Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BV6768

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
04/804165-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs voor amfetamine:

Indicatieve test in combinatie met uitslag laboratoriumonderzoek bij eerder transport en verklaringen betrokkenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/804165-11

Datum uitspraak : 24 februari 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 februari 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2011 in Venray, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die amfetamine afgeleverd aan

personen met de opdracht die amfetamine naar Duitsland te vervoeren;

(artikel 2A Opiumwet)

althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 29 juni 2011 in de gemeente Venlo en/of de gemeente Venray opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2B Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 21 mei 2011 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1920 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die amfetamine afgeleverd aan personen met de opdracht die amfetamine te vervoeren naar Duitsland;

(artikel 2A Opiumwet)

althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 21 mei 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1920 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2B Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 2 april 2011 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 400 gram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die hennep afgeleverd aan een persoon met de opdracht die hennep naar Duitsland te vervoeren;

(artikel 3A Opiumwet)

althans indien ter zake het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 02 april 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 400 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3B Opiumwet)

4.

hij op of omstreeks 26 april 2011 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 400 gram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte

opzettelijk immers heeft verdachte opzettelijk die hennep afgeleverd aan een persoon met de opdracht die hennep naar Duitsland te vervoeren;

(artikel 3A Opiumwet)

althans indien ter zake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 26 april 2011 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 400 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3B Opiumwet)

5.

hij op of omstreeks 30 april 2011 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die amfetamine afgeleverd aan een persoon met de opdracht die amfetamine naar Duitsland te vervoeren;

(artikel 2A Opiumwet)

althans indien ter zake het vorenstaande onder 5 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 30 april 2011 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

(artikel 2B Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 10 februari 2012 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 (zowel primair als subsidiair) ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich evenals de officier van justitie op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het al onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het feit onder 1 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit nu verdachte slechts heeft bemiddeld bij de overgave van spul tussen de ene en de andere persoon zonder te weten dat het naar Duitsland werd vervoerd. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat, nu zich geen NFI-rapport in het dossier bevindt, het niet duidelijk is of dit aangetroffen spul daadwerkelijk amfetamine betrof.

Ook ten aanzien van het feit onder 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Uit de bevindingen van de verbalisanten in Duitsland ten tijde van de aanhouding van de koerier in de blauwe Volkswagen Golf blijkt dat vele plastic tassen zijn aangetroffen. Deze tassen bevatten niet alle amfetamine of drugs. Onduidelijk is in welke tas nu amfetamine / drugs is aangetroffen. Daarnaast relateren de Nederlandse verbalisanten dat zij op 21 mei 2011 zagen dat een persoon uit een groene Ford Puma stapte (verdachte) die aan de man in de Volkswagen een plastic draagtas overhandigde. Het is derhalve mogelijk dat verdachte een andere tas heeft overhandigd. Bovendien had het naar de mening van de raadsman in de rede gelegen dat de Ford Puma na deze overdracht zou worden staande gehouden, zodat verdachte met zekerheid zou worden herkend. De raadsman stelt vraagtekens bij de al dan niet correcte waarneming van de verbalisanten met betrekking tot de identiteit van de man uit de groene Ford Puma. Nu is niet vast te stellen dat verdachte op 21 mei 2011 daar ook daadwerkelijk is geweest.

7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3, 4 en 5 (zowel primair als subsidiair) is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Op 21 mei 2011 gingen de verbalisanten [1] en [2] naar de parkeerplaats van de Lidl aan de Leutherweg te Venlo, waar vermoedelijk een overdracht van verdovende middelen zou plaatsvinden, waarbij mogelijk een blauwe Volkswagen Golf, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken], betrokken zou zijn. Om 14.30 uur die dag zagen de verbalisanten dat op de parkeerplaats bij de Lidl een blauwe Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] stond geparkeerd. De verbalisanten zagen dat niemand in die auto zat en dat direct daarna een manspersoon in de Duitse Golf stapte. Omstreeks 14.35 uur zagen de verbalisanten dat er een groene Ford Puma, voorzien van het Nederlandse kenteken

