Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BV9576

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
04/650256-09, hoofdzaak
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:5227, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte ontkent wetenschap hennepkwekerij onder zijn zwembad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/650256-09

Datum uitspraak : 20 maart 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2010, 3 november 2010 en 6 maart 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat, na wijziging van de tenlastelegging, terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010 te [plaats], in elk geval in de gemeente(n) [gemeente], opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2476, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010, te [plaats], in elk geval in de gemeente(n) [gemeente], althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010 te [plaats], in elk geval in de gemeente(n) [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie en/of gas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 22 juli 2010 te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft ter terechtzitting d.d. 19 oktober 2010 aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig dient te worden verklaard, nu dit feit onvoldoende feitelijk is omschreven. De tenlastelegging is dermate onduidelijk dat niet is voldaan aan de eisen die gesteld zijn in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank merkt op dat gezien artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering de tenlastelegging in ieder geval als doel heeft de verdachte te informeren over wat hem wordt verweten zodat hij weet waartegen hij zich heeft te verdedigen. De rechtbank is van oordeel dat feit 2 voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven, zeker gelet op de context waarin het feit ten laste is gelegd en tegen de achtergrond van dit dossier. Voorts blijkt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat het misdrijf niet nader hoeft te worden aangeduid of omschreven. Volstaan kan worden met de vermelding van het feit dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Voor verdachte is het in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank duidelijk wat hem wordt verweten.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting d.d. 19 oktober 2010 aangevoerd dat op grove wijze tekort is gedaan aan de belangen van verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat na de sluiting van het dossier er nog een getuige, dhr. [getuige 1], door de politie is gehoord. [getuige 1] heeft een ontlastende verklaring in deze zaak afgelegd. De officier van justitie heeft de taak alle stukken aan het dossier toe te voegen, ook de verklaring van [getuige 1]. De officier van justitie heeft deze verklaring echter niet aan het dossier toegevoegd.

Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de gehanteerde opsporingsmethoden alleen in de richting van verdachte zijn ingezet. Uit het dossier blijkt niet van wie de telefoons zijn, die in beslag zijn genomen en zijn uitgelezen. Er wordt gewoon aangenomen dat deze telefoons van verdachte zijn. Tevens blijkt niet uit het dossier op grond waarvan de camera voor de woning aan de [adres] te [plaats] is opgehangen waarmee gedurende een korte periode is geobserveerd. Volgens de raadsman is er alleen naar verdachte toegewerkt waardoor een tunnelvisie is ontstaan.

Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting van 6 maart 2012 aangevoerd dat de twee verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], bij de rechter-commissaris niet naar waarheid hebben verklaard. De verbalisanten verklaren stellig dat [betrokkene] niet langer dan een uur is weggeweest van de plek waar de graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dit komt niet overeen met de printgegevens van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer dat [betrokkene] in gebruik had op 6 oktober 2010. In deze zaak wordt niet de juiste informatie door de verbalisanten aangeleverd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat in deze zaak niet meer kan worden vertrouwd op het woord en geschrift van beide verbalisanten. Op grond van vorenstaande is er volgens de raadsman sprake van een dusdanige grove veronachtzaming van de belangen van verdachte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt allereerst dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie slechts kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie op 19 oktober 2010 niet op de hoogte was van de getuigenverklaring van [getuige 1], waardoor geen sprake is van het doelbewust achterhouden van deze verklaring door de officier van justitie. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de toelichting gegeven dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en dat het niet toevoegen van deze verklaring aan het dossier als een incident dient te worden beschouwd. De getuigenverklaring van [getuige 1] is tijdens diezelfde zitting alsnog aan het dossier toegevoegd, op grond waarvan ook niet meer kan worden gesteld dat de belangen van verdachte zouden zijn geschaad.

