Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BV2874

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-02-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
Awb 12/57
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b van de Opiumwet. Woningsluiting voor de duur van een jaar wegens hennepkwekerij in eigen woning die een brand heeft veroorzaakt. Ondanks gebreken in besluitvorming verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 57

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2012 in de zaak tussen

[verzoeker], te Roermond, verzoeker

(gemachtigde: mr. M.P.J.C. Heuvelmans)

en

de Burgemeester van de gemeente Roermond, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2011, verzonden op 21 december 2011, heeft verweerder verzoeker gelast de woning aan de [adres] te Roermond voor een periode van één jaar, ingaande op 16 januari 2012 om 10.00 uur ‘s ochtends, te sluiten en gesloten te houden. Indien verzoeker de begunstigingstermijn niet gebruikt om het bevel tot sluiting zelf ten uitvoer te brengen, zal verweerder de sluiting van gemeentewege laten effectueren op kosten van verzoeker.

Tegen dit besluit is verzoeker bij schrijven van 12 januari 2012 een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Verweerder heeft telefonisch laten weten dat de sluiting niet zal worden geëffectueerd voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 januari 2012, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. S. van Knippenberg, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M. van Alphen.

Overwegingen

1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

2. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

3. De rechter ziet geen beletselen om verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Nu de begunstigingstermijn op 16 januari 2012 is verstreken, is de vereiste onverwijlde spoed eveneens aangetoond. De rechter komt dan ook toe aan een verdere belangenweging als hierboven bedoeld en in dat kader tevens aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel in de hoofdzaak.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit een rapportage van 31 oktober 2011 van de Regiopolitie Limburg-Noord is gebleken dat in de door verzoeker bewoonde woning aan de [adres] te Roermond – nadat daarin brand was uitgebroken - een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. In totaal werden 96 hennepplanten aangetroffen. Verder werd er illegaal elektriciteit afgetapt. Door kortsluiting in een ventilator is brand ontstaan. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid is er volgens verweerder sprake van bedrijfsmatige hennepteelt. Verweerder heeft verwezen naar de door hem op 8 februari 2011 vastgestelde beleidsregels. In die beleidsregels is in de matrix aangegeven dat een woning met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet (in beginsel) voor één jaar wordt gesloten, indien geconstateerd wordt dat sprake is van bedrijfsmatige hennepteelt in die woning. Voor hetgeen onder bedrijfsmatige hennepteelt wordt verstaan, is verwezen naar de terzake door het openbaar ministerie opgestelde beleidsregels. In de omstandigheden van het geval heeft verweerder geen aanleiding gevonden om voor wat betreft de duur van de sluiting van het beleid af te wijken. Hoewel het de eerste keer is dat een hennepkwekerij in de woning wordt aangetroffen, heeft verweerder zwaar laten wegen dat het hier een rijtjeswoning betreft en er een brand heeft plaatsgevonden door de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de woning. Door de brand is de veiligheid van de bewoners en goederen van de aangrenzende woningen in gevaar gekomen.

5. Verzoeker voert primair aan dat verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet niet bevoegd is om een woning te sluiten wanneer daarin een hennepkwekerij wordt aangetroffen. Het telen van hennep valt volgens verzoeker niet onder de werkingssfeer van artikel 13b van de Opiumwet. Daartoe is onder meer verwezen naar de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van artikel 13b van de Opiumwet in 2007, waaronder de verwerping van het amendement Teeven. Nu er geen eerdere oogsten zijn geweest, betoogt verzoeker dat het aantreffen van 96 hennepplanten van ongeveer 4 weken oud en dus nog lang niet oogstrijp, er niet op duidt dat deze aanwezig waren om te worden verkocht, afgeleverd, of verstrekt in de zin van artikel 13b van de Opiumwet. Aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is dan ook niet voldaan, aldus verzoeker.

