Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BV7046

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
104708 / HA ZA 10-833
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nalatenschap, rekening en verantwoording, inzage in bankafschriften. Giften, inbrengplicht volgens oud en nieuw recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 104708 / HA ZA 10-833

Vonnis van 29 februari 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S. Smeets,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D.J.P.H. Stoelhorst,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D.J.P.H. Stoelhorst,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. C. Schouten.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden sub 1 en[gedaagde sub 3]lijk] (gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk, vrouwelijk enkelvoud) en [gedaagde sub 3] (gedaagde sub 3) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 mei 2011

- akte van 13 juli 2011 zijdens [eiseres]

- akte van 13 juli 2011 zijdens [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk]

- het proces-verbaal van comparitie van 13 juli 2011

- akte inhoudende overlegging nadere bescheiden

- akte inhoudende reactie op zienswijze gedaagden op ingebrachte stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] en [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] zijn zussen van elkaar. [gedaagde sub 3] is een broer van [eiseres] en [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk]

2.2. Op 24 augustus 2009 is de moeder van partijen (moeder) overleden. Vader was reeds eerder overleden.

2.3. [eiseres] was sinds april 1993 gemachtigd op de rekeningen van moeder.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zakelijk weergegeven de verdeling van c.q. te verdelen de tot de nalatenschap van de moeder van partijen behorende tegoeden, alsmede te bepalen dat [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] daaraan hun medewerking dienen te verlenen onder verbeurte van een dwangsom alsmede te bepalen dat bij het bereiken van het aan dwangsommen verschuldigde maximum het vonnis in de plaats treedt,

met veroordeling van [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] in de kosten van de procedure

3.2. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] voert verweer. [gedaagde sub 3] refereert zich aan het gestelde in de dagvaarding.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zakelijk weergegeven een wettelijk vereffenaar te benoemen,

met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.5. [eiseres] voert verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [eiseres] heeft onderbouwd gesteld dat de omvang van de nalatenschap € 14.013,82 minus nog te betalen notariskosten bedraagt. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] heeft gesteld dat de omvang van de nalatenschap pas kan worden vastgesteld nadat een aantal door haar met betrekking tot de hoogte van de saldi van de bankrekeningen gedurende de periode 2002 tot en met 2009 opgeworpen vragen zijn beantwoord. Verder heeft zij aangevoerd dat niet duidelijk is of de lening van moeder aan [gedaagde sub 3] is afgelost.

[gedaagde sub 3] heeft zich volledig gerefereerd aan hetgeen bij dagvaarding is weergegeven.

4.2. De rechtbank overweegt het volgende. Tussen partijen staat vast dat moeder op

17 juli 2002 als erfdeel van haar echtgenoot uit de verkoop van de woning een bedrag van

€ 61.576,09 heeft verkregen. Vervolgens heeft moeder in de periode juli 2002 tot augustus 2009 nog aan [eiseres] en [gedaagde sub 3] ieder een bedrag van totaal € 11.193,00 en aan [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] ieder een bedrag van totaal € 11.100,00 geschonken. Verder staat tussen partijen vast dat deze schenkingen gezien het geringe verschil in omvang buiten de verdeling van de nalatenschap van moeder kunnen blijven.

4.3. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] heeft gesteld dat [eiseres] als gevolmachtigde op de rekeningen van moeder tegenover [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] rekening en verantwoording dient af te leggen over het verloop van de rekeningen van moeder over de periode 2002 tot en met 2009. [eiseres] heeft deze stelling bestreden.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat er slechts sprake kan zijn van een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording van de ene partij jegens de andere partij indien tussen hen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen. Hierbij geldt dat een rechtsverhouding die een dergelijke verantwoordingplicht impliceert kan voortvloeien uit de wet of uit een contractuele relatie alsmede uit hetgeen onder bepaalde omstandigheden volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.5. [eiseres] was vanaf april 1993 gemachtigd op de rekeningen van moeder. Ten gevolge daarvan was [eiseres] rekening en verantwoording jegens moeder verschuldigd voor de geldopnames en betalingen die zij heeft verricht. Aangezien moeder bij leven geen rekening en verantwoording heeft gevraagd, althans is zulks niet gebleken, moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat de door [eiseres] gedane opnames en betalingen de instemming van moeder hadden. Jegens [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] geldt dan ook in beginsel geen plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording voor de tijdens het leven van moeder gedane opnames.

