Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:609

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
850073-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting, meermalen gepleegd; overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994; overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk. Ontzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden. Betalen schadevergoeding aan slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummers : 04/850073-12 en 04/816375-10 (t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak : 8 juni 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaken tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 Roermond.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

25 mei 2012.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

in de zaak met parketnummer 04/850073-12:

hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2010 tot en met 30 september 2011 in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer van de hierna genoemde personen en/of bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van de hierna genoemde bedragen

aan geld en/of goed(eren), te weten

a.

1. [slachtoffer 1] te [C.] tot afgifte van Euro 200,-- of daaromtrent als aanbetaling voor

de levering van dubbelglas, en

2. [slachtoffer 2] te [K.] tot afgifte van Euro 155,-- of daaromtrent als aanbetaling

voor de levering van een grindvloer, en

3. [slachtoffer 3] te [R.] tot afgifte van Euro 200,-- of daaromtrent als aanbetaling voor

de levering van een (sier)grindvloer,

welke valse hoedanigheid en/of welk samenweefsel van verdichtsels daaruit hebben/heeft bestaan, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) opzettelijk vals, listig en bedrieglijk op een of meer internetsite(s) en/of (vervolgens) in (e-mail) contacten met bovengenoemde personen hebben/heeft voorgedaan als bonafide verkoper(s)/leverancier(s) die bereid en in staat waren/was het gekochte te leveren waardoor bovengenoemde personen (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

en/of

b.

1. [slachtoffer 4] te [W.] tot afgifte van een apparaat om stucwerk (PS40) te

spuiten en/of een apparaat om latex (LP 460) te spuiten en/of een apparaat om latex

(LP540) te spuiten ter waarde van respectievelijk 4100,-- euro en/of 2700,-- euro en/of

2999,-- euro of daaromtrent, en

2. [slachtoffer 5] te [B.] tot afgifte van 40 zogenaamde Downlighters ter waarde van 1897,05

euro of daaromtrent, en

3. [slachtoffer 6] te [V.] tot afgifte van een hoeveelheid verf en/of verfaccessoires en/of

glasweefsel en/of glasweefsellijm ter waarde van 2982,54 euro of daaromtrent,

welke valse hoedanigheid en/of welk samenweefsel van verdichtsels daaruit hebben/heeft bestaan, dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich opzettelijk vals, listig en bedrieglijk ten overstaan van bovengenoemde personen en/of bedrijven hebben/heeft voorgedaan als bonafide koper(s) die bereid en in staat waren/was het gekochte te betalen waardoor

bovengenoemde personen en/of bedrijven (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

(artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht)

in de zaak met parketnummer: 04/816375-10:

1.

hij op of omstreeks 02 april 2010 in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 545 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art. 8 Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op of omstreeks 02 april 2010 in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, (autosnelweg) A2, met een zeer lage (ongeveer 30 kilometer per uur) snelheid heeft gereden en/of slingerend rijgedrag heeft vertoond en/of over de vluchtstrook en/of berm van deze A2 is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden

veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art. 5 Wegenverkeerswet 1994;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlasteleggingen kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlasteleggingen door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 Bewijsoverwegingen

7.1.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 25 mei 2012 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich in de overgelegde pleitnota met betrekking tot de tenlastelegging met parketnummer 04/850073-12 op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde onderdelen: a.2, a.3 en b.3. Ter terechtzitting heeft de raadsman voorts gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel b.1, aangezien verdachte ontkent de betreffende apparaten te hebben besteld. Ten aanzien van de onderdelen a.1 en b.2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de tenlastelegging met parketnummer 04/816375-10 heeft de raadsman zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.

Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van parketnummer 04/850073-12 1

Op 10 september 2010 doet [slachtoffer 1] aangifte 2 en verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik doe aangifte van oplichting. Ik wilde dubbelglas in mijn woning te [C.] laten plaatsen en kwam via Google uit bij het [Variant op bedrijfsnaam 1] . Op 18 mei 2010 kwam het bedrijf aan de deur; ze hebben opgemeten en kwamen met een offerte. Ik ging hiermee akkoord en het bedrijf vroeg een aanbetaling van € 200,--. Ik heb dit bedrag betaald. Ik heb in totaal vier keer contact gehad met het bedrijf voor de plaatsing van de ruiten. Ik kreeg steeds een andere verklaring waarom ze niet konden komen. Ik verwacht niet dat ze de ruiten komen plaatsen. Ik heb hierdoor een schade geleden van € 200,--.”