Subsidiair is aangevoerd dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Nu het gebruik maken van de sluitingsbevoegdheid inbreuk maakt op het woonrecht, dat onder meer in artikel 8 van het EVRM wordt beschermd, dient een sluiting ultimum remedium te zijn en zou met een stappenplan gewerkt moeten worden. Bij een eerste constatering van drugshandel vanuit een woning (die ook als zodanig wordt gebruikt) zou in eerste instantie volstaan moeten worden met een minnelijk vooroverleg, een schriftelijke waarschuwing of het opleggen van een dwangsom. Voor dit standpunt is eveneens verwezen naar de wetsgeschiedenis bij de wijziging van artikel 13b Opiumwet. Tevens is verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 9 juni 2011, LJN: BQ8685, die op een vergelijkbare casus ziet, aldus verzoeker. Verzoeker wijst verder op een uitspraak van deze rechtbank van 7 juli 2010, LJN: BN0961, waarin is overwogen dat ingevolge het bepaalde in artikel 8 EVRM voor sluiting van woningen een verzwaarde bewijslast en motiveringsplicht geldt. Uit de beleidsregels blijkt volgens verzoeker niet op grond van welke zwaarwegende argumenten ook voor woningen een sluiting van één jaar zonder voorafgaande waarschuwing noodzakelijk is. Bij de behandeling ter zitting is in dit verband nog aangevoerd dat niet is aangetoond dat van bedrijfsmatige teelt van hennep sprake is geweest en dat verweerder, conform de beleidsregels, ook om die reden had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing.

Verzoeker heeft ten slotte erop gewezen dat hij de woning, die sinds vijf jaar zijn eigendom is, daadwerkelijk samen met zijn broer bewoont, en dat hij geen vervangende woonruimte heeft. Verzoeker moet rondkomen van een inkomen van € 1500,00 per maand. Hij heeft twee hypotheken waarvan de maandelijkse aflossing € 476,00 en € 300,00 per maand bedraagt, waardoor hij nauwelijks kan rondkomen. Betoogd wordt dat verzoeker financieel niet in staat is om gedurende één jaar dubbele woonlasten te dragen. Verder is aangevoerd dat verzoeker een blanco strafblad heeft en niet is gebleken van concrete overlast of onrust in of rondom de woning in verband met de aanloop van drugsgebruikers. Sinds het incident van 18 oktober 2011 zijn er geen nieuwe overtredingen van de Opiumwet gepleegd. Naar de mening van verzoeker rechtvaardigt de afweging van het algemeen maatschappelijk belang om drugsoverlast en –handel terug te dringen enerzijds, afgezet tegen voornoemde persoonlijke belangen van verzoeker en de beschermende werking van artikel 8 EVRM anderzijds, niet dat de woning van verzoeker zonder voorafgaande waarschuwing voor de duur van één jaar wordt gesloten.

6. De rechter overweegt, voorlopig oordelend, als volgt.

7. Naar aanleiding van hetgeen namens verzoeker primair is aangevoerd, verwijst de rechter naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 juli 2011, LJN: BR3945, waarin in een vergelijkbaar geval het volgende is overwogen:

“Anders dan namens eisers bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep(planten) voldoende basis vormt voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat de planten, zoals in het thans voorliggend geval, nog niet waren geoogst, maakt dat niet anders. Tot de middelen waarop die bepaling betrekking heeft behoort immers, gelet op b lijst II bij de Opiumwet, ook elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. De in de woning van eisers aangetroffen hoeveelheid hennepplanten is van zodanige omvang dat deze niet bestemd kan zijn voor eigen gebruik, maar geacht moet worden aanwezig te zijn om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de zin van die bepaling van de Opiumwet. Namens eisers is in lijn met een uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2011 (LJN: BP6668) een beroep gedaan op de parlementaire voorbereiding van de uitbreiding van de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet tot woningen. Enkele passages uit de kamerbehandeling roepen inderdaad twijfel op over de bedoeling van de betrokken minister om deze wetswijziging van toepassing te laten zijn op hennepkwekerijen. Deze twijfel geeft de rechtbank echter geen aanleiding voor een beperktere uitleg dan uit de duidelijke tekst van die bepaling volgt. De rechtbank verwijst voorts naar de uitspraken van de voorzieningenrechter van 3 mei 2011 (LJN: BQ3816) en van 10 mei 2011 in de zaak van eisers, in welke uitspraken is teruggekomen van eerdergenoemde uitspraak van 3 maart 2011. Met de overwegingen in die latere uitspraken verenigt de rechtbank zich. De conclusie moet dan ook zijn dat verweerder zich in het onderhavige geval terecht bevoegd heeft geacht om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van eisers woning over te gaan”.

