Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BV8566

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
103565 / HA ZA 10-697
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Facturen in verband met advieswerkzaamheden onbetaald gebleven. Geen bevoegdheid tot opschorting. Geen toerekenbare tekortkoming ter zake van advisering. Verzoek om alsnog te mogen reageren op de inhoud van een bij de conclusie van antwoord in reconventie gevoegd stuk afgewezen in verband met de goede procesorde, nu het stuk reeds geruime tijd in bezit van de betreffende partij was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 103565 / HA ZA 10-697

Vonnis van 14 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KSG REUVER B.V.,

gevestigd te Reuver,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.M.H. de Ruijter-van den Brand,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te Venlo,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.J.A.M. Muijres.

Partijen zullen hierna KSG en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 maart 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 12 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. KSG exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met het verlenen van diensten op ondermeer het gebied van accountancy, fiscaaljuridische zaken en administratieve ondersteuning. Daarnaast adviseert zij op het gebied van organisatie-, subsidie- en personeelsvraagstukken.

2.2. KSG heeft in opdracht van [gedaagde] in ieder geval sinds 2001 werkzaamheden verricht en diensten verleend op het gebied van accountancy, alsmede ter zake vraagstukken met een fiscaaljuridische grondslag.

2.3. KSG heeft in verband met door haar verleende diensten over de periode april 2008 tot en met januari 2009 facturen aan [gedaagde] gezonden.

2.4. [gedaagde] heeft de facturen tot een bedrag van totaal € 58.6521,84 niet voldaan.

3. Het geschil

in conventie

3.1. KSG vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis samengevat -

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 61.680,15 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 58.651,84 vanaf 21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede voor recht te verklaren dat KSG gerechtigd was het door haar aan [gedaagde] verschuldigde bedrag ad € 3.687,43 op grond van artikel 6:127 Burgerlijk Wetboek te verrekenen met het door [gedaagde] aan KSG verschuldigde bedrag,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis - samengevat - KSG te veroordelen tot betaling van € 126.823,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van KSG in de kosten van de procedure.

3.5. KSG voert verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De rechtbank overweegt allereerst dat [gedaagde] tijdens de comparitie van partijen heeft aangegeven nog graag in de gelegenheid te worden gesteld om nader stelling te nemen naar aanleiding van de conclusie van antwoord in reconventie. [gedaagde] heeft echter niet aangegeven waarom die nadere stellingname niet tijdens de comparitie van partijen zou kunnen plaats vinden. Wel heeft [gedaagde] tijdens de comparitie van partijen aangegeven dat het onmogelijk was om op dat moment een gedetailleerde reactie te geven op de inhoud van de door KSG overgelegde productie 27. KSG heeft echter onweersproken gesteld dat genoemde productie buitengerechtelijk al in januari 2010 aan [gedaagde] is verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere toelichting die ontbreekt dan ook niet in te zien waarom [gedaagde] de inhoud van die productie niet al in haar conclusie van 24 november 2010 zou hebben kunnen betrekken en in ieder geval ten tijde van de comparitie van partijen daarop had kunnen reageren. De rechtbank acht het dan ook in strijd met een goede procesorde om [gedaagde] op dit moment van de procedure nog in de gelegenheid te stellen om zich daarover alsnog uit te laten, daar waar een daartoe eerder bestaande mogelijkheid zonder reden, althans is die niet gegeven, onbenut is gelaten. De rechtbank wijst het verzoek af.

4.2. Tussen partijen staat vast dat het totaalbedrag van de onbetaald gebleven facturen van KSG € 58.651,84 bedraagt alsmede dat met dat bedrag nog een vordering van [gedaagde] op KSG dient te worden verrekend ten bedrage van € 3.687,43, zodat een bedrag van

€ 54.964,41 onbetaald is gebleven.