In het dossier bevindt zich een afschrift van een offerte 3, waarop onder meer is vermeld – zakelijk weergegeven –:

“Het leveren en monteren van glas, totaal prijs € 745,40. Betaling: 30%, € 200,-- bij akkoord opdracht bij opmeten contant bij opmeten; met vriendelijke groet, [verdachte] ” en daarop handgeschreven € 200,-- 18-05-2010.”

Ter terechtzitting 4 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:

“Ik ben bij de heer [slachtoffer 1] in [C.] aan de deur geweest. Ik heb die € 200,-- ontvangen.”

Op 30 juni 2011 doet [slachtoffer 2] aangifte 5 en verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik doe aangifte van oplichting door de heer [verdachte] , wonende op de [adres 1] . In mei 2011 heb ik gereageerd op een advertentie van [bedrijfsnaam 1] in de Telegraaf. In de advertentie stond het volgende vermeld:

- [Variant op bedrijfsnaam 1] , [adres 1] , [e-mailadres 1] .

Ik heb dit bedrijf via de mail gevraagd om een offerte voor een grindvloer in mijn woning te [K.] . Van het bedrijf ontving ik op 11 mei 2011 een offerte voor siergrind. De totaalprijs kwam uit op € 385,--. Betaling was 40% bij akkoord opdracht, € 155,-- contant aan de vertegenwoordiger. Op 12 mei 2011 heb ik gebeld met een man die zich [verdachte] noemde. Ik heb een kleurmonster afgegeven op de [adres 1] . De man stelde zich voor als [verdachte] . Hij gaf aan dat hij eerst de aanbetaling op de rekening wilde hebben. Ik heb toen de € 155,-- aanbetaald op rekening nummer Bank Triodos [rekeningnummer] . Toen ik 5 à 6 dagen niks meer van [verdachte] hoorde heb ik telefonisch contact met hem opgenomen. Hij gaf toen aan dat hij problemen had met de kleurmix. Na een week heb ik weer contact met hem opgenomen, toen zei hij me dat hij het grind nog steeds niet binnen had. Na nog een week te hebben gewacht ben ik naar de [adres 1] gereden. [verdachte] deed open en zei me dat zijn mobiele telefoon kapot was en dat hij niks kon ontvangen. Hij beloofde mij dat hij die week zou komen voorstrijken. Uiteindelijk heb ik hem een sms gestuurd met de mededeling dat hij mij het aanbetalingsbedrag van € 155,-- moet terugbetalen. Ik heb tot op heden niks meer van [verdachte] vernomen.”

Ter terechtzitting 6 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:

“Ik heb die offerte voor de heer [slachtoffer 2] uitgebracht en het kleurmonster in ontvangst genomen. Het bankrekeningnummer [rekeningnummer] is van [betrokkene] .”

