Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BV3586

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
AWB 12/52
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting met toepassing van artikel 13b van de Opiumwetvoor de duur van drie maanden wegens hennepkwekerij in huurwoning. Verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen in verband met strijd met het reparatoire karakter van de maatregel, omdat verweerder een half jaar heeft gewacht met sluiting en inmiddels een ontbindingsprocedure is gestart waardoor de woning ontruimd zal worden en de kans op herhaling nihil wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 52

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2012 in de zaak tussen

[verzoeker], te Roermond, verzoeker

(gemachtigde: mr. N.V.T. Cremers)

en

de burgemeester van de gemeente Roermond, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2012, verzonden op 5 januari 2012, (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker gelast de woning aan de [adres] te Roermond voor een periode van drie maanden, ingaande op 23 januari 2012 om 14.00 uur, te sluiten en gesloten te houden.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij zich tot de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 januari 2012, waar verzoeker en zijn gemachtigde zijn verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M. van Alphen.

Overwegingen

1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

2. De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) is van oordeel dat aan de vereisten van connexiteit en spoedeisendheid is voldaan. Verzoeker heeft immers bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en deze rechtbank moet bevoegd worden geacht van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Omdat het besluit tot gevolg heeft dat verzoeker zijn woning moet verlaten en het bezwaar van verzoeker dit gevolg niet opschort, staat verder voldoende vast dat verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek heeft. De rechter zal het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen. Daarbij speelt een belangrijke rol het antwoord op de vraag of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft.

3. Vast staat dat bij een onderzoek van de Regiopolitie Limburg-Noord op 12 mei 2011 in verzoekers huurwoning een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Op een oppervlakte van 13 m² stonden 156 hennepplanten van gemiddeld 50 cm hoog. De woning is een rijtjeswoning in een dichtbevolkte buurt. Er was sprake van illegale aftakking van stroom en daarmee van gevaarzetting voor de omwonenden.

4. Op grond hiervan heeft verweerder besloten een last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet op te leggen en de woning van verzoeker te sluiten voor de duur van drie maanden. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de door hem op 8 februari 2011 vastgestelde “Beleidsregels voor het toepassen van bestuursrechtelijke sancties ten aanzien van drugs en hennepteelt in de gemeente Roermond” (hierna: de beleidsregels).

5. Verzoeker voert (kort samengevat) aan artikel 13b van de Opiumwet geen bevoegdheid geeft een woning te sluiten wanneer daarin een hennepkwekerij wordt aangetroffen. Verder vindt hij dat verweerder, mede gelet op de toets aan artikel 8 van het EVRM en de omstandigheden van het geval, had moeten volstaan met een waarschuwing. Verzoeker woont al 27 jaar in de woning en is nooit eerder met hennepteelt in aanraking geweest. Verzoeker bestrijdt dat er ten tijde van het bestreden besluit nog een noodzaak tot sluiting van de woning bestond. De woningbouwvereniging had op dat moment immers al een ontbindingsprocedure gestart. Verzoeker zal zijn woning dan ook op korte termijn moet verlaten. Ook het tijdsverloop van ruim zes maanden tussen het voornemen en het besluit stelt de noodzaak van de sluiting volgens verzoeker in een ander daglicht. Verzoeker vertrouwde erop dat er geen sluiting meer zou volgen. Dat verzoeker zijn woning binnen twee weken zou moeten verlaten, verhoudt zich bovendien niet tot de tijd die verweerder zichzelf heeft gegund om het bestreden besluit te nemen.

6. Over de bevoegdheid van verweerder verwijst de rechter naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 juli 2011 (LJN: BR3945), waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder in geval van een bedrijfsmatige hennepkwekerij in een woning bevoegd is de woning met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, ziet de rechter geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

7. Over de wijze waarop verweerder van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik heeft gemaakt, wordt allereerst overwogen dat de rechter een sluitingsbevel als hier aan de orde op grond van vaste jurisprudentie terughoudend dient te toetsen. Slechts als het besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, zal er aanleiding zijn het besluit te vernietigen of een voorlopige voorziening te treffen.

8. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar zijn beleidsregels. Hierin is onder het kopje “D. Hennepteelt” opgenomen dat de bewoner van een woning, na de eerste constatering dat daarin hennepteelt plaatsvindt, schriftelijk wordt gewaarschuwd dat het voortzetten van die gedragingen zal leiden tot sluiting van het pand. Indien blijkt dat ondanks de waarschuwing de geconstateerde hennepteelt voortduurt, zal de woning, waarin de hennepteelt plaatsvindt, worden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Voor de te volgen bestuurlijke werkwijze wordt vervolgens verwezen naar de in de beleidsregels opgenomen tabel. In die tabel is echter bepaald dat bij bedrijfsmatige hennepteelt, conform de meest actuele versie van de beleidsregels van het openbaar ministerie, een woning zonder voorafgaande waarschuwing en zonder uitzondering voor de duur van één jaar wordt gesloten. Bij overige hennepteelt in een woning volgt bij een eerste constatering een waarschuwing en bij een volgende constatering binnen een termijn van drie jaar na de eerste constatering, alsnog een sluiting voor de duur van een jaar. De tekst van de beleidsregels stemt op dit onderdeel dus niet overeen met hetgeen in de tabel is aangegeven. Verweerders gemachtigde kon ter zitting geen verklaring geven voor dit verschil.

9. Vast staat dat de tekst van de beleidsregels op dit onderdeel niet strookt met hetgeen in de matrix is aangegeven. Immers, in de tekst is vermeld dat bij hennepteelt in woningen eerst een waarschuwing wordt gegeven, terwijl de tabel uitgaat van onmiddellijke sluiting. Indien – zoals hier - sprake is van een aanscherping van beleid en dat beleid wordt gepubliceerd, dan geldt uit een oogpunt van rechtszekerheid dat eventuele onduidelijkheden in het beleid niet zonder meer ten nadele van de belanghebbende mogen worden uitgelegd. Dat klemt temeer nu er geen overgangsregeling is, maar het beleid onmiddellijke werking heeft. Omdat de beleidsregels dermate onduidelijk zijn over de vraag of bij een eerste constatering van (bedrijfsmatige) hennepteelt, zoals hier aan de orde, al of niet eerst een schriftelijke waarschuwing is vereist, is de rechter voorlopig van oordeel dat verweerder vooralsnog, totdat de beleidsregels hierover duidelijkheid verschaffen, per geval dient te beoordelen of volstaan kan worden met een waarschuwing of dat onmiddellijk tot sluiting dient te worden overgegaan. Verweerder heeft die beoordeling in het geval van verzoeker niet gemaakt. In het bestreden besluit gaat verweerder er namelijk vanuit dat sluiting voor de duur van een jaar op grond van het beleid aangewezen is.

10. Over de toets aan artikel 8 van het EVRM overweegt de rechter (mede onder verwijzing naar eerder genoemde uitspraak van 27 juli 2011) dat, indien niet in de beleidsregels is neergelegd dat die toetsing moet plaatsvinden, het de taak van verweerder (dan wel de rechter) is die afweging te maken bij de beantwoording van de vraag of er in het concrete geval reden is van de beleidsregels af te wijken.

11. In de beleidsregels van verweerder ontbreekt een toetsing aan artikel 8 van het EVRM of de opdracht die te verrichten. In de beleidsregels wordt alleen gewezen op het bepaalde in artikel 4:82 en 4:84 van Awb, waarin is bepaald dat voor de motivering van een besluit kan worden volstaan met verwijzing naar beleidsregels en dat het bestuursorgaan steeds overeenkomstig de beleidsregels handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In de beleidsregels wordt niet of nauwelijks omschreven wat moet worden verstaan onder “de met de bevoegdheidsuitoefening in het algemeen belang nagestreefde doeleinden”. Dit heeft tot gevolg dat onduidelijk blijft welke algemene belangen moeten worden afgewogen tegen het belang van een betrokkene die wordt geconfronteerd met een inbreuk op zijn woonrecht.