Voorts heeft de rechtbank in deze zaak niet het beeld gekregen dat sprake is van een eenzijdige opsporing enkel gericht op verdachte met het – zo begrijpt de rechtbank – vooropgezette doel hem te beschadigen. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling van de verdediging feitelijk onjuist is nu uit het dossier blijkt dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van anonieme meldingen waarin de naam van verdachte werd genoemd, er metingen zijn verricht, er CIE informatie aanwezig was en er ook een baken onder de auto van een andere verdachte is geplaatst.

Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat de verbalisanten tegenover de rechter-commissaris in strijd met de waarheid verklaringen hebben afgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Inderdaad zijn ten aanzien van een aantal aspecten discrepanties vast te stellen in de verklaringen van enerzijds de verbalisanten en anderzijds de andere twee getuigen. De rechtbank kan de conclusie van de raadsman, dat het juist de verbalisanten zijn die zouden hebben gelogen, niet delen omdat naar haar oordeel geen objectieve gegevens door de raadsman zijn aangevoerd die deze stelling onderbouwen.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte inbreuk maken op diens recht op een eerlijke behandeling.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 19 oktober 2010 gevorderd dat het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.

7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd.

Uit het dossier blijkt dat de amfetamine in een ruimte op de bovenverdieping van de woning is aangetroffen (foto’s pagina 699 en 708). Deze ruimte is niet nader gespecificeerd. Op 20 juli 2010, 2 dagen voordat de amfetamine is aangetroffen, waren er meerdere mensen op een barbecue aanwezig in de woning van verdachte. Verdachte heeft een groot huis waarvan niet veel kamers worden benut. Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat het verdachte is geweest die de amfetamine opzettelijk onder zich heeft gehad. Het enkel aanwezig hebben van de amfetamine in zijn woning, bewijst de wetenschap van verdachte niet. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Samenvatting van de bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt onder meer het volgende: ‘Op 22 juli 2010 begaf ik mij naar de woning [adres] te [plaats]. In de slaapkamer van de woning werden een man en vrouw aangetroffen. De man werd door mij, verbalisant, herkend als de bewoner zijnde: [verdachte].’

[getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard: ‘Het pand [adres] te [plaats] is weliswaar van mij doch toen ik het pand van [verdachte] kocht in 1998 werd notarieel vastgelegd dat [verdachte] het recht van vruchtgebruik voor de rest van zijn leven zou hebben. [verdachte] is daarmee de gebruiker van dat pand geworden. Ik weet dat [verdachte] daar veelal was en woonde. De huur wordt thans nog steeds door [verdachte] betaald. Dat is € 2.000,- per maand.’

[getuige 3] heeft het volgende verklaard: ‘Ik kom daar al een jaar of vijf of zes. Altijd als ik daar kwam was [verdachte] daar. Ik kwam daar soms enkele keren per week, maar dan kwam ik daar weer enkele maanden niet. De keren dat ik daar kwam trof ik altijd [verdachte].’

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt onder meer het volgende: ‘Op voornoemd adres [adres] te [plaats], gemeente [gemeente], stonden drie personen ingeschreven op 11 augustus 2009:

-[verdachte];

-[betrokkene 2];

-[betrokkene 3].’

Uit het GBA van de gemeente [gemeente] blijkt onder meer:

‘Naam: [betrokkene 3]

Voornamen: [namen]

Historische adressen:

Vanaf: [datum]

Adres: [adres]

Vanaf: [datum]

Adres: [adres].’

Uit het GBA van de gemeente [gemeente] blijkt onder meer:

‘Naam: [betrokkene 2]

Voornamen: [namen]

Historische adressen:

Vanaf: [datum]

Adres: [adres]

Vanaf: [datum]

Adres: [adres].’

Aantreffen hennepkwekerij in ondergrondse ruimte

Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende: ‘Op 22 juli 2010 hebben wij een onderzoek ingesteld op locatie [adres] te [plaats], binnen de gemeente [gemeente], waarbij het volgende is bevonden. Naar aanleiding van de informatie dat er een ondergrondse kweekruimte beschikbaar zou zijn, werden onder een partytent, gelegen rechts naast de woning, enkele ongelijk liggende tegels aangetroffen. Na verwijdering hiervan werd onder een zandlaag een geheime ingang aangetroffen die toegang gaf tot een grote ondergrondse ruimte, met een afmeting van 8 bij 20 meter toegankelijk via een ladder. De ondergrondse ruimte was verdeeld in vier ruimten, waarvan drie ruimten ingericht en gebruikt als hennepkwekerij. In de vierde ruimte was eerder vermoedelijk hennep geknipt en stekken opgepot.’

Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen blijkt onder meer het volgende: ‘De ondergrondse ruimte had afmetingen van 20 x 8 meter. Deze ondergrondse ruimte was verdeeld in vier ruimten. Deze ondergrondse ruimte was gesitueerd onder het zwembad in de tuin van genoemde woning. Ten aanzien van de ruimte 1, 2 en 3 kan worden gesteld dat deze ruimten eerder met zekerheid waren gebruikt als locaties waarin hennep was gekweekt. Dit bleek onder meer uit het feit dat op de actiedag (22-07-2010) in deze ruimten de complete ‘hardware’ van een hennepkwekerij nog volledig intact was. De stelling dat in deze ruimten eerder hennep was gekweekt, kan verder worden onderbouwd door het feit dat in ruimte 1, bovenop een aan de wand opgehangen elektrische gevelkachel een lege doch gebruikte plastic henneppot werd aangetroffen. Deze pot had afmetingen van 20x20 centimeter. Opvallend was dat op de vloeren in de ruimten 1, 2 en 3 afdrukken zichtbaar waren van gebruikte potten. Deze afdrukken kwamen exact overeen met de afmeting van de aangetroffen lege henneppot. Gelet op het feit dat deze afdrukken nog redelijk zichtbaar waren op de vloeren van de ruimten 1, 2 en 3 kon redelijk nauwkeurig worden vastgesteld hoeveel henneppotten in deze ruimten hadden gestaan. Op de vloer van ruimte 2 waren duidelijk zichtbaar de afdrukken van henneppotten. In deze ruimte was eerder in het midden een looppad geweest met een breedte van ongeveer 80 centimeter. Aan weerszijden van dit looppad waren de afdrukken van acht henneppotten zichtbaar. Aan de hand van deze afdrukken kon worden berekend dat in deze ruimte aan één zijde van het looppad 8 rijen potten hadden gestaan. In één rij stonden ongeveer 65 potten achter elkaar. Aan één zijde langs het looppad hadden dus ongeveer 65 x 8 is 520 potten gestaan. Omdat aan weerszijden van het looppad potten hadden gestaan waren in ruimte 2 dus eerder 2 x 520 potten is in totaal 1.040 potten gestaan. Uitgaande van de veronderstelling dat in iedere gebruikte pot één hennepplant werd gekweekt had de ruimte 2 dus een kweekcapaciteit van 1.040 planten per oogst. Ook in ruimten 1 en 3 waren afdrukken van henneppotten zichtbaar op de vloeren.

Ten aanzien van ruimte 1 kan worden gesteld dat ook hier een looppad zichtbaar was met een breedte van ongeveer 60 à 80 centimeter. Ook was in deze ruimte de ingang van de ondergrondse kelder. Dezerzijds wordt aangenomen dat 1,30 meter niet gebruikt werd voor hennepteelt. Verder was in ruimte 1 de situatie ten aanzien van het looppad, de afmetingen van het looppad en de ruimte bestemd voor de potten identiek als de situatie in de hiervoor beschreven ruimte 2. Daarom mag worden aangenomen dat ook deze ruimte een kweekcapaciteit had van 1.040 planten per oogst.

Vanuit ruimte 1 kon men, na opening van een zware stalen deur, ruimte 3 betreden. Deze ruimte had een oppervlakte van ongeveer 8 x 3 meter. Ook op de vloer van deze ruimten waren potafdrukken zichtbaar. Dezerzijds wordt ervan uitgegaan dat 1.40 meter niet werd gebruikt ten behoeve van hennepteelt doch werd gebruikt als doorgang van ruimte 1 naar ruimte 4. Uitgaande van een breedte van ongeveer 60 centimeter ten behoeve van het looppad was er aan weerszijden van het looppad nog 1.20 meter ruimte over waar 6 rijen potten konden staan. Over een lengte van 6.60 meter hadden dus eerder 33 potten gestaan. Aan één zijde van het looppad van ruimte 3 hadden dus 33 x 6 is 198 potten gestaan. In totaal hadden in ruimte 3 dus 2 x 198 is 396 potten/planten gestaan. Per vierkante meter konden 25 potten/planten worden geplaatst.