[kenteken], genoemde parkeerplaats op reed en dat er twee manspersonen in die Ford zaten. De verbalisanten zagen dat de Nederlandse Ford links naast de Duitse Golf parkeerde. Verbalisant [1] zag dat de hem ambtshalve bekende [verdachte], geboren op [geboortedatum en plaats] als bijrijder uit de Ford Puma stapte. De verbalisanten zagen dat de man in de Duitse Golf ook uitstapte en dat [verdachte] en de man uit de Duitse Golf met elkaar in gesprek waren. Om 14.37 uur zagen de verbalisanten dat [verdachte] een witte plastic draagtas aan de man uit de Duitse Golf overhandigde. Verbalisant [1] relateert dat de tas met zekerheid niet uit de Duitse Golf is gehaald. Hij zag dat beide mannen in de tas keken. De verbalisanten zagen vervolgens dat de man uit de Duitse Golf de witte plastic draagtas in de kofferruimte van de Duitse Golf legde. Vervolgens zagen de verbalisanten dat [verdachte] weer in de Nederlandse Ford stapte en dat de andere man weer in de Duitse Golf stapte. De verbalisanten volgden de Duitse Golf richting Duitse grens en zij stopten de observatie bij de grensovergang richting Duisburg A40.

In Duitsland op de autosnelweg (BAB) 40 wordt de personenauto gecontroleerd en in de kofferbak wordt een grote blauwe vuilniszak met behangselresten gevonden. Tussen deze resten bevonden zich twee plastic tassen. In één van die tassen werd een grote gripzak met marihuana zichtbaar en bovendien een gesealde doorzichtige zak met witte inhoud. In de tweede plastic zak werd verder een pakje met witte inhoud geconstateerd. In de jaszak van de inzittende van de auto werd een briefje met het opschrift: “[adres], vanaf 20.00 uur” gevonden. De verdovende middelen en het briefje werden in beslag genomen. De man verklaarde naar Venlo richting McDonald’s te zijn gereden. Achter McDonald’s zou de Lidl winkel zijn. Daar werden hem door een mannelijke Turk de plastic tassen overhandigd. Het briefje in zijn jaszak zou hij eveneens van de Turk hebben gekregen, met de richtlijn om dit in de auto te laten liggen. Het wegen van de in beslag genomen verdovende middelen leverde de volgende bruto waarden op:

1. 1x pakje amfetamine: 1060 gram

2. 1x pakje amfetamine: 860 gram

3. 1x gripzak marihuana: 80 gram

Medeverdachte [medeverdachte] verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik werd op 21 mei 2011 om ongeveer 13.00 uur door [betrokkene 1] opgebeld. Ik moest voor hem een pakje uit Nederland bezorgen. Hij had een personenauto voor mij neergezet. Ik moest met het voertuig naar Nederland, richting Venlo, rijden. Op de parkeerplaats van de Lidl zou een persoon op mij wachten, die mij een pakje zou overhandigen. Ik zou voor de rit € 400,-- à € 500,-- van [betrokkene 1] ontvangen. Als ik weer terug uit Nederland zou zijn moest ik het voertuig voor mijn huis neerzetten en de drugs moesten in de kofferbak blijven. Ik ben daar, in Nederland, om ongeveer 14.30 uur gearriveerd. De persoon heeft mij een witte plastic zak overhandigd. Ik heb de zak genomen en in een andere zak gestopt, die in mijn kofferbak lag. Ik heb nog een papiertje voor [betrokkene 1] gehad. Ik heb dat in mijn jas gestopt. Daarna ben ik naar Duitsland teruggegaan en werd ik aangehouden.”

Op 23 mei 2011 verklaart [medeverdachte 1] – zakelijk weergegeven – in aanvulling op zijn verklaring van 22 mei 2011 als volgt:

“Oorspronkelijk was de rit naar Venlo met [betrokkene 1] al voor de week daarvoor afgesproken.” Op de vraag of hij de contactpersoon kende verklaart [medeverdachte 1]: “In een café ben ik aan een man voorgesteld. Ik heb die man toen onder de naam [naam] leren kennen. [betrokkene 1] kwam om ongeveer 13.00 uur bij mij en heeft deze keer de Golf van zijn vriendin voor de deur neergezet. Om ongeveer 14.30 uur kwam ik bij het bekende trefpunt op de parkeerplaats bij de Lidl aan. Ik heb [naam] kort voordat ik vertrok nog een sms gestuurd, dat ik om ongeveer 14.30 uur daar zou zijn. Op de parkeerplaats kwam [naam] met nog een man bij mij bij de auto. Ik ben toen uitgestapt en [naam] gaf mij een boodschappenzak en een papiertje. Dat papiertje was voor [betrokkene 1] bestemd. Ik heb de zak met de drugs daarna in mijn kofferbak gelegd. Ik had daar nog een zak met behangresten, die ik had meegenomen om de drugs tijdens de rit in te verstoppen. Op de weg richting Herten werd ik ter hoogte van het knooppunt Kaiserberg door de politie aangehouden en gearresteerd. Het was mij duidelijk dat ik drugs had afgehaald.”

Op 19 augustus 2011 verklaart [medeverdachte 1] – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik werd voor mijn koeriersritten of door [betrokkene 1] of door [naam] betaald. In opdracht van [betrokkene 1] heb ik meerdere ritten gemaakt. De laatste rit werd ik aangehouden. Mij wordt een fotomap getoond. Ik herken op foto nummer 3 [betrokkene 1] en op foto nummer 27 [naam] uit Venlo.”

In het dossier bevindt zich een aantekening met betrekking tot de fotoconfrontatie bij [medeverdachte] op 19 augustus 2011 , welke – zakelijk weergegeven – het volgende inhoudt:

Vandaag werd [medeverdachte] geconfronteerd met een fotomap, waarin zich foto’s bevonden, die van 1 t/m 40 waren genummerd.

foto naam voornaam geboren

3 [betrokkene 1] [betrokkene 1] [datum]

27 [verdachte] [verdachte] [datum]

In het dossier bevindt zich een deskundigenrapport naar aanleiding van de onderzoekaanvraag van 23 mei 2011 van de politie te Duisburg, IGVP-nr. 500000-094740-11/1 , welk rapport – zakelijk weergegeven – het volgende inhoudt:

Onderzoekingen:

De analyses van de bewijsstukken geschiedden gedeeltelijk na de homogenisering van bepaalde delen / het gehele materiaal en derivatisering, o.a. plaatchromatografisch, natchemisch, infraroodspectroscopisch, capillairgaschromatografisch d.m.v. stikstof-/ forforselectieve detectie, respectievelijk een vlamionisatiedetectie en capillairgaschromatographische, gecombineerd met massaspectrometrische detectie.

Weergave van de onderzoeksresultaten en karakterisering van de substanties:

volgnr. beschrijving hoeveelheid resultaat werkzame stof

(g)

001 plastic zak met witte, 879,08 amfetaminesulfaat- amfetamine

nat lijkende sub- toebereiding met

stantie cafeïne en o.a. lactose,

glucose en mannitol

002 plastic zak met witte, 735,07 amfetaminesulfaat- amfetamine

nat lijkende sub- toebereiding met

stantie cafeïne en o.a. lactose,

glucose en mannitol

003 gedroogd planten- 53,17 cannabiskruid

materiaal (marihuana)

De rechtbank begrijpt dat de hiervoor weergegeven hoeveelheden netto waarden betreffen, terwijl de in beslag genomen drugs (betreffende de amfetamine) – zoals hiervoor vermeld 1920 gram – bruto waarden betreft.

[betrokkene 1] verklaart op 17 juli 2011 – zakelijk weergegeven – als volgt:

“De ritten begonnen met een telefoontje met [betrokkene 2] ongeveer in januari of februari 2011. Ik ben met [medeverdachte 1] naar [betrokkene 2] gereden. [verdachte] werd toen aan ons voorgesteld. Men vroeg ons of wij bereid zouden zijn voor [verdachte] koeriersritten te maken. [medeverdachte 1] was bereid voor [verdachte] te rijden. De laatste rit was die waarbij [medeverdachte 1] werd aangehouden.“

Verdachte verklaart tegenover de politie – zakelijk weergegeven – als volgt:

“De groene Ford Puma met kenteken [kenteken] is van mijn broertje [naam] geweest. Ik word wel eens [naam] genoemd.”

Ter terechtzitting verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik heb wel eens in de Ford Puma met kenteken [kenteken] gereden.”