Op 22 september 2011 doet [slachtoffer 3] aangifte 7 en verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik doe aangifte van oplichting. In het Dagblad De Limburger van 8 augustus 2011 las ik een advertentie van een bedrijf met het e-mailadres [e-mailadres 2] met betrekking tot siergrindvloeren. Ik belde toen naar het in die advertentie vermelde telefoonnummer en sprak met een mij onbekende man. Die middag kwam die man met een koffer bij mij thuis te [R.] . Ik zei die man dat ik in de garage een siergrindvloer wilde hebben. Aan de hand van een folder kozen mijn vrouw en ik voor de siergrindvloer S6500. Die man maakte een handgeschreven offerte en zei dat het totaalbedrag voor het aanbrengen van die siergrindvloer € 630,-- zou bedragen. Verder zei die man dat hij materialen diende te bestellen en daarom een aanbetaling van ons wenste van 30%, zijnde € 200,--. Mijn vrouw en ik waren daarmee akkoord en mijn vrouw overhandigde die man € 200,--. Ik verzocht die man om op die offerte te vermelden dat wij een aanbetaling hadden gedaan en om zijn naam te vermelden. Die man schreef de naam [verdachte] op de offerte en vermeldde dat wij een aanbetaling hadden gedaan. Uit die offerte bleek mij dat deze van [Variant op bedrijfsnaam 2] was. Eind augustus 2011 was nog niet gestart met de siergrindvloer. Toen belde ik het in de offerte genoemde telefoonnummer en een man genaamd [verdachte] nam op. Hij bevestigde dat op 2 september 2011, tussen 09.00 en 10.00 uur gestart zou worden met de voorbereiding van de ondervloer in mijn garage. Toen op 2 september 2011 omstreeks 10.00 uur niemand naar mij toe was gekomen, ben ik naar het in de offerte vermelde adres [adres 1] gegaan. Er werd niet opengedaan. Die middag kwam [verdachte] naar mij toe. Ik ging met hem naar de garage. Hij heeft water met zoutzuur op de garagevloer aangebracht. Op 5 september 2011 kwam [verdachte] weer. Hij verspreidde met een verfroller een wit goedje over mijn garagevloer. Dit zou het impregneren van de vloer betreffen. [verdachte] zegde mij toe dat hij op 6 september 2011 om 11.00 uur de siergrindvloer in mijn garage zou aanbrengen. Hij zei dat hij alle benodigde materialen had. Op 6 september 2011 omstreeks 11.30 uur was [verdachte] nog niet bij mij thuis gekomen. Ik stuurde hem een e-mailbericht waarbij ik hem verzocht om binnen twee dagen die siergrindvloer aan te leggen of om de door ons betaalde € 200,-- aan ons terug te betalen. Op 7 september 2011 ontving ik een e-mailbericht van [bedrijfsnaam 4] met e-mailadres [e-mailadres 1] , waarin ene [verdachte] zei dat hij de materialen pas a.s. vrijdag zou binnenkrijgen en dat hij de maandag of dinsdag de vloer zou komen aanbrengen. In dat bericht waren ook gegevens met betrekking tot [Variant op bedrijfsnaam 2] vermeld. Op 17 september 2011 ontving ik een e-mailbericht van [bedrijfsnaam 3] dat iemand de dinsdag daarna bij mij zou langskomen. Ik heb echter nooit meer iets van die [verdachte] vernomen.”

In het dossier bevindt zich een afschrift van een offerte 8, waarop onder meer is vermeld – zakelijk weergegeven –:

“23 m2 grind en 23m2 sealing S6500: € 630,--. Betaling 30%, € 200,-- contant bij akkoord van deze offerte” en daarop handgeschreven: “Betaald 8-8-2011 € 200,--; [verdachte] ”.

Ter terechtzitting 9 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:

“Ik ben bij [slachtoffer 3] geweest en heb € 200,-- ontvangen.”

Op 26 augustus 2011 doet [aangever 1] namens [slachtoffer 4] te [W.] aangifte 10 en verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik ben werknemer van het bedrijf [slachtoffer 4] . Ik doe de verkoop van schilderapparatuur bij bedrijven. Op 12 juli 2011 werd ik gebeld door [verdachte] , eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] . Hij vroeg of wij specifieke apparaten hadden om stucwerk te spuiten. Dit heb ik bevestigd en ik zei hem dat dit apparaat € 4.100,-- zou kosten. [verdachte] belde mij terug en vroeg of dit zo snel mogelijk geleverd kon worden. Ik ontving een opdrachtbevestiging.

Daarin was onder meer vermeld: [Variant op bedrijfsnaam 1] , [adres 1] ; bank Triodos: [rekeningnummer] . Op 14 juli 2011 werd de apparatuur afgeleverd op het door [verdachte] aangegeven adres, [adres 1] . Tevens werd een factuur bij gezonden, waarop stond vermeld dat er een betalingstermijn was van 14 dagen. Op 26 juli 2011 werd ik weer gebeld door [verdachte] , nu met de vraag of ik apparatuur heb om Latex te spuiten. Ik besprak verschillende modellen met hem. Hij koos voor de LP460 ter waarde van € 2.700,--. Deze opdracht werd eveneens per mail bevestigd. Dit apparaat werd geleverd op 28 juli 2011, ook weer op het adres [adres 1] . Op 15 augustus 2011 las ik een mail van 5 augustus 2011, van een collega met het verzoek de LP460 op te laten halen bij [verdachte] , omdat hij deze niet geschikt vond en al een zwaardere uitvoering had besteld. Hij wilde deze dus omruilen voor de LP540 ter waarde van € 2.999,--. Echter, de LP540 was tijdens mij vakantie al geleverd op 8 augustus 2011. Uiteindelijk had [verdachte] drie apparaten thuis, zonder nog betaald te hebben, met een totale waarde van € 9.800,--. Ik belde vervolgens met [verdachte] en vroeg hem wanneer de LP460 kon worden opgehaald. Hij zei dat ik moest doorgeven op welke dag het opgehaald kon worden. Vervolgens wilde ik [verdachte] terugbellen om een dag af te spreken, echter ik kreeg geen gehoor meer aan de telefoon. Op 25 augustus 2011 ben ik naar de [adres 1] gegaan. Daar kwam een mevrouw naar buiten. Ik zei haar dat ik een apparaat op kwam halen. De vrouw antwoordde dat ze hier niks van af wist en dat ze zich niet met [verdachte] zijn zaken bemoeide. Ik heb tot op heden nog geen geld gezien voor de geleverde apparaten.”