8. De rechter ziet geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de bevoegdheid van verweerder om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van een woning, waarin bedrijfsmatig hennep wordt geteeld, ook indien sprake is van nog niet oogstrijpe hennepplanten, over te gaan. Deze grond geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak een gerede kans maakt niet in stand te kunnen blijven. De rechter volgt verzoeker niet in diens betoog dat bedrijfsmatige hennepteelt niet zou zijn aangetoond. Uit de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie volgt dat bij de vaststelling of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt drie factoren een rol spelen, te weten de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt. Bij een hoeveelheid van 5 planten of minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Naar het voorlopig oordeel van de rechter volgt uit het aantal planten (96), dat is aangetroffen, dat van bedrijfsmatige teelt sprake is geweest. Verzoeker heeft bij de behandeling ter zitting bovendien desgevraagd bevestigd dat hij de oogst wilde verkopen en dat hij met de opbrengst van de oogst zijn financiële nood wilde verzachten.

9. Met betrekking tot hetgeen namens verzoeker subsidiair is aangevoerd ten aanzien van de wijze waarop verweerder van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik heeft gemaakt, overweegt de rechter als volgt.

10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2006, LJN: AY5066 ) dient de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b van de Opiumwet, terughoudend te toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingsduur beschikt de burgemeester over beslissingsruimte. In lijn met eerdere uitspraken heeft de Afdeling in de uitspraak van

8 september 2010 (LJN: BN6187) geoordeeld dat de burgemeester, gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, te weten preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden, bij de vaststelling van de sluitingstermijn mag betrekken de noodzaak om de bekendheid van de inrichting als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen alsmede een verdere aantasting van het woon en leefklimaat te voorkomen.

11. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar zijn beleidsregels. Op 8 februari 2011 zijn de “Beleidsregels voor het toepassen van bestuursrechtelijke sancties ten aanzien van drugs en hennepteelt” vastgesteld. Deze zijn op die datum gepubliceerd in het huis-aan-huisblad “De Trompetter”. Deze beleidsregels hebben onmiddellijke werking en zijn van toepassing verklaard op besluiten die na 8 februari 2011 zijn genomen. Hierin is onder het kopje “D. Hennepteelt” de volgende tekst opgenomen:

“ Om te bepalen of er sprake is van hennepteelt wordt de meest actuele versie van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie gehanteerd. De politie rapporteert schriftelijk aan de burgemeester over de ontmanteling van een hennepkwekerij. Gebruikers/bewoners en de eigenaar van de woning of het lokaal worden na de eerste constatering dat er sprake is van een hennepkwekerij schriftelijk gewaarschuwd dat het voortzetten van die gedragingen (of het onvoldoende tegengaan daarvan) zal leiden tot sluiting van het pand. De waarschuwing gaat ook naar personen van wie uit feiten of omstandigheden blijkt dat zij betrokken zijn bij de hennepkwekerij. Hierbij wordt o.a. gedacht aan personen die de ruimte voor de kwekerij opzetten en inrichten en de hennepplanten verzorgen en oogsten. Indien blijkt dat ondanks de waarschuwing de geconstateerde hennepteelt voortduurt, zal de woning of het lokaal, waarin hennepteelt plaatsvindt, worden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Indien er tevens sprake is van overlast zal de sluiting mede worden gebaseerd op artikel 174a van de Gemeentewet. Voor toepassing van bestuursdwang in de vorm van sluiting wordt gekozen om verdere verwaarlozing van het pand en eventuele herhaling van de overtreding te voorkomen en tenslotte eventueel optredende maatschappelijke onrust weg te nemen.”