Ter terechtzitting heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte een specifiek uiterlijk heeft met een zeer markante kinbeharing. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard deze kinbeharing reeds jarenlang te hebben.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet vast te stellen is dat verdachte op 21 mei 2011 in de Ford Puma aanwezig is geweest.

Deze stelling van de raadsman vindt zijn weerlegging in de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij van ene [naam] de drugs heeft gekregen, die hij in zijn kofferbak heeft gelegd. Deze [medeverdachte 1] herkent van aan hem getoonde foto’s [verdachte] als zijnde [naam]. Bovendien heeft de verbalisant [1] op 21 mei 2011 de hem ambtshalve bekende [verdachte] op de parkeerplaats van de Lidl aan de Leutherweg te Venlo gezien tijdens de overdracht van een plastic zak. Nu de rechtbank heeft waargenomen dat verdachte een specifiek uiterlijk met een markante kinbeharing heeft, acht de rechtbank de ambtshalve herkenning door de verbalisant valide en staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat het verdachte is geweest, die op de parkeerplaats aan de Leutherweg te Venlo de zak, waarin amfetamine is aangetroffen, heeft overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte 1].

Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak bepleit nu in de Volkswagen Golf meerdere plastic tassen zijn aangetroffen en het mogelijk is dat verdachte een tas heeft overhandigd waarin geen amfetamine zat.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit verweer niet op, nu uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat hij van een man ([naam]) een witte, plastic boodschappenzak kreeg, welke zak met drugs door [medeverdachte 1] in zijn kofferbak werd gelegd. Daar lag al een zak met behangresten, die hij had meegenomen om de drugs tijdens de rit in te verstoppen. Tijdens de controle van de Duitse politie wordt een zak aangetroffen, waarin zich behangselresten bevonden. Tussen deze resten bevond zich de – naar later bleek – amfetamine. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Op 29 juni 2011 zijn tijdens een observatie van verdachte de volgende waarnemingen gedaan – zakelijk weergegeven –:

Op 29 juni 2011, omstreeks 11.50 uur, wordt gezien dat een personenauto, merk Fiat, type Stilo, kenteken [kenteken], over de Groenveldsingel in de richting van de Leutherweg te Venlo reed. Omstreeks 11.52 uur werd gezien dat de Fiat stopte ter hoogte van perceel Leutherweg 111 te Venlo. Twee personen stapten uit de Fiat. De bestuurder van de Fiat werd aan de hand van een foto herkend als zijnde [verdachte], [verdachte], geboren op [geboortedatum en plaats]. Omstreeks 13.18 uur wordt gezien dat voornoemde Fiat de parkeerplaats van McDonald’s, gelegen aan de Maasheseweg 89A te Venray opreed. Omstreeks 13.20 uur wordt gezien dat naast [verdachte] een passagier zat. Dit was een man met een gezet postuur, die een witte broek droeg. Om 13.21 reed de Fiat met [verdachte] als bestuurder weg in de richting van de autosnelweg A73. De passagier van de Fiat, die gekleed was in een witte broek, werd aan de hand van een foto herkend als [betrokkene 2]. Gezien werd dat [betrokkene 2] naar een bromfiets liep en aan het bellen was. [betrokkene 2] reed met zijn bromfiets weg van de parkeerplaats van McDonald’s en vervolgde zijn weg over de Maasheeseweg te Venray in de richting van de autosnelweg A73. Omstreeks 14.46 uur werd gezien dat [betrokkene 2] op zijn bromfiets via de [adres] in de richting van de [adres] te Venray reed. Omstreeks 16.40 uur werd gezien dat [betrokkene 2] uit de centrale toegangsdeur van appartementencomplex van perceel [adres] kwam gelopen. Gezien werd dat [betrokkene 2] gekleed was in een zwart jasje en een donkerkleurige broek en dat hij aan het bellen was met een gsm. Omstreeks 16.46 uur werd gezien dat een personenauto merk Chevrolet de [adres] in reed. Aan de zijkanten van dit voertuig stond met witte letters [naam] vermeld. Het kenteken van de Chevrolet, [kenteken], was blijkens navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam gesteld van: [betrokkene 3]. Voornoemde Chevrolet werd bestuurd door [betrokkene 3], die herkend werd aan de hand van een foto. Vervolgens werd gezien dat de Chevrolet stopte op de [adres] te Venray. [betrokkene 3] droeg paarse bovenkleding en er zat een vrouw rechts voorin de Chevrolet. Gezien werd dat [betrokkene 2] middels de linker achter schuifdeur in de Chevrolet was gestapt, waarna deze wegreed over de [adres] in de richting van de [adres]. Omstreeks 16.58 uur werd gezien dat de Chevrolet stopte op het terrein van het tankstation Texaco, gelegen aan de A73, ter hoogte van Venray. Nadat [betrokkene 3] had getankt stapte hij als bestuurder in de Chrevolet en vervolgde om 17.01 uur zijn weg in de richting van de toerit van de A73. Om 17.02 uur werd gezien dat de inzittenden van de Chevrolet werden aangehouden.