In ruimte 4 was vermoedelijk geen hennep gekweekt.

Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de ruimten 1, 2 en 3 werd beschreven, hadden deze ruimten een kweekcapaciteit van:

Ruimte 1: 1.040 potten/planten

Ruimte 2: 1.040 potten/planten

Ruimte 3: 396 potten/planten

Totaal: 2.476 potten/planten

Naast het feit dat de ruimten 1, 2 en 3 qua ‘hardware’ professioneel waren ingericht als hennepkwekerij kan ook anderzijds worden aangetoond dat eerder in deze ruimten daadwerkelijk hennep was geteeld. Dit bleek onder andere uit het navolgende.

Allereerst werd door ons vastgesteld dat op de (droge delen van de) vloeren van alle ruimten resten van potgrond lag. Verder werd door ons in ruimte 1 een grijze plastic zak aangetroffen. In deze zak waren naast gebruikte stekpluggen duidelijk hennepresten aanwezig. De hennepresten bestonden uit hennepblaadjes en stengelresten. Ook op de tafel in ruimte 4 waren hennepresten, in de vorm van gedroogde hennepblaadjes, aanwezig.’

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek blijkt voorts: ‘Op 22 juli 2010 vond er op het adres [adres] te [plaats] een onderzoek plaats naar de aanwezigheid van een verborgen hennepkwekerij. Op verzoek van het onderzoeksteam stelden wij een onderzoek in, in de aangetroffen ondergrondse ruimte. Wij zagen dat de ruimten 1 en 2 waren ingericht als hennepplantenkwekerij. Ambtshalve is ons bekend hoe dergelijke kwekerijen zijn ingericht. Wij zagen dat er groeilampen aan de plafonds hingen en dat er tegen de wanden gevelkachels geplaatst waren. Verder zagen wij voor de hennepkwekerij specifieke filterinstallaties in beide ruimten. Wij zagen dat er geen planten meer in de ruimten stonden. We zagen op de vloer duidelijke aftekeningen van plantenpotten, die kort tegen elkaar geplaatst hebben gestaan. Tussen de buizen op ongeveer 20 cm boven de vloer werden door ons op twee plaatsen plantaardige resten aangetroffen die wij herkenden als delen van hennepplanten. In ruimte 1 werd door ons een zak aangetroffen met daarin plantaardige resten en steenwolpluggen voor de stekken die wij herkenden als hennep. Na onderzoek bleek dat het plantaardig materiaal positief reageerde op de ODV kleurreactietest voor hennep. In ruimte 2 werd op een gevelkachel een snoeischaar aangetroffen. Na onderzoek bleek dat er plantaardig materiaal op zat dat positief reageerde op de ODV kleurreactietest voor hennep. De sporen zijn veiliggesteld voor nader onderzoek.’

Betrokkenheid bouw zwembad

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen heeft getuige [getuige 4] het volgende verklaard: ‘Ongeveer zes jaar geleden kwam [verdachte] bij mij thuis en hij vertelde dat hij een zwembad wilde gaan bouwen en daarvoor betonbekisting nodig had. [verdachte] wilde betonbekisting van mij huren en dan zelf de werkzaamheden verrichten. Vervolgens heb ik de bekistingsmaterialen naar zijn woning aan de [adres] te [plaats] geleverd. Bij het lossen van de materialen werd ik geholpen door [verdachte] en enkele voor hem werkende Polen. Bij die gelegenheid heb ik ook het gat gezien dat hij had gegraven voor het zwembad. Ik weet nog wel dat het gat was gegraven naast de woning, eigenlijk aan de achterkant van de garage. [verdachte] was opdrachtgever en betaalde mij ook.’