4.6. Het vorenstaande kan anders zijn als zou komen vast te staan dat moeder in de periode dat [eiseres] de betalingen en opnames verrichtte psychisch in een dusdanig slechte toestand verkeerde dat zij niet in staat moest worden geacht haar eigen financiële belangen te behartigen. In dat geval is het mogelijk dat uit hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, voortvloeit dat [eiseres] jegens [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] rekening en verantwoording aflegt.

[gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] heeft in dat verband aangevoerd dat moeder in het verleden uit hoofde van een IBS op de PAAZ-afdeling opgenomen is geweest.

4.7. De rechtbank overweegt dat tussen partijen vast staat dat de betreffende IBS dateert van november 2000 alsmede dat moeder vanuit de PAAZ-afdeling naar het Vincent van Gogh Instituut is gegaan. Met ingang van 12 november 2001 heeft moeder bij Auxiliatris Zorggroep op een somatische afdeling verbleven. Vanaf die periode heeft moeder nimmer op een afdeling verbleven voor mensen met psychische klachten. Derhalve dateert de betreffende opname van vóór 2002.

4.8. Verder heeft [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] nog aangevoerd, dat het de laatste jaren met moeder niet meer zo goed ging en zij de nodige gezondheidsklachten had zoals staar, doofheid, rolstoelgebonden zijn en bedlegerigheid. Er viel moeilijk met haar te praten en zij hoorde stemmen in haar hoofd.

De rechtbank overweegt allereerst dat de genoemde aspecten overwegend fysieke klachten betreffen, waarvan niet valt in te zien op welke wijze die het geestelijke beoordelingsvermogen van moeder in negatieve zin zouden beïnvloeden. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] heeft gesteld niet zonder meer kan worden afgeleid dat moeder met ingang van 2002 dan wel enig moment daarna psychisch in een dusdanig slechte toestand verkeerde dat zij niet meer in staat kon worden geacht haar eigen financiële belangen waar te nemen. Door [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] zijn ook geen rapportages of andere stukken overgelegd die aanknopingspunten bieden voor de aanname dat moeder in de bedoelde periode (duurzaam) niet meer in staat was haar vermogensrechtelijke belangen volledig zelf te behartigen. Tenslotte heeft [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] nagelaten hiervan gespecificeerd bewijs aan te bieden.

4.9. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording in verband met de machtiging ten aanzien van de rekening van moeder door [eiseres] jegens [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] niet is komen vast te staan.

4.10. Tijdens het leven van moeder gedane opnames zouden nog wel van invloed kunnen zijn op de omvang van de nalatenschap in verband met een eventuele inbrengplicht in geval opnames zouden dienen te worden aangemerkt als gift. Ten aanzien van de inbrengplicht dient een onderscheid gemaakt te worden tussen giften die vóór 2003 en giften die daarna hebben plaats gevonden. Immers op 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht in werking getreden. Ingevolge artikel 4:229 Burgerlijk Wetboek bestaat er slechts een inbrengplicht in geval de erflater dit uitdrukkelijk heeft bepaald. Ingevolge het oude erfrecht bestond er een inbrengplicht met betrekking tot giften tenzij ontheffing van de verplichting tot inbreng was verleend. Artikel 139 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek bepaalt het volgende: ‘In geval voor het in werking treden van de wet - in dit geval de bepalingen van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, Erfrecht, toevoeging rechtbank - een door de wet geroepen erfgenaam in de nederdalende lijn bij een gift of in een uiterste wil niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng van de gedane gift, blijft deze, behoudens indien de erflater nadien anders mocht hebben beslist, ook na dat tijdstip daartoe verplicht’. De inbreng van giften, welke dateren van vóór 1 januari 2003 blijft onder het nieuwe erfrecht dus in beginsel gehandhaafd.

4.11. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] heeft de bankafschriften over 2004 t/m 2009, de afschriften van november en december 2003 met betrekking tot rekeningnummer [betaalrekening] (betaalrekening) alsmede het jaaroverzicht 2002 en 2003 met betrekking tot rekeningnummer [spaarrekening] (spaarrekening) ontvangen. De rechtbank overweegt dat [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] zowel in de aan de procedure voorafgaande correspondentie als in de processtukken niet consistent is in de periode waarover door haar inzage wordt verzocht namelijk met ingang van 2002 dan wel met ingang van 17 juli 2002. Daarbij komt dat tijdens de comparitie van partijen ook uitsluitend de periode vanaf 17 juli 2002 ter sprake is gekomen en [gedaagde sub 3] de daarvoor gelegen periode niet meer aan de orde heeft gesteld. Wat daar ook van zij uit de eigen onderbouwde stelling van [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] blijkt dat het standpunt van de Rabobank is dat al hetgeen met betrekking tot de rekeningen van moeder over 2002 en 2003 nog beschikbaar was is verstrekt. Het zoals door [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] verzocht alsnog opdracht geven aan de Rabobank tot het verstrekken van de gevraagde gegevens met betrekking tot de spaarrekening over geheel 2002 is, nog daargelaten dat er met betrekking tot de spaarrekening een jaaroverzicht 2002 is verstrekt, niet mogelijk nu de Rabobank geen partij is in deze procedure en gezien het vorenstaande ook zonder zin.