Uit tapgesprekken blijkt dat [verdachte] telefonisch contact heeft met onder meer de gebruikers van de telefoonnummers:

- [nummer], dat blijkt te zijn van [betrokkene 4];

- [nummer], dat blijkt te zijn van [betrokkene 2].

Verder is gebleken dat [betrokkene 2] op 24 juni 2011 als gebruiker van het mobiele nummer [nummer] een gesprek heeft met [verdachte]. In dat gesprek vraagt [verdachte] aan [betrokkene 2] van wie dat nummer is en zegt [betrokkene 2] dat dit zijn nieuwe nummer is. Op 27 juni 2011, te 15.26.45 uur, wordt [verdachte] gebeld door [betrokkene 2], waarbij [verdachte] [betrokkene 2] vraagt of hij al iets geregeld heeft. [betrokkene 2] zegt dat hij het zelf wel kan doen. [verdachte] zegt dat hij wat geregeld heeft met die jongen van Duitsland. Op 29 juni 2011 te 10.38.07 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [betrokkene 2], met de tekst: “Ben je waker”. Op 29 juni 2011 te 10.49.11 uur ontvangt [betrokkene 4] een sms-bericht van [verdachte], met de tekst: “Hi [naam] wat voor afspraken dat dat die dike is slaapen en we haden 10 uur afspraak hij neemt ze tel ok niet op gr.” Op 29 juni 2011 te 11.08.02 stuurt [verdachte] een sms-bericht naar de gebruiker van het Duitse telefoonnummer [nummer], zijnde [betrokkene 5], waarin hij een telefoonnummer ([nummer]) doorgeeft. Uit de CIOT bevraging betreffende het telefoonnummer [nummer] blijkt dat dit op naam staat van [betrokkene 3]. Op 29 juni 2011 te 12.46.47 uur wordt [betrokkene 2] gebeld door [verdachte]. In dat gesprek zegt [verdachte] dat hij nu gaat vertrekken. [betrokkene 2] zegt dat hij over twintig minuten bij de McDonald’s zal zijn. Op 29 juni 2011 te 13.11.34 uur ontvangt [betrokkene 2] een sms-bericht van [verdachte] met de tekst: “ben je al ik 3 min.” Op 29 juni 2011 te 13.12.18 uur stuurt [betrokkene 2] een sms-bericht naar [verdachte] met de tekst: “ja ik ben er zit binnen.” Op 29 juni 2011 te 17.37.08 uur belt [verdachte] met [betrokkene 4], waarin hij aan [betrokkene 4] vraagt of deze al iets gehoord heeft van de jongens. De betreffende tapgesprekken bevinden zich in het dossier .