De getuige [getuige 5] heeft onder meer verklaard: ‘Het is wel zo dat ik zelf in december 2003 met een kraan van ons bedrijf een groot gat heb gegraven op het perceel [adres] te [plaats]. Het grondwerk heb ik zelf gedaan. Ik heb dat gedaan in opdracht en voor rekening van [verdachte]. Het gat dat door mij werd gegraven had afmetingen van 10 bij 20 meter en was ongeveer 1,5 tot 2 meter diep.’

De getuige [getuige 6] heeft onder meer verklaard: ‘Ergens in 2004 hebben mijn broer [naam] en ik een zwembad gemaakt in [plaats] aan de [adres]. Wat ons wel opviel was dat de bekisting voor het storten van het zwembad erg lang was. Het was een bekisting van 2,5 meter hoog, terwijl het zwembad zelf maar pakweg 1,40 meter diep werd. Het is onhandig om een dergelijk grote bekisting te gebruiken. De eerste keer dat we daar kwamen werden we opgevangen en te woord gestaan door [verdachte].’

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt het volgende: ‘Bij de constructie van de ondergrondse ruimte, welke afmetingen hadden van 20 x 8 meter en 2,5 meter hoog, was een grote hoeveelheid betonmortel gebruikt. Tijdens het onderzoek werd onder andere de herkomst van de gebruikte betonmortel onderzocht. Op 15 september 2009 sprak ik, verbalisant, met dhr. [naam], bedrijfsleider van [bedrijfsnaam] deelde mij mede dat op 15 maart 2004 door [bedrijfsnaam] betonmortel werd afgeleverd op het adres [adres] te [plaats]. Die betonmortel werd gefactureerd aan de aannemer van het zwembad, [aannemer]’

De getuige [getuige 7] heeft het volgende verklaard: ‘Sinds 1 januari 2007 heb ik het bedrijf [aannemer]. overgenomen. In de administratie heb ik de desbetreffende nota gevonden van het project [adres] te [plaats]. Aan de factuur kan ik zien dat [aannemer] hier alle benodigdheden voor de opbouw van het zwembad heeft geleverd, met uitzondering van de bouwkundige voorziening. Het was in ieder geval een Nederlander die ons voor deze onderhoudswerkzaamheden opdracht heeft gegeven. Het kan kloppen dat dit [verdachte] was.’

Gebruik Volkswagen Caddy

Getuige [getuige 8] heeft het volgende verklaard: “[verdachte] woont op de [adres] te [plaats]. [verdachte] maakt gebruik van een zilveren Volkswagen Caddy.”

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen onder meer: ‘Op 19 september 2009 had ik verbalisant op het politiebureau van de politie [gemeente] een gesprek met [verdachte]. Ik zag door het raam van mijn kantoor op het voornoemde politiebureau dat [verdachte] aan kwam rijden in een grijze Volkswagen Caddy, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken]. Nadat het gesprek was beëindigd, heb ik nog gekeken hoe [verdachte] wegreed. Ik zag dat hij toen als bestuurder van de voornoemde Caddy weg reed.

De maanden die daarop volgden heb ik [verdachte] nog zeker drie maal zien rijden in de voornoemde Caddy, veelal in de omgeving van [adres]. [verdachte] bestuurde dan telkens de Caddy.’

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt het volgende: ‘Op 22 juli 2010 werd onder leiding van de rechter-commissaris de woning van verdachte [verdachte] doorzocht. Bij deze gelegenheid werd in beslag genomen: een auto, Volkswagen, Caddy, voorzien van het kenteken [kenteken], kleur grijs. Dit voertuig werd inbeslaggenomen omdat in de bagage- of laadruimte van dit voertuig een hoeveelheid hennepafval werd aangetroffen op grond waarvan geconcludeerd kon worden dat dit voertuig eerder was gebruikt voor het transporteren van hennep.’