Partijen en de rechtbank zullen het dus met de voorhanden stukken moeten doen.

4.12. Ten tijde van het opstellen van de conclusie van antwoord beschikte

[gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] over de bankafschriften over de jaren 2004 tot en met 2009. De door

[gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] in de conclusie van antwoord aangehaalde volgens haar vraagtekens oproepende uitgaven betreffen derhalve genoemde periode hetgeen ook blijkt uit het overzicht overgelegd als productie 3 bij de conclusie van antwoord. Zo bepaalde door

[gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] in de periode 2004 tot en met 2009 aangehaalde uitgaven al zouden moeten worden aangemerkt als gift dan zou ten aanzien daarvan een inbrengplicht ingevolge het nieuwe erfrecht slechts aan de orde zijn indien zulks uitdrukkelijk zou zijn bepaald door moeder. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] hebben niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat (uit de bankafschriften zou blijken dat) met betrekking tot de aan de orde gestelde uitgaven bepaald zou zijn dat die moeten worden ingebracht. Indien er dus al sprake zou zijn van giften dan is niet komen vast te staan dat die van invloed zijn op de omvang van de nalatenschap. De rechtbank zal bij gebrek aan belang dan ook niet meer ingaan op de betreffende aangehaalde opnames en deze buiten beschouwing laten.

4.13. In de akte van 30 november 2011 is [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] nog ingegaan op in de jaren 2002 en 2003 gedane opnames. Met betrekking tot de in 2003 gedane opnames overweegt de rechtbank dat daarvoor hetzelfde geldt als hiervoor onder 4.12 is overwogen. Het betreft dan de aan de orde gestelde opnames van € 15.000,00 in september 2003 en van totaal

€ 1.000,00 in de periode 14 november 2003 tot en met 30 december 2003. Overigens heeft [eiseres] nog aangegeven dat het bedrag van € 15.000,00 is opgenomen ten behoeve van de lening van € 18.000,00 aan [gedaagde sub 3], hetgeen in overeenstemming is met de eigen stelling van [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] dat de lening van € 18.000,00 aan [gedaagde sub 3] in 2002 of 2003 moet hebben plaats gevonden. Verder heeft [eiseres] nog aangevoerd dat de genoemde uitgaven van totaal € 1.000,00 hebben plaats gevonden rondom de feestdagen, zijnde een periode waarin moeder altijd gul was ten opzichte van familie, kennissen en personeel.

De rechtbank zal bij gebrek aan belang dan ook niet meer op die bedragen ingaan en deze buiten beschouwing laten.

4.14. Met betrekking tot het jaar 2002 heeft [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] nog het volgende aangevoerd. Het saldo van de spaarrekening in augustus 2002 ten bedrage van € 65.000,00 wordt veroorzaakt door een storting van € 59.705,61 op of omstreeks 19 juli 2002. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] stelt dat het verschil van € 1.870,48 met het uit de nota van afrekening (productie 10 bij de dagvaarding) blijkende aandeel van moeder in de verkoop van de ouderlijke woning van € 61.576,09 voor rekening en risico van [eiseres] dient te komen.

Allereerst overweegt de rechtbank dat [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] niet nader aangeeft waarom dit zo zou zijn bijvoorbeeld omdat [eiseres] en niet zoals gebruikelijk de betreffende notaris verantwoordelijk zou zijn voor het overmaken van het betreffende bedrag. Alleen daarop al stuit de stelling af nog daargelaten dat [eiseres] een verklaring voor het verschil heeft gegeven.

4.15. Verder kan de rechtbank [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] niet volgen in haar stelling dat uit de overgelegde afschriften over 2002 en 2003 de lening van € 18.000,00 aan [gedaagde sub 3] niet valt te herleiden aangezien het totaal van de in 2003 gedane opnames zoals die uit de afschriften blijkt waaronder het eerder genoemde bedrag van € 15.000,00 het totaal van

€ 18.000,00 ruim overschrijdt. De rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan de daaraan gerelateerde suggestie zijdens [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] dat mogelijk nog een bankrekening voor handen zou zijn.

