooral verwijst naar de taxatie van Frenken, zal de rechtbank zich tot die taxatie beperken en zal bij de verdere beoordeling de taxatie van Bonnema buiten beschouwing worden gelaten.

3.23. Het verschil tussen de taxatie van Ruijters en van Frenken wordt met name gevormd doordat Frenken (in elk geval expliciet) rekening houdt met waardedrukkende effecten als gevolg van (toekomstige) afbraak en (tussentijds) onderhoud van op de percelen staande watertorens, putten en andere bebouwing. Frenken waardeert deze waardedrukkende verplichtingen op 1.115.000 euro. Bij 8 van de 21 percelen is Frenken zelfs van mening dat de opbrengst van het perceel niet opweegt tegen de te maken kosten en taxeert hij een zogenaamde negatieve waarde van 783.200 euro (bijlage 2, 5, blz. 7). Door deze hoge door de koper te maken kosten, komt hij uit op een verkoopprijs van 135.200 euro. Geabstraheerd van de nog te maken kosten, zou hij uitkomen op een waarde van 918.400 euro.

3.24. Binnen vijf maanden na de levering zijn vijf van de eenentwintig percelen door Mutualis doorverkocht. Daarbij is een opbrengst gegenereerd van 239.500 euro. Frenken heeft die vijf percelen (op moment van taxatie kende hij de verkoopprijzen) getaxeerd op 227.500 euro. In de visie van Frenken zouden de resterende percelen dus uiteindelijk een verlies van 92.300 euro opleveren. Mutualis sluit zich bij de taxatie van Frenken aan en benadrukt dat in de waarderingen van Ruijters onvoldoende rekening is gehouden met de kosten die na aankoop verbonden zijn aan onderhoud en verplichtingen tot afbraak.

3.25. De rechtbank merkt op dat de heer [E] op de comparitie op de vraag of hij dan (bij de aanname dat de nog in bezit van Mutualis zijnde percelen een negatieve waarde vertegenwoordigen) bereid zou zijn om die percelen om niet aan WML terug te leveren, onomwonden antwoordde dat hij daartoe niet bereid was omdat hij voldoende kansen zag om op die percelen nog winst te maken. Daarmee geeft [E] zelf blijk de waarde van de resterende percelen veel hoger in te schatten dan Frenken. Over de rapportage van Frenken is het volgende op te merken.

3.26. Een belangrijk object met een zogenaamde negatieve waarde betreft een buiten gebruik gesteld bedrijfscomplex (waterleidingbedrijf) met bijbehorende voormalige vrijstaande dienstwoning op 2.91 ha grond aan de Kesselseweg 42 en 44 te Helden. In de akte van aankoop van december 2007 is een verplichting tot sloop van de bedrijfscomplexen opgenomen, waarvan de kosten door Mutualis gesteld zijn op 500.000 euro. Frenken neemt de hoogte van die sloopkosten over en stelt tegenover deze kostenpost de te verwachten opbrengst van de grond tegen bosgrondwaarde: 0,75 euro per vierkante meter, hetgeen bij 27.600 vierkante meter neerkomt op 20.700 euro.

3.27. Voornoemde taxatie van Frenken is evenwel niet op de juiste informatie gebaseerd. Kennelijk heeft namelijk de gemeente Helden op 27 november 2007 aan [A] het volgende geschreven (processtuk 3, blz. 12):

Inleiding

In uw bovengenoemde brief vraagt u ons college te bevestigen dat beide bestaande woningen op het bedrijfsterrein van de WML aan de Kesselseweg te Helden in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied zullen worden bestemd als burgerwoning. Wij delen hierover het volgende mede.

Beslissing

Wij zullen in het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Helden, Kessel, Maasbree en Meijel aan de raad voorstellen om de woningen aan de Kesselseweg 40 en 44 te bestemmen tot wonen, mits u bereid bent om:

- Alle bestaande bebouwing op het terrein die geen functie meer heeft voor uw bedrijf, te slopen;

- Na sloop de gronden aan te planten en in stand te houden als bos, overeenkomstig een door ons college goed te keuren inrichtings-/ beplantingsplan,

Met dien verstande dat maximaal 1.000 m2 per woning zal worden bestemd tot wonen.