In het dossier bevinden zich drie geschriften11, elk bevattend de tekst “Factuur en leveringsbon” en elk afkomstig van [slachtoffer 4] te [W.] , elk gericht aan: [Variant op bedrijfsnaam 1] , [adres 1] ,

respectievelijk gedateerd:

  • -

    14 juli 2011, met vermelding “leveringstermijn 14.07.11 voor de levering van één Saug- und Förderpumpe PS 40 compact für Spachtelverarb., totaal € 4.100,--”;

  • -

    28 juli 2011, met vermelding “leveringstermijn 28.07.11 voor de levering van één Storch-Airless LP 460, totaal € 2.700,--”;

  • -

    8 augustus 2011, met vermelding “leveringstermijn 08.08.11 voor de levering van één Storch-Airless LP540 starr, totaal € 2.999,--”.

Ter terechtzitting 12 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:

“Ik ken het bedrijf [slachtoffer 4] wel, ik heb daar een offerte aangevraagd.”

Op 25 juli 2011 doet [aangever 2] namens [slachtoffer 5] te [B.] aangifte 13 en verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik doe namens mijn werkgever [slachtoffer 5] aangifte van oplichting door firma [Variant op bedrijfsnaam 1] . Ik ben medewerkster van de afdeling debiteurenadministratie van [slachtoffer 5] . Op 13 januari 2011 ontvingen wij een e-mail van [bedrijfsnaam 3] , waarin offerte werd gevraagd voor een project met het nummer [omschrijving] door ene [verdachte] . Als factuuradres werd opgegeven: [Variant op bedrijfsnaam 1] , [adres 2] . Er werd gevraag om levering van 25 stuks downlighters, compleet met aansluitkabel en stekker enkel of dubbellamps ink. lamp voor inbouw in een systeemplafond. De goederen zouden geleverd moeten worden aan: [bedrijfsnaam 1] , t.a.v. [naam 1] , [adres 3] . Wij hebben de offerte toegestuurd. Het factuurbedrag inclusief BTW kwam op € 1.136,83. Op 19 januari 2011 gaat deze [verdachte] akkoord met de offerte. Wij hebben vervolgens de bestelling in gang gezet. Op 20 januari hebben wij een orderbevestiging via de mail gezonden. Op 25 januari 2011 vraagt [verdachte] via de mail wanneer wij kunnen leveren. Wij hebben doorgegeven dat wij 24 downligters in voorraad hadden en dat wij direct konden leveren. Op 27 januari 2011 hebben wij via DHL de zending verzonden naar [adres 3] . De goederen zijn aldaar ontvangen en aftekend door ene [verdachte] . Op deze dag is ook de factuur naar de [adres 2] verstuurd. Op 30 januari 2011 laat [verdachte] via de mail weten dat hij de goederen in goede staat heeft ontvangen. Tevens bestelt hij 15 stuks downlighters extra, waarbij hij aangeeft dat het afleveradres hetzelfde is als de eerder bestelde downlighters. Op 7 februari 2011 is deze zending via DHL verzonden naar het adres [adres 3] . Deze zending is wederom ontvangen en afgetekend door een persoon, genaamd [verdachte] . Op 7 februari 2011 hebben wij de factuur van de tweede order verstuurd naar de [adres 2] . Op 1 maart 2011 hebben wij een rekeningoverzicht uitgedraaid voor de twee openstaande facturen en hebben wij telefonisch contact opgenomen met het nummer wat [verdachte] opgaf bij de order. Ik heb de voice-mail ingesproken. Op 17 maart 2011 heb ik een herinnering gestuurd met een kopie van de facturen. Hier kwam geen reactie op. Op 30 juni 2011 heeft mijn werkgever via internet een uittreksel van de Kamer van Koophandel van dit bedrijf opgevraagd. Zij kwamen met de volgende gegevens:

[Variant op bedrijfsnaam 1] , eenmanszaak,

[adres 4] ,

datum vestiging: 15 maart 2011.