Na deze tekst is vervolgens een matrix opgenomen. Daarin is bij “bedrijfsmatige hennepteelt in een woning of ander lokaal” bij elke overtreding als maatregel opgenomen “sluiting voor de duur van een jaar”. In geval van “overige hennepteelt in een woning of ander lokaal ” is gesteld dat bij een eerste constatering een waarschuwing volgt en bij een volgende constatering binnen een termijn van drie jaar na de eerste constatering, alsnog een sluiting voor de duur van een jaar.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder desgevraagd verklaard dat de matrix leidend is en dat de daaraan voorafgaande tekst verwijst naar het oude beleid waarin het staande praktijk was dat in geval van hennepkwekerijen slechts een waarschuwing werd gegeven. Aan de hand van politierapportages is geconstateerd dat in de afgelopen jaren het aantal in de gemeente Roermond opgerolde hennepkwekerijen oploopt. Dit gaat gepaard met allerlei negatieve gevolgen voor de samenleving. Verweerder heeft in navolging van de in de gemeente Venlo gevolgde aanpak, besloten die ongewenste ontwikkeling tegen te gaan en ook te voorkomen dat de veiligheid in het gedrang komt gelet op de risico’s die hennepplantages meebrengen.

12. De rechter stelt met verzoeker vast dat de tekst van de beleidsregels op dit onderdeel niet strookt hetgeen in de matrix is aangegeven nu in de tekst is vermeld dat bij hennepteelt in woningen eerst een waarschuwing wordt gegeven. Uit de tekst blijkt niet dat dit een weergave betreft van het oude beleid. De gepubliceerde beleidsregels zijn dan ook op het punt van de op te leggen maatregelen in geval van hennepteelt onduidelijk en verwarrend. Het staat verweerder vrij om beleid aan te scherpen, evenwel geldt uit een oogpunt van rechtszekerheid dat eventuele onduidelijkheden in het gepubliceerde beleid niet zonder meer ten nadele van de belanghebbende mogen worden uitgelegd. Dat klemt temeer omdat er sprake is van onmiddellijke werking. Omdat de beleidsregels dermate onduidelijk zijn ten aanzien van de vraag of bij een eerste constatering van (bedrijfsmatige) hennepteelt, zoals hier aan de orde, al of niet een schriftelijke waarschuwing is vereist, is de rechter voorlopig van oordeel dat verweerder vooralsnog, totdat de beleidsregels hierover duidelijkheid verschaffen, per geval dient te beoordelen of volstaan kan worden met een waarschuwing of dat onmiddellijk tot sluiting dient te worden overgegaan. De rechter stelt vast dat verweerder in onderhavig geval die beoordeling niet heeft gemaakt, nu is volstaan met de overweging dat er in de omstandigheden van het geval geen aanleiding is gevonden van het beleid, dat in beginsel tot sluiting voor een jaar wordt overgegaan, af te wijken. Met de enkele verwijzing naar het beleid is het besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd.

13. In genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 juli 2011, heeft de rechtbank over de toets aan artikel 8 van het EVRM onder meer overwogen dat de toepassing van de desbetreffende vorm van bestuursdwang er in concreto niet toe mag leiden dat het recht op respect voor het privé leven, het familie en gezinsleven en de woning onevenredig wordt aangetast. Daartoe dienen de met de bevoegdheidsuitoefening in het algemeen belang nagestreefde doeleinden, voor zover die onder het bereik van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM vallen, te worden afgewogen tegen de ingevolge het eerste lid van die bepaling te beschermen belangen van degene die daardoor wordt getroffen. De taak om die afweging te maken rust in de eerste plaats op de burgemeester als bevoegd bestuursorgaan. Indien het desbetreffende besluit ter beoordeling aan de rechter wordt voorgelegd, ligt die afweging ook op zijn weg, zij het dat hem enige terughoudendheid daarbij past in het bijzonder waar het de waardering van door de wetgever aan het bestuursorgaan toevertrouwde belangen betreft. Indien die afweging niet in de beleidsregels is te vinden, dienen zowel verweerder als de rechtbank hun respectieve taak tot het maken van die afweging uit te voeren in het kader van de beantwoording van de vraag of er in het concrete geval reden is om van de beleidsregels af te wijken.