De verbalisanten relateren over een door hen ingesteld onderzoek op 29 juni 2011, op de A73, ter hoogte van hectometerpaal 60.9 linker rijbaan, binnen de gemeente Venray – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 29 juni 2011 waren verbalisanten belast met de gecoördineerde aanpak van aan drugs gerelateerde overlast. Verbalisant [1] ontving informatie uit een lopend strafrechtelijk onderzoek, waarin BOB-middelen waren ingezet. Vermoed werd dat er een hoeveelheid verdovende middelen aanwezig zou zijn in een personenauto, een groene Chevrolet, met kenteken [kenteken]. Op deze auto werd een controle uitgevoerd. Verbalisanten [1] en [3] hielden de inzittenden van genoemde personenauto op de A73 te Venray op grond van de Opiumwet staande. De bestuurder van de personenauto bleek te zijn genaamd: [betrokkene 3]. De bijrijdster bleek te zijn genaamd: [betrokkene 6] en de passagier op de achterbank bleek te zijn genaamd: [betrokkene 2]. Verbalisanten [4] en [5] doorzochten de personenauto. [4] trof achter de bestuurderstoel op de grond een plastic tas aan met het opschrift “Aldi Markt”. Hij zag dat in deze tas een doorzichtige plastic sealbag aanwezig was. Hij zag dat de sealbag gevuld was met een witte substantie, gelijkend op amfetamine of cocaïne. De plastic draagtas met inhoud werd in beslag genomen. Als verdachten werden aangehouden: [betrokkene 3], Nabuurs en [betrokkene 2]. De plastic sealbag met daarin de witte substantie werd door [5] gewogen en getest met een MMC test, type amfetamine. Het gewicht, inclusief de plastic verpakking (sealbag) bleek 1.025,4 gram. De drugstest leverde een positieve test van amfetamine op.

[betrokkene 4] verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik ken [verdachte]. Ik heb hem leren kennen via een ex-relatie van hem, genaamd [betrokkene 7]. Ongeveer 8 à 9 maanden geleden werd ik benaderd door [betrokkene 7] met de vraag of ik voor haar amfetamine wilde verkopen. Op enig moment werd ik benaderd door [verdachte], die zei dat ik hem nog geld schuldig zou zijn. Hij bedreigde mij dat als ik niet zou betalen hij wel zou weten waar ik woonde en wie mijn vriendin was en meer van dat soort bedreigingen. Op een gegeven moment vroeg [verdachte] mij of ik spul voor hem wilde vervoeren naar Duitsland. Rond 29 juni 2011 maakte ik gebruik van telefoonnummer [nummer]. [betrokkene 2] is een vriend van mij. Ik ken hem van de kroeg van [betrokkene 3]. Ik ben begin juni 2011 door [verdachte] benaderd met het verzoek om circa 1 kilo amfetamine weg te brengen naar Duitsland. Hij zou mij goed betalen. Ik wilde niet rijden en beloofde [verdachte] dat ik iemand zou regelen. Ik heb hem toen telefoonnummers gegeven, zodat hij het zelf zou kunnen regelen. Op een gegeven moment wist ik dat [betrokkene 3] samen met [betrokkene 2] zou gaan rijden. [verdachte] vertelde mij dat de rit op 29 juni 2011 zou plaatsvinden. Op enig moment belde [verdachte] op en zei mij dat hij [betrokkene 2] had kunnen bereiken en dat hij het spul en het geld aan [betrokkene 2] had gegeven. Die avond heeft [verdachte] mij meerdere keren gebeld om te vragen of ik iets van die jongens had gehoord.”

Verdachte verklaart op 5 oktober 2011 tegenover de politie – zakelijk weergegeven – als volgt:

“U vraagt mij naar de levering van circa 1 kilogram amfetamine op 29 juni 2011. Ik denk dat dit een zaak betreft waar een ex-vriendin, [betrokkene 7], bij betrokken was. Via haar kwam ik in contact met een jongen, die [naam] heet. Ik heb vervolgens bemiddeld tussen de leverancier uit Venlo en deze jongen uit Venray. Ik heb die kilo amfetamine ontvangen in Venlo. Daarna ben ik naar Venray gereden. Ik had met de eigenaar van [naam] afgesproken bij McDonald’s in Venray. De eigenaar van [naam] heeft een andere jongen gestuurd. Dit was een dikkere jongen, genaamd [betrokkene 2]. Hij kwam daar op een scooter. Ik heb toen die kilo amfetamine aan die [betrokkene 2] gegeven. Die eigenaar van [naam] zou de amfetamine gaan verkopen. Ik heb hem gezegd dat als hij het niet kwijt zou kunnen ik nog wel een persoon in Duitsland zou weten die dit zou willen hebben. U vraagt mij wat er uiteindelijk met de amfetamine is gebeurd. Ik had met die persoon in Duitsland afgesproken dat die eigenaar van [naam] wel contact met hem op zou nemen om het te brengen.