De onderneming wordt gedreven voor rekening van:

[verdachte] , [geboortegegevens verdachte] .”

In het dossier bevinden zich twee geschriften14, beide afkomstig van [slachtoffer 5] [B.] , beide met factuuradres: [bedrijfsnaam 1] , [adres 2] en met afleveradres: [bedrijfsnaam 1] , [adres 3] , beide ondertekend voor ontvangst door “ [verdachte] ” en respectievelijk gedateerd:

  • -

    27 januari 2011, met vermelding “Downlight PLC 2x26W IP43 DuctoWit EVSA, 24 stuks, totaal te betalen € 1.136,83”;

  • -

    7 februari 2011, met vermelding “Downlight PLC 2x26W IP43 DuctoWit EVSA, 1 en 15 stuks, totaal te betalen € 760,22.”

Ter terechtzitting 15 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:

“Het klopt dat ik lampen heb besteld bij [slachtoffer 5] te [B.] . Ik heb die spullen ontvangen. Ik kon het niet betalen”.

Op 4 augustus 2011 doet [aangever 3] namens [slachtoffer 6] te Venlo aangifte 16 en verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik ben werkzaam als controller bij [slachtoffer 6] te Venlo. Ik doe aangifte van oplichting namens het bedrijf. Op 22 juni 2011 ontvingen wij via de website van ons bedrijf een aanvraag voor een klantnummer en productcatalogus, afkomstig van ene [naam 2] . Het e-mailadres was [e-mailadres 1] en deze [naam 2] zou werkzaam zijn voor het bedrijf: [Variant op bedrijfsnaam 1] & [Variant op bedrijfsnaam 2] , [adres 1] , bank Triodos: [rekeningnummer] . Wij hebben op 23 juni 2011 de benodigde formulieren verzonden voor het aanvragen van een klantnummer. Deze zijn op 24 juni 2011 ingevuld en ondertekend geretourneerd door ene [verdachte] , geboren [geboortegegevens verdachte] , [adres 2] . Naar aanleiding hiervan werd een klantnummer aangemaakt voor de betreffende firma. Door deze firma zijn op 1 juli 2011, 7 juli 2011 en 12 juli 2011 orders geplaatst met het factuuradres [adres 2] . Deze orders bevatten bestellingen van onder meer: verf, verfaccessoires, glasweefsel en glasweefsellijm. Deze orders werden afgehaald in ons filiaal. Op 12 juli 2011 werd nog een order besteld van 44 emmers à 10 liter verf. Wij besloten om 10 emmers à 10 liter uit te leveren. Deze order werd op 13 juli 2011 uitgeleverd op het adres [adres 1] , met als factuuradres [adres 2] Op 12 juli 2011 is voor het laatst telefonisch contact geweest met de heer [verdachte] . Hij zou uiterlijk op 15 juli 2011 de restanten verf halen en de genoemde orders betalen. Tot op heden hebben we echter niets meer vernomen van de heer [verdachte] , noch van de firma [Variant op bedrijfsnaam 1] & [Variant op bedrijfsnaam 2] . Er is door ons diverse malen telefonisch contact gezocht en door een medewerker op het adres [adres 1] geprobeerd contact te zoeken, echter dit was ook tevergeefs.”

In het dossier bevinden zich vier kopie facturen17, allen met als kop: “ [slachtoffer 6] ”, alle gericht aan [bedrijfsnaam 1] , [adres 2] ,

respectievelijk gedateerd:

  • -

    4 juli 2011, met vermelding van onder meer als orderdatum 1 juli 2011 en diverse materialen, zoals “10 liter Collix AC Plus” en “staalwol 802 000”;

  • -

    11 juli 2011, met vermelding van onder meer als orderdatum 7 juli 2011 en diverse materialen, zoals “Anza verfemmer 12 liter” en “handkitspuitpistool 1910”;

  • -

    18 juli 2011, met vermelding van onder meer als orderdatum 12 juli 2011 en diverse materialen, zoals “10 liter Collex AC Plus” en “glasweefsellijm transparant”;

  • -

    31 juli 2011, met vermelding van onder meer “10 liter Collix AC Plus” en “aantal 10”.