4.16. Met betrekking tot de lening van € 18.000,00 overweegt de rechtbank dat [eiseres] de aflossing daarvan op 30 mei 2006 voldoende heeft onderbouwd door middel van bankafschriften (producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord in reconventie). Verder overweegt de rechtbank onder verwijzing naar het proces-verbaal van comparitie en de akte houdende overlegging nadere bescheiden zijdens [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] dat [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] de aflossing per 30 mei 2006 ook heeft erkend. Derhalve is ter zake van de lening toerekening niet aan de orde.

[gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] heeft zich tijdens de comparitie van partijen nog wel afgevraagd of het een renteloze lening betrof, maar zij hebben in dat verband niets concreets aangevoerd zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan.

4.17. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat van voor de omvang van de nalatenschap relevante giften niet is gebleken alsmede dat toerekening niet aan de orde is.

4.18. Verder is tussen partijen niet in geschil dat het saldo op de SNS-rekening [SNS rekening] op 24 juli 2009 € 12.000,00, het saldo op Rabobankrekening [betaalrekening] op 27 augustus 2010 € 859,87 bedroeg en dat met betrekking tot Rabobankrekening [spaarrekening] uitgegaan kan worden van een saldo van € 653,95 alsmede dat een bedrag van € 500,00 contant resteerde. Verder is tussen partijen niet in geschil dat van de nalatenschap de nog te betalen notariskosten dienen te worden voldaan.

De rechtbank zal de omvang van de nalatenschap dan ook vaststellen op € 14.013,82 te vermeerderen met de inmiddels op de betreffende bankrekeningen ontvangen rente en te verminderen met de nog te betalen notariskosten en ieder der partijen ¼ deel van de nalatenschap toedelen.

4.19. Tevens zal de rechtbank [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van de verdeling en het opheffen van de rekeningen [betaalrekening] en [spaarrekening] binnen 1 maand na datum van dit vonnis.

Tevens zal de rechtbank [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] veroordelen tot het verlenen van medewerking aan betaling van de nog te ontvangen factuur van de notaris binnen 1 week na ontvangst daarvan.

Verder zal de rechtbank bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de voor het tot stand brengen van de verdeling, het opheffen van genoemde rekeningen en de betaling van genoemde factuur van de notaris noodzakelijke toestemming van [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] in geval zij in gebreke blijft bovengenoemde medewerking te verlenen. Gezien deze in de plaats stelling heeft [eiseres] geen belang bij het opleggen van een dwangsom zodat de rechtbank die vordering zal afwijzen.

4.20. Gezien de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.21. Aan de voor reconventie gestelde voorwaarde is voldaan, zodat de rechtbank aan de beoordeling in reconventie toekomt.

4.22. [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] heeft gevorderd dat een vereffenaar zal worden benoemd teneinde het saldo van de nalatenschap te inventariseren en de verdeling vast te stellen.

Aangezien de rechtbank in conventie reeds de omvang van de nalatenschap alsmede de verdeling heeft vastgesteld heeft [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] geen belang bij haar vordering.

De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

4.23. Gezien de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. stelt het saldo van de nalatenschap vast op € 14.013,82 te vermeerderen met de inmiddels op de betreffende bankrekeningen ontvangen rente en te verminderen met de nog te betalen notariskosten.

5.2. deelt aan ieder der partijen ¼ deel van het onder 5.1. genoemde saldo toe,

5.3. veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] tot het verlenen van medewerking aan de totstandkoming van de onder 5.2. genoemde verdeling binnen 1 maand na datum van dit vonnis,

5.4. bepaalt dat indien [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] de onder 5.3. bedoelde medewerking niet verleent het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de voor de totstandkoming van de onder 5.2. genoemde verdeling noodzakelijke toestemming van [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk],

5.5. veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] tot het verlenen van medewerking aan de opheffing van de rekeningen [betaalrekening] en [spaarrekening] binnen 1 maand na datum van dit vonnis,

5.6. bepaalt dat indien [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] de onder 5.5. bedoelde medewerking niet verleent het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de voor het opheffen van genoemde rekeningen benodigde toestemming van [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk],

5.7. veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] tot het verlenen van medewerking aan de betaling van de nog te ontvangen factuur van de notaris binnen 1 week na ontvangst daarvan,

5.8. bepaalt dat indien [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk] de onder 5.7. bedoelde medewerking niet verleent het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de voor de betaling noodzakelijke toestemming van [gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk],

5.9. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.11. wijst af het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.12. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.13. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.14. wijst de vorderingen af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.?