14. Het vorenstaande toepassend op het voorliggend geval, overweegt de rechter dat (ook) in de beleidsregels van de gemeente Roermond een belangenafweging en motivering, zoals artikel 8 EVRM vereist, ontbreekt. Verder wordt in de beleidsregels van de gemeente Roermond een beschrijving gemist van “de met de bevoegdheidsuitoefening in het algemeen belang nagestreefde doeleinden”. Verweerder heeft een en ander bij de behandeling ter zitting uiteengezet. Een beschrijving is relevant om de met de bevoegdheidsuitoefening nagestreefde doeleinden, voor zover die onder het bereik van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM vallen, te kunnen afwegen tegen de ingevolge het eerste lid van die bepaling te beschermen belangen van degene die daardoor wordt getroffen, zoals in de hiervoor vermelde uitspraak is aangegeven. Voor zover een en ander niet in de beleidsregels is opgenomen, dient verweerder voornoemde belangen in zijn concrete besluitvorming te benoemen en af te wegen.

15. Verweerder heeft in het bestreden besluit de vraag of er in het concrete geval reden is om van de beleidsregels, die bij bedrijfsmatige hennepteelt uitgaan van een sluitingstermijn van een jaar, af te wijken in die zin beantwoord dat daartoe geen aanleiding wordt gezien ondanks het feit dat verzoeker een first offender is. Daartoe heeft verweerder in aanmerking genomen dat het hier een rijtjeswoning betreft en er een brand heeft plaatsgevonden, die een rechtstreeks gevolg is van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de woning. Door deze brand is er door verzoekers toedoen feitelijk sprake geweest van gevaarzetting en is een rechtstreekse bedreiging van de veiligheid van de bewoners van de aangrenzende woningen ontstaan. Deze omstandigheid heeft verweerder zwaarder laten wegen dan de persoonlijke en financiële belangen van verzoeker die door de sluiting worden getroffen.

16. Naar het voorlopig oordeel van de rechter heeft verweerder bij zijn besluitvorming zwaar mogen laten wegen dat er een (beginnende brand) is geweest, waardoor grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de buurt zijn ontstaan. Deze brand, die een grote rookontwikkeling tot gevolg had, was nota bene de aanleiding dat de hulpdiensten werden gealarmeerd. Verzoeker heeft bij de behandeling ter zitting weliswaar aangevoerd dat er nog geen brand was, maar alleen rookontwikkeling doordat de apparatuur van de kwekerij was gaan smeulen, maar dat neemt niet weg dat elk moment sprake had kunnen zijn van een uitslaande brand, die ernstige gevolgen had kunnen hebben in een drukbevolkte woonwijk. Verweerder voert het beleid inzake drugs en hennepteelt onder meer in het belang van de veiligheid van personen en goederen. De risico’s die verweerder juist beoogt te voorkomen hebben zich door de hennepkwekerij van eiser verwezenlijkt, aan welke omstandigheid verweerder een groot gewicht heeft mogen toekennen.

17. Gelet op het vorenstaande is de rechter voorlopig van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval niet kennelijk onredelijk heeft besloten door de woning van verzoeker zonder voorafgaande waarschuwing voor de duur van een jaar te sluiten. Voor zover de formulering van de belangenweging en de gehanteerde motivering, mede gelet op de hiervoor geconstateerde onduidelijkheid in het beleid, gebrekkig is kan dat naar het oordeel van de rechter in het nog te nemen besluit op bezwaar worden hersteld. Ten aanzien van de inbreuk op het woonrecht overweegt de rechter in dat verband dat verzoeker ter zitting heeft verklaard dat zijn broer inmiddels bij diens vriendin is gaan inwonen. Gelet op de met de bevoegdheidsuitoefening in het algemeen belang nagestreefde doelen, waarbij in dit geval bijzonder zwaar weegt dat van een beginnende brand sprake is geweest, kan naar het voorlopig oordeel van de rechter niet op voorhand worden gezegd dat verzoeker door sluiting voor de duur van een jaar onevenredig in zijn belangen wordt getroffen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit een gerede kans maakt in de hoofdzaak niet in stand te blijven.

18. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding gezien. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2012.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. B.J. Zippelius,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 februari 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.