[gedaagde] heeft aangegeven dat zij de betaling van de facturen heeft opgeschort omdat de overeenkomst met ingang van 15 december 2008 mondeling door [gedaagde] zou zijn beëindigd, de facturen en specificaties onduidelijk zijn, werkzaamheden zijn verricht waarvoor geen opdracht is gegeven, voor bepaalde werkzaamheden meer uren in rekening zijn gebracht dan redelijk is alsmede omdat KSG zou zijn tekortgeschoten in haar dienstverlening.

KSG heeft de stellingen van [gedaagde] betwist. Verder heeft zij onder verwijzing naar het schrijven van 30 januari 2009 van Accon Adviseurs en Accountants (Accon) (productie 13 bij conclusie van antwoord in reconventie) aangegeven dat de overeenkomst met ingang van 30 januari 2009 is beëindigd. Tevens heeft zij onweersproken aangegeven dat de factuur van 2 maart 2009 tevens ziet op in januari 2009 verrichte werkzaamheden.

4.3. Ter beoordeling ligt voor of [gedaagde] bevoegd was om de nakoming van haar betalingsverplichting op te schorten. De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan het volgende.

4.4. [gedaagde] heeft de door haar gestelde beëindiging per 15 december 2008 op geen enkele wijze onderbouwd. Zo had het bijvoorbeeld op haar weg gelegen om een schriftelijke verklaring te overleggen van de broer van de heer [gedaagde] welke volgens haar bij de beëindiging aanwezig is geweest. De rechtbank zal dan ook aan de niet onderbouwde stelling voorbij gaan en uitgaan van 30 januari 2009 als datum van beëindiging van de overeenkomst. Derhalve vallen ook de in januari 2009 verrichte werkzaamheden onder de overeenkomst.

4.5. Verder overweegt de rechtbank dat [gedaagde] niet nader concreet heeft aangegeven voor welke uitgevoerde werkzaamheden geen opdracht zou zijn verstrekt alsmede om welke facturen en bedragen het daarbij specifiek zou gaan. Daarenboven merkt de rechtbank op dat in de vele naar aanleiding van de ontvangen facturen gemaakte opmerkingen en gestelde vragen (productie 4 en 5 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie) het aspect van het ontbreken van een opdracht niet aan de orde is gesteld.

Op grond van vorenstaande zal de rechtbank dan ook aan de stelling als niet onderbouwd voorbij gaan.

4.6. [gedaagde] heeft ter concretisering van haar stelling dat de facturen en specificaties onduidelijk zijn en voor bepaalde werkzaamheden meer uren in rekening zijn gebracht dan redelijk is verwezen naar de door haar gemaakte opmerkingen en gestelde vragen zoals opgenomen in de producties 4 en 5 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in conventie. De rechtbank overweegt dat KSG de gevorderde bedragen door middel van specificaties en omschrijvingen op de facturen (productie 1 bij dagvaarding en 6 bij conclusie van antwoord in reconventie) en urenoverzichten (productie 29 bij conclusie van antwoord in reconventie) heeft onderbouwd. Tevens is KSG bij schrijven van 20 maart 2009 en fax van 1 maart 2010 (producties 26 en 27 bij conclusie van antwoord in reconventie) uitvoerig op de in genoemde producties 4 en 5 gestelde vragen en gemaakte opmerkingen ingegaan. Gezien de op haar rustende stelplicht had het op de weg van [gedaagde] gelegen om in deze procedure nader concreet aan te geven welke vragen dan wel bezwaren ten aanzien van welke facturen er vervolgens bij haar nog bestonden, hetgeen zij echter heeft nagelaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat de stelling daarop al afstuit.

4.7. Met betrekking tot de gestelde tekortkoming aan de zijde van KSG in de uitvoering van de dienstverlening overweegt de rechtbank dat niet duidelijk is waartoe de eventuele vaststelling daarvan in conventie zou moeten leiden. Immers toerekenbare tekortkoming leidt op zich nog niet tot het vervallen van een eventuele betalingsverplichting aan de zijde van [gedaagde]. Daarvan zou sprake kunnen zijn in geval van een beroep op ontbinding van de overeenkomst dan wel een beroep op verrekening. Door [gedaagde] is echter in conventie een zodanig beroep niet gedaan. De rechtbank zal op de gestelde tekortkoming dan ook bij gebrek aan belang in conventie niet ingaan.