12. Nu uit de beleidsregels niet volgt hoe de in het algemeen belang nagestreefde doeleinden moeten worden afgewogen tegen de belangen van degene die door de sluiting wordt getroffen, zal verweerder die belangen in de concrete besluitvorming moeten benoemen en tegen elkaar moeten afwegen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afweging in het besluit summier te noemen. In het bestreden besluit heeft verweerder over het algemene belang bij sluiting gesteld dat handel in (soft)drugs (anders dan in gedoogde coffeeshops) verboden is en dat de handel in verdovende middelen een onaanvaardbare reflexwerking op de woonomgeving heeft. Vervolgens heeft verweerder, zonder dat op de concrete omstandigheden waarin verzoeker verkeert wordt ingegaan, besloten in afwijking van de beleidsregels de sluiting van de woning van verzoeker te beperken tot drie maanden. Reden daarvoor is dat verzoeker een zogenoemde first offender is. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde er voorts op gewezen dat verweerder niet tot sluiting van een jaar heeft besloten vanwege de ingrijpendheid van de maatregel. Hoewel dit in het voordeel van verzoeker is, werpt dit naar het oordeel van de rechter wel de vraag op of verweerder niet de uitzondering (sluiting van een jaar) in plaats van de hoofdregel (sluiting van drie maanden) in de beleidsregels heeft opgenomen. Voor veruit de meeste gevallen zal immers opgaan dat de betrokkene een “first offender” is en de maatregel tot sluiting van de woning ingrijpende consequenties heeft.

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker terecht vraagtekens gezet bij de noodzaak van de sluiting, gelet op enerzijds het tijdsverloop sinds het voornemen en anderzijds de ontbindingsprocedure die vorig jaar in gang is gezet. Verweerders gemachtigde heeft hierover verklaard dat de besluitvorming zo lang heeft geduurd, omdat het beleid nieuw is en in meerdere zaken een bestuurlijke afweging moest worden gemaakt. Ondanks de ontbindingsprocedure en het tijdsverloop acht verweerder een sluiting nog steeds noodzakelijk. De rechter passeert deze argumenten. Het betreft hier een maatregel die reparatoir van aard is en geen punitief karakter mag krijgen. Niet voor niets is in de beleidsregels opgenomen dat voor toepassing van bestuursdwang in de vorm van sluiting wordt gekozen om verdere verwaarlozing van het pand en eventuele herhaling van de overtreding te voorkomen en ten slotte eventueel optredende maatschappelijke onrust weg te nemen. Na ontvangst van de politierapportage op 31 mei 2011 en na de aankondiging van het voornemen de woning te sluiten op 7 juli 2011, heeft verweerder tot maar liefst 4 januari 2012 gewacht met het nemen van het bestreden besluit. Dat de beleidsregels nieuw zijn is daarvoor een onvoldoende rechtvaardiging (nog daargelaten dat de beleidsregels al op 8 februari 2011 zijn vastgesteld). Inmiddels was bovendien bekend dat de woningbouwvereniging een ontbindingsprocedure was gestart en onweersproken is dat deze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot ontruiming van verzoekers woning zal leiden. Daardoor moet het risico op herhaling nihil worden geacht. Onder deze omstandigheden acht de rechter ontoereikend gemotiveerd dat een sluiting zich verdraagt met het reparatoire karakter van deze maatregel en dat de nadelige gevolgen van het besluit voor verzoeker niet onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Bij het te nemen besluit op bezwaar dient verweerder tevens te betrekken hetgeen onder rechtsoverweging 8 en 11 is overwogen.

14. De rechter zal het verzoek daarom toewijzen en het bestreden besluit schorsen tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar.

15. De rechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt in verband met het verzoek en de behandeling ter zitting 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de datum van bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van verzoeker;

- veroordeelt verweerder in de kosten van onderhavige procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan de griffier van de rechtbank Roermond;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2012.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 februari 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.