Dat Mutualis op de hoogte was van deze bestemmingswijziging onder voorwaarde, kan worden afgeleid uit een door Hoffmann op de computer van [A] aangetroffen mail van hem aan een medewerker van de gemeente Helden (met als datum 26 maart 2008) met onder andere de volgende inhoud:

WML heeft de koper, dhr. [I], geïnformeerd over de afspraken met de gemeente Helden. Het betekent concreet dat de afbraak van het filtergebouw annex pompenkamer, de opslagruimte en de oude kelder (dus de vervelende lelijke obstakels dus) zullen worden geregeld door de koper, mits er tenminste twee woningbouwbestemmingen in het nieuwe bestemmingsplan worden opgenomen, zoals wij hebben afgesproken. (…) Ik verwacht binnenkort bericht als belanghebbende voor het eerste concept-ontwerp. Ik ga ervan uit dat jullie met de nieuwe eigenaar ook contact opnemen. (…)

Naast het feit dat de waarde van bouwgrond van geheel andere orde is dan van bosgrond, betwist WML de hoogte van de sloopkosten en stelt dat een bedrag van 98.000 euro volstaat voor de sloop (bijlage 7,1). De rechtbank leidt uit het voorgaande in elk geval af dat de taxatie van Frenken onjuist is en dat niet van een negatieve waarde van dit object hoeft te worden uitgegaan.

3.28. Een ander perceel waaraan Frenken grote negatieve waarde toekent, is een perceel grond van 6,23 ha in Beesel (rapport Frenken bijlage 19). Frenken taxeert deze grond als bosgrond (0,65 euro per vierkante meter) en stelt daartegenover dat 200.000 euro nodig is om tot afbraak van een bedrijfsgebouw te komen, hetgeen resulteert in een negatieve waarde van 164.500 euro.

3.29. WML stelt dat Frenken over het hoofd heeft gezien dat dit terrein gelegen is naast een Landal Greenparks vakantiepark en dat [A] in het verleden met deze exploitant gesproken heeft over uitbreiding van dat vakantiepark door verwerving of huur van het betreffende terrein. In een bij [A] in het kader van bewijsbeslag aangetroffen e-mail namens Landal GreenParks aan [A] van 12 december 2007 (bijlage 13,22) schrijft de heer [M]:

In aansluiting op ons persoonlijk onderhoud van 6 december jl. kan ik u mededelen dat Landal GreenParks belangstelling heeft om nader onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden voor uitbreiding van de verhuurcapaciteit. Hiervoor kunnen de mogelijke percelen in aanmerking komen zoals wij vorige week bespraken. In hetgeen vorige week door mij gesteld, is echter geen verandering opgetreden. Het onderzoek dat hiervoor intern verricht moet worden kan niet geforceerd vervroegd worden. (…)

3.30. In een in de woning van [A] gevonden (versie van een) ‘aandachtpuntenlijst’ (bijlage 1,12) staat bij dit object aangegeven achter ‘verkoop’: ‘Landal’; in het indicatieoverzicht (bijlage 1,13) staat een opbrengst voor dit perceel opgenomen van 400.000 of 150.000 euro. De rechtbank is van oordeel dat uit de prijsstelling in het door [E] / Mutualis opgemaakte indicatieoverzicht volgt dat Mutualis op de hoogte was van de gerede kans dat Landal het perceel zou willen verwerven of huren voor een kennelijk hogere prijs dan de grond los van haar ligging waard was. Daarmee kan de taxatie van Frenken, die met dit aspect geen rekening heeft gehouden, niet gevolgd worden.

3.31. Voorts wijst WML erop dat in een bij [A] aangetroffen eerdere versie van de koopovereenkomst van 26 november 2007 (bijlage 13,20) dit perceel nog niet in de concept koopovereenkomst was opgenomen, maar in die van 21 december 2007 (bijlage 13,21) wel. Hieruit is af te leiden dat dit perceel in de koopovereenkomst is opgenomen nadat [A] bij Landal GreenParks had geïnformeerd (en kennelijk aandrong op snelle besluitvorming) over verwerving of huur van het perceel van WML.

3.32. Een laatste voorbeeld waaruit voor de rechtbank blijkt dat de taxatie van Frenken niet overeenstemt met de werkelijkheid, is te ontlenen aan de taxatie van een perceel grond van 694 vierkante meter in Simpelveld (bijlage 11 bij het rapport van Frenken). Dit perceel, alwaar een verzinkte put ligt, is bestemd voor woningbouw. Frenken waardeert de opbrengst van die grond op 104.544 euro, maar taxeert de kosten van afbraak van de verzinkte put op 101.617 euro, zodat een totale taxatie uitkomt op afgerond 2.500 euro. Door Hoffmann is echter op de computer van [A] (bij WML) met betrekking tot dit perceel een (als bijlage aan een e-mail van [A] aan zichzelf privé op 21 maart 2008 verzonden) koopovereenkomst met [N] aangetroffen, waarin deze grond voor 55.000 euro werd verkocht. Hoewel deze verkoop uiteindelijk niet is doorgegaan, is de discrepantie tussen de door Frenken getaxeerde waarde en de ogenschijnlijk te realiseren waarde zodanig dat de taxatie van Frenken niet kan worden gevolgd.