4.8. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet bevoegd was tot het opschorten van haar betalingsverplichting, zodat op haar de verplichting rust het nog openstaande bedrag van (na verrekening) € 54.964,41 te voldoen. Verder staat tussen partijen (inmiddels) vast dat het door KSG aan [gedaagde] verschuldigde bedrag van € 3.687,43 met het door [gedaagde] aan KSG te betalen bedrag kan worden verrekend. KSG heeft dan ook geen belang meer bij de door haar gevorderde verklaring voor recht, zodat de rechtbank die vordering zal afwijzen.

De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 54.964,41 toewijzen.

4.9. KSG heeft de wettelijke handelsrente gevorderd over de hoofdsom van € 58.651,84 met ingang van 21 augustus 2010.

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente betwist omdat zij niet in verzuim zou zijn.

4.10. De rechtbank overweegt dat voor de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente verzuim niet is vereist. Ingevolge artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom in de wettelijke rente van die geldsom met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft voldaan. Aangezien de onbevoegde opschorting een bedrag van

€ 54.964,41 betreft zal de rechtbank de wettelijke handelsrente over dat bedrag met ingang van 21 augustus 2010 toewijzen.

4.11. KSG heeft ter zake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.788,00 gevorderd, zijnde 2 punten van het liquidatietarief. [gedaagde] heeft de vordering betwist.

De rechtbank is van oordeel dat KSG voldoende heeft onderbouwd en in deze zaak voldoende is gebleken van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, zodat de vordering kan worden toegewezen.

4.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KSG worden begroot op:

- dagvaarding € 73,89

- vast recht 1.440,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.301,89

in reconventie

4.13. [gedaagde] heeft aan haar vordering van het bedrag van € 123.136,10 ten grondslag gelegd dat zij ter hoogte van dat bedrag schade heeft geleden ten gevolge van tekortkomingen in de dienstverlening zijdens KSG. [gedaagde] heeft in dat verband een zevental punten naar voren gebracht.

KSG heeft de gestelde tekortkomingen betwist.

4.14. Alvorens specifiek op de genoemde tekortkomingen in te gaan overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat door KSG onjuist zou zijn geadviseerd verwezen naar het schrijven van haar huidige accountant Accon van 26 september 2010 en 13 oktober 2010 (productie 11 en 12 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie). De rechtbank constateert echter dat Accon in de betreffende brieven haar visie baseert op onjuiste uitgangspunten dan wel op uitgangspunten welke in deze procedure niet vast staan. Zo gaat Accon er bijvoorbeeld vanuit dat door KSG geadviseerd zou zijn om slechts incidenteel c.q. steekproefsgewijs een kilometeradministratie bij te houden. Uit het schrijven van 5 september 2001 en 17 oktober 2005 (beide productie 14 bij conclusie van antwoord in reconventie) blijkt echter dat door KSG is aangegeven dat de kilometeradministratie sluitend diende de zijn. Het ‘steekproefsgewijs’ had zoals onder andere blijkt uit het schrijven van 27 november 2008 (productie 12 bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie) betrekking op de controle op het nakomen door de heren [gedaagde] van de afspraak dat zij de auto van de zaak niet privé zouden gebruiken. Verder gaat Accon ervan uit dat door KSG in 1999 is geadviseerd ten aanzien van de kwestie van de grond aan de [adres]. KSG heeft echter betwist dat zij in 1999 betrokken was bij deze kwestie alsmede onder verwijzing naar het schrijven van 15 januari 2001 van Deloitte & Touche (productie 17 bij conclusie van antwoord in reconventie) onderbouwd aangevoerd dat Deloitte & Touche destijds de advisering heeft gedaan. Het door Accon gehanteerde uitgangspunt staat dus geenszins vast.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de betreffende producties niet ter onderbouwing van de door [gedaagde] gestelde tekortkoming kunnen dienen.