Deze persoon in Duitsland heet [betrokkene 5] en hij woont in Duisburg. Na veel telefoontjes over en weer is besloten om het transport op 29 juni 2011 te doen. Ik heb die dag de kilo amfetamine naar Venray gebracht. Dit heb ik toen bij de McDonald’s in Venray afgegeven aan [betrokkene 2]. U wijst mij op een sms-bericht waarin ik een telefoonnummer doorgeef aan [betrokkene 5]. Dit was volgens mij het nummer van [betrokkene 2]. De auto met het kenteken

[kenteken] is een Fiat Stilo, die is van mijn dochter. Op 29 juni 2011, omstreeks 13.20 uur, kwam [betrokkene 2] bij mij in de auto om die kilo amfetamine te pakken.” Op de vraag van verbalisanten dat zij verdachte ervan verdenken verdovende middelen te hebben geleverd aan [betrokkene 2] die bestemd waren voor [betrokkene 5], antwoord verdachte: “Ja, dat klopt”.

Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat verdachte slechts heeft bemiddeld bij de overdracht van spul, niet wetend dat het naar Duitsland werd vervoerd, overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van verdachte en [betrokkene 4] tegenover de politie en uit de observaties en de tapgesprekken genoegzaam blijkt dat verdachte een actievere rol dan slechts een bemiddelende, heeft gehad bij het opzettelijk naar Duitsland brengen van de aangetroffen drugs. Uit de bewijsmiddelen blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking.

De rechtbank acht daarom medeplegen bewezen.

Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat niet duidelijk is dat er op 29 juni 2011 ook daadwerkelijk sprake is geweest van amfetamine, nu zich in het dossier geen NFI-rapport bevindt, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen is vast komen te staan dat verdachte op 21 mei 2011 (feit 2 primair) tezamen met anderen amfetamine naar Duitsland heeft laten brengen door de koerier [medeverdachte 1]. Tevoren heeft verdachte de amfetamine op een parkeerplaats overgedragen. Uit onderzoek is gebleken dat deze partij amfetamine bevatte.

Op 29 juni 2011 is door verdachte eenzelfde actie uitgevoerd, waarbij de overdracht aan [betrokkene 2] op een parkeerplaats heeft plaatsgevonden, terwijl het vervoer naar Duitsland door de koeriers [betrokkene 2] en Verkaart was gepland. De in de Chevrolet aangetroffen drugs zijn getest en blijkens de indicatieve test was sprake van amfetamine. Bovendien is door verdachte en [betrokkene 4] verklaard dat het ging om 1 kilo amfetamine. Gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank genoegzaam bewezen dat ook op 29 juni 2011 sprake is geweest van amfetamine.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 juni 2011 in Venray, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk die amfetamine afgeleverd aan personen met de opdracht die amfetamine naar Duitsland te vervoeren;

2.

hij op 21 mei 2011 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1615 gram netto, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk die amfetamine afgeleverd aan personen met de opdracht die amfetamine te vervoeren naar Duitsland.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De misdrijven zijn beide strafbaar gesteld bij artikel 10, 5e lid, van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 10 februari 2012 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat hij de eis van de officier van justitie buitensporig hoog vindt. Verdachte was bezig met een

re-integratieproject, wat door oplegging van een langdurige gevangenisstraf niet meer mogelijk is. De raadsman heeft gepleit – bij bewezenverklaring – tot een aanzienlijk lagere straf.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Bewezen verklaard is het medeplegen van opzettelijk naar Duitsland brengen van in totaal bijna 3 kilo (bruto) amfetamine. Harddrugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, leveren grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de – in casu Duitse – samenleving ernstige schade wordt berokkend. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie passend. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot een andere strafmaat dienen te leiden.

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte reeds eerder ter zake van de Opiumwet veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

10.4. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomene, te weten 1.025,4 gram amfetamine, dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemde amfetamine is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met betrekking tot deze amfetamine het feit onder 1 is begaan, terwijl deze amfetamine van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 57, 91.

Opiumwet art. 2, 10.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3 (primair en subsidiair), het onder 4 (primair en subsidiair) en het onder 5 (primair en subsidiair) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart onttrokken aan het verkeer:

1.025,4 gram amfetamine.

Vonnis gewezen door mrs. V.P. van Deventer, A.K. Kleine en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. V.P. van Deventer voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 februari 2012.