3.33. De voorgaande drie voorbeelden leveren ten opzichte van het taxatierapport van Frenken (dat uitkomt op 134.500 euro) een extra waarde op van 500- tot 700.000 euro. In de gegeven voorbeelden is de taxatie van Frenken aantoonbaar door partijafspraak (Helden), ligging en gesprekken (Landal Greenparks te Beesel) en praktijk (Simpelveld) te laag gebleken. Dat van een hogere waarde van de verkochte percelen kan worden uitgegaan, volgt ook uit het volgende.

3.34. In het kader van bewijsbeslag heeft Deloitte in de administratie van [A] een overzicht aangetroffen (bijlage 1,13), waarop 18 van de 21 verkochte percelen zijn genoemd met onder “indicatie” bedragen, die volgens dat overzicht uitkomen op 1.920.000 euro, maar bij gecorrigeerde telling op 1.865.000 euro. De hierop terug te vinden waardes van 4 van de 5 kort na aankoop door Mutualis doorverkochte percelen stemmen nagenoeg overeen met de bij verkoop gerealiseerde waardes (zie processtuk 3, blz. 7), hetgeen als een indicatie voor de juistheid van alle in het indicatieoverzicht aangetroffen waarderingen kan worden beschouwd. Voorts benadert de totale opbrengst van het door [E] en [A] zelf opgestelde indicatieoverzicht de hoogte van de taxatie van Ruijters, hetgeen een argument vormt om van de juistheid van de taxatie van Ruijters uit te gaan.

3.35. Uit al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de daadwerkelijke waarde van de verkochte percelen zeer aanzienlijk hoger was dan de door Mutualis betaalde aankoopprijs. De door Mutualis gestelde negatieve aspecten worden naar het oordeel van de rechtbank teveel benadrukt en spelen bij de taxatie van Frenken kennelijk een grotere rol dan de aan de objecten verbonden positieve aspecten. De hierboven besproken kennelijk onjuiste waarderingen in dat rapport tasten de geloofwaardigheid van de taxatie aan. Gelet op het door [E] en [A] zelf opgestelde overzicht van indicatieve opbrengsten en het feit dat die geïndiceerde opbrengst de taxatie van Ruijters benadert, dient de stelling in reconventie van Mutualis dat die taxatie van Ruijters zo evident onjuist en ondeugdelijke was dat WML niet van de juistheid ervan mocht uitgaan, te worden verworpen.

3.36. Uitgaande van een werkelijke waarde van de percelen van (veel) meer dan 600.000 euro, in combinatie met het feit dat vrijwel direct na aankoop al een deel van de percelen voor meer dan het dubbele van de aankoopprijs kon worden verkocht, rechtvaardigt de conclusie dat de transactieprijs tussen WML en Mutualis lager is geweest dan zakelijk noodzakelijk was. Mede in aanmerking genomen de gang van zaken zoals deze hierboven beschreven is met betrekking tot de verwerving van de percelen in Helden en Reuver, leidt dit tot de conclusie dat de bij tegenstrijdig belang veronderstelde kans op nadeel zich in onderhavige situatie daadwerkelijk heeft vervuld.

In conventie en in reconventie

3.37. Het voorgaande leidt tot toewijzing van de vordering in conventie tot verklaring voor recht dat de koopovereenkomst en de leveringsakte nietig zijn. Voorts komt de vordering tot volmacht tot teruglevering van de aan Mutualis geleverde percelen, voor zover deze nog bij Mutualis in bezit zijn, voor toewijzing in aanmerking. Ook de vordering tot afdracht van de gerealiseerde opbrengst voor de reeds verkochte percelen minus de betaalde koopprijs voor de gehele transactie zal worden toegewezen.

3.38. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld dat voorafgaand aan de procedure werkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder de werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling uit hoofde van de artikelen 238 en 239 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding pleegt in te sluiten.

3.39. De vordering in reconventie zal worden afgewezen op grond van wat is overwogen in rechtsoverweging 3.35.

3.40. Mutualis zal zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten van WML worden veroordeeld. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal in reconventie geen afzonderlijke kostenveroordeling worden uitgesproken, maar zullen uitsluitend aan reconventie gewijde proceshandelingen op de helft gewaardeerd worden van proceshandelingen in conventie. Voor wat betreft de advocaatkosten zal worden aangesloten bij het standaardtarief per proceshandeling dat hoort bij vorderingen tussen de 390.000 en 1.000.000 euro, zijnde 2.580 euro per proceshandeling, waarbij het aantal proceshandelingen wordt gesteld op 5 punten (dagvaarding, conclusie van antwoord in reconventie (0,5), comparitie, conclusie van repliek in conventie, conclusie van dupliek in reconventie (0,5) en pleidooi). Ook de beslagkosten zullen worden toegewezen, waarbij de advocaatkosten op 1 punt zullen worden gesteld.