4.15. Fiscale aspecten kilometervergoeding

4.15.1. In verband met de gestelde tekortkoming heeft [gedaagde] aangevoerd dat KSG haar onjuist heeft geadviseerd ten aanzien van de fiscale aspecten van de kilometervergoeding met betrekking tot de auto’s van de zaak die aan de heren [gedaagde] ter beschikking waren gesteld. KSG zou hebben geadviseerd om geen bijtelling in de inkomstenbelastingen dan wel loonbelasting aan te geven, hetgeen mogelijk zou zijn door slechts incidenteel een kilometeradministratie bij te houden. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stelling slechts verwezen naar de onder 4.13. genoemde productie 11 welke zoals onder 4.13. overwogen niet ter onderbouwing van haar stelling kan dienen. Verder heeft KSG betwist dat zij de verweten werkwijze heeft geadviseerd en aangeven dat zij meermaals op het belang van een sluitende kilometeradministratie heeft gewezen. Zoals hiervoor onder 4.13. aangegeven vindt dit verweer onderbouwing in de betreffende in genoemde productie 14 opgenomen brieven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] in het licht van het gemotiveerde verweer van KSG haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, zodat niet meer wordt toegekomen aan de bewijsfase. De rechtbank zal aan de stelling voorbij gaan.

4.16. [adres]

4.16.1. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat KSG onjuist geadviseerd zou hebben in verband met een opstalrecht aan de [adres]. KSG heeft betwist dat zij ten aanzien hiervan heeft geadviseerd. Volgens KSG stamt de kwestie van het opstalrecht nog uit de periode van vóór 2001 toen [gedaagde] nog geen klant bij KSG was. KSG heeft pas sinds 2001 werkzaamheden voor [gedaagde] verricht.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] heeft gesteld dat het eerste contact over deze kwestie in 1999 is geweest. In 1999 zou de zakelijke relatie met KSG zijn ontstaan. In 2000 zou hierover daadwerkelijk door KSG zijn geadviseerd. Een en ander zou blijken uit een mail en gevoerde correspondentie. [gedaagde] heeft echter geen mail of correspondentie nog enig ander stuk overgelegd waaruit de juistheid van haar door KSG betwiste stelling, dat KSG hierover reeds in 1999 en 2000 zou hebben geadviseerd, zou kunnen blijken. Daartegenover staat dat het door KSG gevoerde verweer onderbouwing vindt in eerder genoemd schrijven van

15 januari 2001 van Deloitte & Touche. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde], nog daargelaten dat het bedrag van de schade niet is onderbouwd, niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat de rechtbank aan de stelling voorbij zal gaan.

4.17. Belastingen

4.17.1. Verder vordert [gedaagde] schade ter zake van kosten BTW-specialist. Het is de rechtbank niet duidelijk in welk verband die kosten zijn gemaakt met andere woorden aan welk aan KSG te maken verwijt deze kosten verbonden zouden zijn. In de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie zou het gaan om diverse correcties met betrekking tot - zo begrijpt de rechtbank - de omzetbelasting en een kansloze procedure die ter zake daarvan zou zijn gevoerd. Echter niet wordt aangegeven welke correcties alsmede welke procedure het concreet betreft. Tevens heeft KSG voor zover zij zich tegen de onduidelijke stelling kon verweren verwezen naar een mail van 27 juni 2008 (productie 18 bij conclusie van antwoord in reconventie) waarin door haar wordt aangegeven dat de slagingskansen van een bezwaarprocedure zeer gering zijn. Verder zou de BTW-specialist volgens [gedaagde] veel tijd moeten hebben steken in het wederom opbouwen van een goede verstandhouding met de belastingdienst. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling dat [gedaagde] een minder goede verstandhouding met de belastingdienst zou hebben door [gedaagde] niet is onderbouwd. Verder heeft zij ook niet aangegeven laat staan onderbouwd dat de minder goede verstandhouding het gevolg zou zijn van een handelwijze van KSG.