Aantreffen hennepresten woning

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt onder meer het volgende: ‘Op 22 juli 2010 heb ik in het perceel [adres] te [plaats] een onderzoek ingesteld naar de daar aangetroffen apparatuur en bedrijfswagen. In de garage werd een vacuümmachine aangetroffen van het merk Henkelmann. Op deze vacuümmachine zag ik restsporen van hennep. Ik heb door middel van een veegmonster de restsporen aangebracht op een testpapier en heb ik een zogenaamde kleurreactietest uitgevoerd. Ik zag dat deze verkleurde. De restsporen betroffen de vermoedelijke substantie hennep. In de garage werd een weegschaal aangetroffen. Op deze vacuümmachine (de rechtbank leest: weegschaal) zag ik restsporen van hennep. Ik heb door middel van een veegmonster de restsporen aangebracht op een testpapier en heb een zogenaamde kleurreactietest uitgevoerd. Ik zag dat deze verkleurde. De restsporen betroffen de vermoedelijke substantie hennep. In de garage werd een bedrijfswagen van het merk Volkswagen, voorzien van het kenteken [kenteken] aangetroffen. In de laadruimte van deze bedrijfswagen heb ik door middel van een veegmonster de restsporen aangebracht op een testpapier en heb ik een zogenaamde kleurreactietest uitgevoerd. Ik zag dat deze verkleurde. De restsporen betroffen de vermoedelijke substantie hennep. In de opslagruimte verbonden aan de woning werd een vacuümmachine aangetroffen van het merk Henkelmann. Op deze vacuümmachine zag ik restsporen van hennep. Ik heb door middel van een veegmonster de restsporen aangebracht op een testpapier en heb een zogenaamde kleurreactietest uitgevoerd. Ik zag dat deze verkleurde. De restsporen betroffen de vermoedelijke substantie hennep.’

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen: ‘Op 22 juli 2010 werd onder leiding van de rechter-commissaris genoemd perceel [adres] te [plaats] doorzocht. Vervolgens werd door ons een onderzoek ter plaatse ingesteld. Hieruit bleek dat in de opslagruimte aan de achterzijde van de woning een groot aantal goederen aanwezig was bestemd voor de kweek van hennep. Deze goederen betroffen onder andere: hennepstekken, voedingsstoffen, stekstokjes, volle en lege stekbakjes, vele kratten, plastic zakken, lege kannen, trays, waterslangen, waterbakken, sealapparaat enz. Naast de woning was een vrijstaande garage gelegen. In deze garage, met name op zolder, werd door ons een grote hoeveelheid hennepgerelateerde growshop artikelen aangetroffen, onder andere: schakelpanelen, stekbakken, stekpluggen, groeilampen, voeding, sealapparaten enz.’

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat verdachte woont in het pand aan de [adres] te [plaats]. Vanaf [datum] waren er geen andere bewoners op dat adres ingeschreven. In deze woning worden in verschillende ruimten hennepresten aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte degene is geweest die de opdracht heeft gegeven om graafwerkzaamheden te verrichten en een betonbekisting aan te leggen voor het zwembad naast zijn woning. Verdachte is ook zelf bij de graafwerkzaamheden aanwezig geweest. Uit de verklaring van een van de getuigen blijkt dat de bekisting veel hoger was dan nodig zou zijn voor het zwembad. Gezien vorenstaande betrokkenheid bij de aanleg van het zwembad, leidt de rechtbank af dat verdachte wetenschap heeft gehad van het bestaan van de ondergrondse ruimte onder het zwembad. In deze ondergrondse ruimte wordt vervolgens de volledige hardware van een professionele hennepkwekerij aangetroffen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte hennep heeft geteeld in de ruimte onder het zwembad van zijn woning.

Voorts is de rechtbank ten aanzien van feit 2 van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat uit de teelt van hennepplanten en de verkoop daarvan inkomsten worden gegenereerd. Dat zulks bij verdachte ook het geval moet zijn geweest blijkt uit het feit dat op het moment van aantreffen van verdachtes hennepkwekerij door de politie de hennepplanten al weg waren. Waarbij komt dat uit het proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende blijkt: ‘Vanaf de maand mei 2010 genoot verdachte [verdachte] een brutoloon van slechts € 302,40 (exclusief vakantiegeld). Uit onderzoek is gebleken dat verdachte [verdachte] de laatste maanden een bedrag van € 2.000,- aan huur betaalde. Daarnaast diende hij ook nog belastingen, verzekeringen, energiekosten en kosten wegens levensonderhoud te betalen.’