4. De beslissing

De rechtbank

In conventie

4.1. verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen WML en Mutualis van 24 december 2007 en de notariële akte tussen WML en Mutualis van 25 februari 2008 niet zijn;

4.2. machtigt WML om ingevolge het bepaalde in art. 3:299 BW namens Mutualis over te gaan tot (terug)levering van de volgende percelen:

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (akkerbouw) staand en gelegen op het adres Rijksweg A2 te Born, kadastraal bekend gemeente Born, sectie I nummer 1430, groot 8 are 30 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Walsbergweg te Beesel, kadastraal bekend gemeente Beesel, sectie A nummer 883, groot 95 are 85 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Lamperveld te Beesel, kadastraal bekend gemeente Beesel, sectie A, nummer 2007, groot 90 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Walsbergweg te Beesel, kadastraal bekend gemeente Beesel, sectie A, nummer 2588, groot 3 hectare en 50 are;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Beeselseweg te Beesel, kadastraal bekend gemeente Beesel, sectie A, nummer 2591, groot 2 hectare 26 are 30 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (akkerbouw) staand en gelegen op het adres Sint Geertruiderweg te Eijsden, kadastraal bekend gemeente Eijsden, sectie H nummer 465, groot 91 are 37 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Houthuizerweg te Lottum, kadastraal bekend gemeente Grubbenvorst, sectie K nummer 213, groot 6 hectare 87 are 91 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur)staand en gelegen op het adres Keuperheide te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 1840, groot 1 hectare 20 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Keuperheid te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 2291, groot 62 are 50 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Kesselse Bergen te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 2648, groot 55 are 20 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Keuperheide te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 3120, groot 3 are 60 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Keuperheide te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 4993, groot 4 hectare 26 are 70 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Keuperheide te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 5084, groot 5 hectare 17 are 60 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Keuperheide te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 5085, groot 8 hectare 26 are 20 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Kemperheid te Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 5112, groot 1 hectare 43 are 50 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Kesselseweg 42 te (5988 NE) Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 5392, groot 1 hectare 20 are 20 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving wonen terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Kesselseweg 44 te (5988 NE) Helden, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie D nummer 5393, groot 1 hectare 70 are 80 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Apenbroek te Heel, kadastraal bekend gemeente Heel en Panheel, sectie A nummer 537, groot 66 are;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Catert te Heel, kadastraal bekend gemeente Heel en Panheel, sectie A nummer 845, groot 25 are 5 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving bedrijvigheid (nutsvoorziening) staand en gelegen op het adres Heerlerbaan 2 te (6418 CG) Heerlen, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie K nummer 4158, groot 5 are 90 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Valkenburgseweg te Heerlen, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie L nummer 1184, groot 71 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Breukerweg te Heerlen, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie R nummer 1509, groot 1 are 90 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Spoorweg te Heerlen, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie R nummer 2448, groot 20 are 85 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (grasland) staand en gelegen op het adres Prins Bernhardstraat 42 te (6461 KG) Kerkrade, kadastraal bekend gemeente Kerkrade, sectie B nummer 10294, groot 12 are 50 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (grasland) staand en gelegen op het adres Pastoor Theelenstraat 19 te (6466 JG) Kerkrade, kadastraal bekend gemeente Kerkrade, sectie K nummer 2026, groot 12 are 9 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving wonen terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Luikerweg 77 te (6212 NH) Maastricht, kadastraal bekend gemeente Sint Pieter, sectie B nummer 4366, groot 18 are 50 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Heythuyserweg te Roggel, kadastraal bekend gemeente Roggel, sectie H nummer 194, groot 5 hectare 1 are 30 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (natuur) staand en gelegen op het adres Heythuyserweg te Roggel, kadastraal bekend gemeente Roggel, sectie H nummer 195, groot 1 hectare 23 are 50 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving terrein (grasland) staand en gelegen op het adres Koeweg te Roosteren, kadastraal bekend gemeente Roosteren, sectie F nummer 1352, groot 4 hectare 13 are 15 centiare;

- het registergoed met kadastrale omschrijving bedrijvigheid (nutsvoorziening) staand en gelegen op het adres Gilissenstraat te Simpelveld, kadastraal bekend gemeente Simpelveld, sectie E nummer 724, groot 6 are 94 centiare;

4.3. veroordeelt Mutualis om aan WML te voldoen het bedrag van € 124.497,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2008 tot aan de dag van voldoening;

In reconventie

4.4. wijst het gevorderde af;

in conventie en in reconventie

4.5.veroordeelt Mutualis in de proceskosten van WML, welke tot op heden worden begroot op:

€ 2.880,00 aan griffierecht,

€ 677,97 aan explootkosten,

€ 15.480,00 aan advocaatkosten;

4.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, mr. M.M. Vanhommerig en mr. J.F.C. Schnitzler en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

Type: HD?