Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BV6172

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
04/860338-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Prejudiciele vragen.

Verdachte maakt tijdens een controle op basis van artikel 4.17a Vb2000 vermoedelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en wordt verdacht van overtreding van artikel 231 lid 2 WvSr. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de controle onrechtmatig was en dat de resultaten van deze controle niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt in de strafrechtelijke procedure. De rechtbank is - kort gezegd - van oordeel dat de tot nu toe gevormde jurisprudentie onvoldoende duidelijkheid biedt of artikel 4.17a Vb2000 al of niet strijdig is met de Schengengrenscode. Daarom worden de volgende prejudiciele vragen aan het Hof van Justitie van de EU gesteld:

1. Is artikel 4.17a van het Vb2000 in strijd met het verbod op grenscontroles respectievelijk op aan grenscontroles gelijk te stellen controles als bedoeld in artikel 20 en 21 van de Schengengrenscode?

2. Zo ja, komt een beroep hierop ook toe aan niet-EU burgers danwel personen die geen verblijfstitel in een lidstaat van de EU hebben?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 231
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.17a
Politiewet 1993
Politiewet 1993 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860338-11

Datum uitspraak : 7 februari 2012

Tegenspraak

Tussenvonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 24 januari 2012.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 4 juni 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Portugees paspoort (nummer: [nummer], afgegeven op 6 oktober 2008 en geldig tot 6 oktober 2013), ten naam gesteld van [naam], welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemd paspoort tijdens een controle overhandigd, althans getoond, aan [naam] (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee);

(Artikel 231 Wetboek van Strafrecht)

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Het onderzoek

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank bevonden dat het onderzoek onvolledig is geweest. De rechtbank acht het met de raadsvrouw wenselijk dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen zullen worden gesteld. Daarom zal de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropenen om vervolgens het onderzoek voor onbepaalde tijd te schorsen om antwoord te krijgen op de vraag of artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat er sprake is van een grenscontrole in de zin van artikel 20 of een met een grenscontrole gelijk te stellen controle als bedoeld in artikel 21 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode).

7. Het voorwerp van geschil

Op 28 december 2010 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de vraag beantwoord wat het arrest van 22 juni 2010 in de gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10 (Melki en Abdeli) betekent voor het optreden van de Mobiele Toezicht Vreemdelingen-teams (hierna: MTV-team) zoals dat in Nederland wordt uitgevoerd (ABR 201010789/1/V3, LJN BP0427). De vreemdeling die in de betreffende zaak in beroep was gekomen, was op 17 oktober 2010 in het kader van een Mobiele Toezicht Vreemdelingen-controle (hierna MTV-controle) staande gehouden als passagier van een voertuig, voorzien van een Duits kenteken, op de parkeerplaats Hazeldonk-Oost aan de A16, net achter de Belgisch-Nederlandse grensovergang. In het proces-verbaal dat het MTV-team had opgemaakt was vermeld dat er sprake was van steekproefsgewijze controle, dat er aanleiding bestond om aan te nemen dat sprake was van grensverkeer en dat geen vermenging met het overige verkeer had plaatsgevonden.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vervolgens vastgesteld dat een MTV-controle weliswaar niet hetzelfde doel heeft als een grenscontrole, maar dat die MTV-controle wel hetzelfde effect als een grenscontrole kan hebben. Uit de voornoemde beslissing van het Hof van Justitie leidt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State af dat de wettelijke regeling waarop MTV-controles berusten voldoende waarborgen moet bevatten om te voorkomen dat MTV-controles het effect hebben van een krachtens de Schengengrenscode niet geoorloofde grenscontrole. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State constateert dat de wijze van uitoefening van MTV-controles niet in een wettelijk voorschrift is neergelegd alsmede dat de Vreemdelingencirculaire 2000 met paragraaf A3/2.4 onvoldoende normering van de discretionaire bevoegdheid tot staandehouding behelst. Vervolgens komt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State tot de conclusie dat de bestaande regeling met betrekking tot de MTV-controle als in de betreffende zaak aan de orde was niet voldoet aan de door het Hof van Justitie verlangde waarborgen, zodat de staandehouding bestuursrechtelijk gezien op onrechtmatige wijze had plaatsgevonden. In latere beslissingen heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat de onrechtmatigheid van de MTV-controles ook geldt voor controles van voetgangers en in treinen (12 januari 2011, LJN BP0947 en BP0956).