4.17.2. Tijdens de comparitie van partijen heeft [gedaagde] nog verwezen naar ‘een’ bespreking tussen Accon en de belastingdienst, tweede pagina opgenomen in eerder genoemde productie 12. De rechtbank gaat er bij gebreke van een ander in genoemde productie 12 opgenomen verslag vanuit, dat [gedaagde] daarbij doelt op de bespreking van 5 december 2007. Uit dat verslag, tweede pagina, komt naar voren dat volgens KSG voor zover er omzetbelasting in rekening had moeten worden gebracht en dit abusievelijk niet is gebeurd een correctie dient plaats te vinden. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien op welke wijze de bedoelde onjuiste advisering, welke overigens niet zonder meer uit bedoeld verslag blijkt, tot schade zou hebben geleden nu uit het verslag blijkt dat dit door middel van een correctie kan worden hersteld.

4.17.3. Tevens heeft [gedaagde] tijdens de comparitie nog aangegeven dat de procedure ging over ‘een’ zakelijk pand waarbij fiscaal gezien zich een relevant vraagstuk voordeed, namelijk of het zakelijke pand al in gebruik was. Dit is dermate vaag dat de rechtbank zich daar geen oordeel over kan vormen.

4.17.4. Op grond van bovenstaande is een verwijtbare gedraging van KSG in verband met belastingproblematiek die tot schade voor [gedaagde] zou hebben geleid niet komen vast te staan.

4.18. Verplaatsing naar Antillen

4.18.1. Met betrekking tot de verplaatsing van twee vennootschappen naar de Antillen heeft [gedaagde] aangevoerd dat die verplaatsing niet zinvol was omdat het daarmee beoogde voordeel van een lage belastingheffing op belastingwinsten zich pas voordoet bij een vermogen van ruim 5 miljoen per vennootschap. De verplaatsing zou hebben plaats gevonden op advies van KSG. De kosten van het wederom verplaatsen van de vennootschappen naar Nederland bedragen circa € 12.000,00.

4.18.2. De rechtbank overweegt het volgende. Allereerst heeft KSG betwist dat zij de adviseur was in het kader van de verplaatsing. Volgens KSG is het traject van de zetelverplaatsing naar de Antillen in 2003 op verzoek van [gedaagde] zelf geïnitieerd door bankier [bankier] en later ook nog behandeld door ING Private Banking. KSG zelf heeft bij deze zetelverplaatsing slechts een beperkte rol gehad. [bankier] heeft alles voorbereid, opgezet, uitgewerkt en uitgevoerd met betrekking tot de zetelverplaatsing. KSG was wel aanwezig bij een aantal besprekingen en heeft [gedaagde] gewezen op bepaalde fiscale gevolgen van de zetelverplaatsing.

4.18.3. Verder heeft KSG in verband met de voor het behalen van het beoogde voordeel benodigde omvang van het vermogen aangevoerd dat de zetelverplaatsing van beide vennootschappen slechts een eerste stap betrof. Het was de bedoeling dat vervolgens nog een verkoop van de aandelen van [gedaagde] Recycling en Beheer B.V. zou volgen waarmee het vermogen in de beide verplaatste vennootschappen sterk zou stijgen. Daarvan uitgaande was het fiscaal gunstig om de vennootschappen te verplaatsen in verband met het lage belastingtarief op de Antillen. In verband met de toen lopende belastingcontrole werd de verkoop van de aandelen [gedaagde] Recycling en Beheer B.V. echter aangehouden. [gedaagde] heeft dit alles niet weersproken.

4.18.4. Gezien het gemotiveerde verweer van KSG had [gedaagde] haar stelling nader dienen te onderbouwen. Zij heeft echter volstaan met het herhalen dat KSG de adviseur was en dat verplaatsing gezien het geringe vermogen van de onderneming niet zinvol was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat de stelling daarop al afstuit.