Aangezien verdachte met zijn brutoloon niet kon voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud moet hij daarvoor gebruik hebben gemaakt van de illegale inkomsten uit hennepteelt, waarmee sprake is van witwassen.

Ten aanzien van feit 3 heeft Enexis B.V. aangifte gedaan van diefstal van energie. Uit de aangifte blijkt het volgende: ‘Pleegplaats: [plaats], adres: [adres].

Enexis B.V. heeft met een persoon/bedrijf genaamd [verdachte] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel. De elektriciteitsmeter is onderzocht. Het resultaat hiervan is beschreven in het bijgevoegd meterrapport. De fraude-inspecteur constateerde op 22 juli 2010 verboden handelingen aan de installatie en trof het volgende aan. De fraude-inspecteur heeft geconstateerd dat de gasmeter van Enexis verwisseld was geweest met een eigen gasmeter, waardoor het verbruik niet door de meetinstallatie van Enexis werd geregistreerd. Niemand had het recht of de toestemming van Enexis B.V. om het zegel te verbreken of wijziging in de bedradiging aan te brengen. Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van Enexis B.V., op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.

Resultaten Meterrapport: de meter werd aangeboden met een vreemde loden verzegeling (verfomfaaid baksteentje/ 99 in baksteentje). Men heeft de mogelijkheid de meter in zijn registratie te belemmeren. Onderzoek wijst uit dat de meter beschadigingen vertoont aan beide telwerken. Het is duidelijk dat de meter open is geweest en dat er aantoonbaar gefraudeerd is met deze meter.’

In de meterkast, die zich bevindt in de hal van de woning van verdachte, is een extra gasmeter aangelegd (foto pagina 724). De rechtbank is van oordeel dat gelet op en ten behoeve van de criminele activiteit die verdachte heeft gepleegd, namelijk de teelt van hennep, is geknoeid met de energievoorziening. Dit is gebeurd op een illegale wijze door de manipulatie van de elektriciteitsmeter en het aanleggen van een extra gasmeter in de meterkast. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van gas en elektriciteit.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010 in [plaats], opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, aan de [adres], een hoeveelheid van ongeveer 2476 hennepplanten en delen daarvan, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

hij in de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010 in [plaats], een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

3.

hij in de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010 in [plaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie en gas, toebehorende aan Enexis B.V.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van feit 2:

witwassen.

ten aanzien van feit 3:

diefstal.

De misdrijven zijn respectievelijk strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet, artikel 420bis en artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 19 oktober 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van 19 oktober 2010 ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat gezien de blanco documentatie van verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf de juiste strafmodaliteit is.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft op een uiterst professionele en geraffineerde wijze een grootschalige hennepkwekerij opgezet. Verdachte heeft een ondergrondse ruimte onder zijn zwembad laten maken. Deze ruimte was volledig ingericht voor de teelt van hennep. Op het moment dat de politie deze ondergrondse ruimte aantreft, wordt de complete hardware voor teelt van hennep aangetroffen, maar de hennepplanten zelf zijn al verdwenen. De elektriciteits- en gasvoorziening gingen buiten de meter om.

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte niet recent ter zake van Opiumwetdelicten veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de uiterst professionele wijze waarop verdachte hennep heeft geteeld en het daaruit sprekende criminele gehalte van de illegale activiteit, niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu verdachte voor feit 4 wordt vrijgesproken, in afwijking van de vordering van de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden een passende bestraffing vormt.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 57, 91, 310, 420bis.

Opiumwet art. 3, 11.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, M.B.T.G. Steeghs en A.K. Kleine, rechters, van wie mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.W.G. Roebroek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 20 maart 2012.