Vervolgens is op 1 juni 2011 het Besluit van 30 mei 2011, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met nadere regels over het toezicht ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding van kracht geworden. Hierbij is in het Vreemdelingenbesluit 2000 artikel 4.17a ingevoegd.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 20 oktober 2011 geoordeeld (hierna onder punt 13 opgenomen) dat met artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000 voldoende waarborgen in de wet zijn opgenomen om - indien daaraan voldaan - een MTV-controle niet in strijd te laten zijn met de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode. In strafzaken waarbij de strafbare feiten aan het licht zijn gebracht door een MTV-controle moet de vraag worden beantwoord of de controle daadwerkelijk is uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000 geformuleerde voorwaarden. In onderhavige zaak moet deze vraag door de rechtbank worden beantwoord. Voorafgaand aan deze vraag dient de rechtbank de vraag naar de verbindendheid van artikel. 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000 te beantwoorden. Het is met het oog op beantwoording van die laatste vraag dat de rechtbank thans aanleiding ziet ter zake prejudiciële vragen te stellen. Indien het artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 200 onverbindend zou zijn, zou dit immers consequenties kunnen hebben voor de rechtmatigheid van de controle en de daaruit voortvloeiende bewijsmiddelen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat controle op grond van artikel 4.17a van het Vreemdelingenwet 2000 niet alleen uitgevoerd wordt bij internationaal verkeer over de weg, maar ook bij internationaal treinverkeer.

8. Relevante vaststaande feiten

Op 4 juni 2011 heeft in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (hierna: MTV) op de autosnelweg A67 een controle plaatsgevonden. De controlerend verbalisanten hebben van deze controle op 6 juni 2011 een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt. Hierin staat het volgende opgenomen:

• de controle is op Nederlands grondgebied uitgevoerd ingevolge artikel 6, lid 1 onder f en g van de Politiewet 1993 ter bestrijding van illegale immigratie in de nabijheid van de grensovergang;

• de controle is uitgevoerd conform artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000;

• vanuit richting Duitsland kwam over de A67 een autobus van Euroline met het Duitse kenteken [kenteken] aangereden in de richting van Venlo;

• na het passeren van de Duits-Nederlandse grens kreeg de chauffeur van de bus een stopteken waaraan de chauffeur voldeed. Er had op dat moment nog geen vermenging met het binnenlandse verkeer plaatsgevonden;

• verbalisanten hebben op grond van artikel 50 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 de inzittenden van de bus staande gehouden om hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie vast te stellen;

• verdachte is gevraagd een reis- of identiteitspapier te tonen als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 waaruit zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kon blijken;

• verdachte overhandigde een Portugees paspoort met nummer [nummer] afgegeven op 6 oktober 2008 ten name van [naam, geboortedatum en plaats]

• verbalisant zag dat de uiterlijke kenmerken van de persoon afgebeeld op de foto in het paspoort niet overeenkwamen met de uiterlijke kenmerken van verdachte die het paspoort overhandigde. Ook de door verdachte gemaakte handtekening kwam niet overeen met de handtekening in het paspoort;

• verdachte maakte vermoedelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument waarop hij is aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 231 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Vervolgens is door dezelfde verbalisanten op 8 juni 2011 een aanvullend ambtsedig proces-verbaal opgemaakt, waarin is ingegaan op de voorwaarden van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verbalisanten verklaren dat:

- zij zich bevonden op de eerste afslag na de grens tussen Duitsland en Nederland;

- zij op 4 juni 2011 zagen dat een autobus vanuit Duitsland Nederland inreed over de A-67;

- het hen ambtshalve en ervaringshalve bekend is dat er op deze locatie regelmatig illegale immigratie plaatsvindt;

- zij aan de chauffeur een stopteken hebben gegeven bij een BP tankstation dat gelegen is binnen 20 kilometer van de landsgrens met Duitsland;

- uit de urenregistratie volgt dat op 4 juni 2011 ten tijde van de onderhavige controle op deze locatie nog geen 6 uren waren gecontroleerd;

- de 90 controle uren nog niet waren overschreden voor deze controlelocatie in de maand juni.

9. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat in het aanvullende proces-verbaal van 8 juni 2011 voldoende nauwkeurig is omschreven waarom de door de verbalisanten uitgevoerde controle in het kader van MTV voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Nu is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 is sprake van een rechtmatige controle en mogen de resultaten worden gebruikt in deze strafrechtelijke procedure.

10. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onrechtmatige controle in de zin van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000, zodat de resultaten niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt in deze strafrechtelijke procedure. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 8 juni 2011 de feitelijkheden – informatiebasis of ervaringsgegevens, urenregistratie voor de A67 en welk deel van de passerende voertuigen is stilgehouden – niet, althans onvoldoende zijn beschreven zodat niet getoetst kan worden of aan artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 is voldaan. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat wat betreft internationaal groepsvervoer over de weg artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 in strijd is met de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode, te meer omdat Limburg geografisch een smal gebied betreft waardoor er sprake is van een systematische en niet steekproefsgewijze controle.

11. Het standpunt van de rechtbank

De tot nu toe gevormde jurisprudentie biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijkheid met betrekking tot de beantwoording van de na te stellen prejudiciële vragen.