4.19. Huwelijkse voorwaarden en testament

4.19.1. Met betrekking tot de huwelijkse voorwaarden en de testamenten heeft [gedaagde] gesteld dat deze door KSG zouden worden aangepast. Daartoe zijn de nodige adviesuren gemaakt en is diverse malen overleg gepleegd met een notaris, maar tot een afwerking is het nooit gekomen. Accon heeft het concept opnieuw moeten screenen en geconcludeerd dat deze in het geheel niet aansloten bij de wensen van de heren [gedaagde]. Bovendien was er een groot risico aanwezig dat bij een eventuele echtscheiding een aanzienlijk deel van het vermogen van de heren [gedaagde] aan de echtgenoten zou moeten worden afgestaan. De kosten van het herzien van de huwelijksvoorwaarden en testamenten bedragen circa € 4.800,00 aldus nog steeds [gedaagde]. KSG heeft zowel de gestelde tekortkoming als de gestelde schade betwist.

4.19.2. Allereerst merkt de rechtbank op dat tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat dit onderwerp een kwestie betreft in de relatie tussen de vennootschappen welke partij zijn in deze procedure, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.

Verder overweegt de rechtbank dat zij uit hetgeen zoals bovenstaand weergegeven door [gedaagde] is aangevoerd niet kan destilleren op welke wijze de testamenten niet aan welke wensen zouden voldoen, zodat de rechtbank dat onderdeel niet kan beoordelen.

4.19.3. Met betrekking tot de huwelijkse voorwaarden gaat de rechtbank er gezien het gememoreerde risico bij echtscheiding en de inhoud van overgelegde stukken vanuit dat het daar gaat om een zogenaamd verrekenbeding. De rechtbank overweegt dat, zoals door KSG ook aangevoerd, uit het besprekingsverslag van 25 november 2008 (productie 10 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie) blijkt dat de door KSG opgestelde verrekenovereenkomsten door de heren [gedaagde] zijn geaccordeerd. Vervolgens heeft KSG bij schrijven van 28 november 2008 (productie 24 bij conclusie van antwoord in reconventie) de concepten van de verrekenovereenkomsten naar de heer [gedaagde] gezonden en verzocht om goedkeuring voor het inschakelen van de notaris. KSG heeft onweersproken gesteld dat die goedkeuring nimmer is ontvangen.

Derhalve valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien welk verwijt KSG op dit punt zou kunnen worden gemaakt.

4.20. Structuur onderneming

4.20.1. [gedaagde] heeft nog een verwijt in verband met de ondernemingsstructuur naar voren gebracht. Zij heeft aan dit punt echter geen schadebedrag gekoppeld, zodat de rechtbank bij gebrek aan belang niet op dit onderwerp zal ingaan.

4.21. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat enige tot vergoeding van schade verplichtende tekortkoming in de dienstverlening aan de zijde van KSG niet is komen vast te staan. De rechtbank zal dan ook de vordering ter zake van vergoeding van schade van

€ 123.136,10 afwijzen, waarbij de nevenvordering ter zake van wettelijke rente het lot van de hoofdvordering dient te volgen en eveneens zal worden afgewezen.

4.22. Met betrekking tot de vordering van [gedaagde] op KSG van € 3.687,43 overweegt de rechtbank dat dit bedrag in conventie reeds in mindering is gebracht op de vordering van KSG, zodat de rechtbank deze vordering in reconventie zal afwijzen.

4.23. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KSG worden begroot op € 2.131,50 (1,5 punt x

€ 1.421,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan KSG van een bedrag van € 54.964,41 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 119a BW met ingang van

21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt [gedaagde] ter zake van buitengerechtelijke kosten tot betaling aan KSG van € 1.788,00 ,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van KSG tot op heden begroot op € 3.301,89,

5.4. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van KSG tot op heden begroot op € 2.131,50,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst de vorderingen af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.?