Weliswaar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter, geoordeeld dat art. 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet aan de eisen, gesteld in het arrest Melki en Abdeli; de rechtbank twijfelt evenwel of die waarborgen afdoende zijn, mede gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Bovendien is bij de huidige formulering van art. 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 op geen enkele wijze rekening gehouden met het gedrag van betrokkene of met specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat.

Tot slot vraagt de rechtbank zich met het oog op het recht op vrij verkeer van personen binnen de Unie af of ook een persoon niet zijnde een EU-burger of iemand zonder legaal verblijf in een van de lidstaten een beroep kan doen op de rechten voortvloeiende uit artikel 20 en 21 van de Schengengrenscode.

12. Relevante nationale bepalingen

Artikel 6 Politiewet 1993

1. Aan de Koninklijke marechaussee zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

(…)

f. de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de daartoe door Onze Minister van Justitie aangewezen doorlaatposten en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een verdachte of veroordeelde;

g. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;

Artikel 50 Vreemdelingenwet 2000

1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Degene die stelt Nederlander te zijn, maar dat niet kan aantonen, kan worden onderworpen aan de dwangmiddelen als bedoeld in het tweede en vijfde lid. Bij algemene maatregel van bestuur worden de documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

(…)

Artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000

1. De bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:

b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens.

c. op wegen, vaarwegen en internationaal treinverkeer in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

4. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste twee treinen per traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd en per trein in ten hoogste twee treincoupés.

5. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

13. Relevante nationale rechtspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 20 oktober 2011, LJN BU2849

In overweging 2.3.5. is opgenomen:

“Vastgesteld wordt dat in artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 naar aanleiding van voormelde uitspraak van 28 december 2010 van de Afdeling, onder meer de intensiteit en de frequentie van op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 uit te voeren MTV-controles ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding nader zijn gereguleerd.

Uit rechtsoverweging 75 van het arrest (van 22 juni 2010 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10, Melki en Abdeli), die in samenhang met de rechtsoverwegingen 73 en 74 moet worden gelezen, moet worden afgeleid dat indien een nationale regeling identiteitscontroles in een grensgebied mogelijk maakt en die controles niet afhankelijk zijn van het gedrag van betrokkene of van specifieke omstandigheden, de controlebevoegdheid zodanig dient te worden gereguleerd, dat deze niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole. In de omstandigheid dat in artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 geen rekening is gehouden met het gedrag en specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat die bepaling niet aan de eisen van het arrest zou voldoen.”

14. Relevante Europese bepalingen

Artikel 20 van de Schengengrenscode

Overschrijding van de binnengrenzen

De binnengrenzen kunnen op iedere plaats worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd.

Artikel 21 van de Schengengrenscode

Controles binnen het grondgebied

De afschaffing van het grenstoezicht aan de binnengrenzen doet geen afbreuk aan:

a) de uitoefening van de politiebevoegdheid door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving, voorzover de uitoefening van die bevoegdheid niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles; dit geldt ook in de grensgebieden. Voor de toepassing van de eerste zin kan met name niet worden gesteld dat de uitoefening van de politiebevoegdheid hetzelfde effect heeft als de uitoefening van grenscontroles wanneer de politiële maatregelen:

i) niet grenstoezicht tot doel hebben;

ii) gebaseerd zijn op algemene politie-informatie en -ervaring met betrekking tot mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid en met name bedoeld zijn ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;

iii) worden gepland en uitgevoerd op een manier die duidelijk verschilt van de systematische controles van personen aan de buitengrenzen;

iv) op basis van controles ter plaatse worden uitgevoerd;

(…)

15. De prejudiciële vragen

1. Is artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 in strijd met het verbod op grenscontroles respectievelijk op aan grenscontroles gelijk te stellen controles als bedoeld in artikel 20 en 21 van de Schengengrenscode?

2. Zo ja, komt een beroep hierop ook toe aan niet-EU burgers danwel personen die geen verblijfstitel in een lidstaat van de EU hebben?

16. Bijlagen

16.1. ambtsedig proces-verbaal van 6 juni 2011

16.2. ambtsedig proces-verbaal van 8 juni 2011

16.3. proces-verbaal van de terechtzitting van 24 januari 2012

16.4. uitspraak van de Raad van State van 20 oktober 2011 / LJN BU2849

17. Beslissing

De rechtbank:

heropent het onderzoek ter terechtzitting;

schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;

legt de voormelde prejudiciële vragen over aan het Hof van Justitie van de EU;

beveelt de oproeping van de verdachte en een tolk, tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw.

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, V.P. van Deventer en P.M.S. Dijks, rechters, van wie mr. P.M.S. Dijks voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.C. de Geus-Grob als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 7 februari 2012.

De rechter mr. P.M.S. Dijks en de griffier mr. M.M.C. de Geus-Grob zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.