In het dossier bevindt zich een geschrift 18 met als kop: “ [slachtoffer 6] ” en bevattende de tekst:

“Hiermede verklaart ondergetekende zich akkoord met de Uniforme Verkoop- en Leveringsvoorwaarden Verf- en Drukinkt, welke van toepassing zijn bij [slachtoffer 6] ”, welk geschrift is gedateerd 24 juni 2011 en vermeldt de naam “ [verdachte] ” en is voorzien van een handtekening debiteur.

Ter terechtzitting 19 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:

“U toont mij pagina 123 van het proces-verbaal, waarop mijn naam is vermeld. Ik herken de daarop vermelde handtekening als de mijne. Ik heb de verf en de lijm en andere spullen opgehaald.”

Op 1 maart 2012 verklaart [betrokkene]20 – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik woon op het adres [adres 1] . [verdachte] verbleef tot september 2011 regelmatig bij mij op mijn adres. Wij hebben een relatie gehad en toen hij in september 2011 terug ging naar zijn ex-vrouw is het minder geworden. De bankrekening bij de Triodos Bank met nummer [rekeningnummer] is van mij. Ik heb deze rekening op verzoek van [verdachte] geopend. [verdachte] gebruikte deze rekening, ikzelf helemaal niet. Ik heb gezien dat er geld is binnengekomen. [verdachte] vroeg mij om het bankpasje en dan ging hij het geld afhalen. Volgens mij heeft [verdachte] nooit iets betaald of gestort. Op het adres [adres 1] zijn goederen afgeleverd, bestemd voor [verdachte] . Ik heb er zelf ooit voor getekend. Ik weet dat er facturen van bedrijven afkwamen voor [bedrijfsnaam 1] . Ik was eigenaresse van [Variant op bedrijfsnaam 2] en [Variant op bedrijfsnaam 2] , die op het adres [adres 1] geregistreerd zijn. Dit was ik op verzoek van [verdachte] . Ik heb op 6 september 2011 het bedrijf geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, op verzoek van [verdachte] . De naam [e-mailadres 1] zegt mij wel iets; dit wordt door [verdachte] gebruikt. Het bedrijf [Variant op bedrijfsnaam 1] was het bedrijf van [verdachte] . Hij had dit bedrijf al voordat ik hem leerde kennen. Post voor dit bedrijf gaf ik door aan [verdachte] . U vraagt mij naar een aanbetaling van € 155,-- op rekening nummer [rekeningnummer] bij de Triodos Bank. Ik heb niets ontvangen. Het is niet onmogelijk dat het geld wel is gestort. Ik heb hier nooit iets van gezien. [verdachte] heeft mij nooit iets gegeven. Ik heb aan [verdachte] geen opdrachten verstrekt namens het bedrijf [Variant op bedrijfsnaam 2] .

Op 14 februari 2012 verklaart verdachte 21 tegenover de politie – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik ben eerder veroordeeld voor oplichting. Ik ben in het verleden zelfstandig ondernemer geweest. Ik had een zaak in schilderwerken, vloeren en glas zetten. Op enig moment kreeg ik van mijn leveranciers geen producten geleverd, hierdoor ben ik in de problemen gekomen. Ik had offertes gemaakt voor mensen en delen laten aanbetalen. Ik verblijf soms bij mijn zus op de [adres 3] . Ook verblijf ik bij mijn ex-vrouw [naam 3] , [adres 5] . Ik heb schulden, ik schat zo’n 2 ton. Op het adres [adres 1] woont [betrokkene] , dat is een vriendin van mij. Ik heb daar wel eens geslapen. Het bedrijf Schilders- stucadoors- en vloerenbedrijf [bedrijfsnaam 1] , gevestigd te [adres 2] was van mij. Het bedrijf Schilders- en afbouwbedrijf [bedrijfsnaam 1] , [adres 1] heb ik in het verleden gebruikt. De bedrijfsnaam [bedrijfsnaam 1] is afgeleid van de naam van mijn zoon, [naam 4] . [bedrijfsnaam 2] komt denk ik van [verdachte] en [betrokkene] .”

Verdachte heeft zich voorgedaan als een bonafide ondernemer die goederen en diensten zou leveren en goederen zou afnemen. Hij heeft daartoe offertes gemaakt, aanbetalingen bedongen en ontvangen en ook goederen besteld en ontvangen. De afnemers hebben herhaalde malen contact met verdachte opgenomen, maar verdachte kwam elke keer niet over de brug en kwam afspraken telkenmale niet na. Hij heeft evenmin de door hem afgenomen goederen betaald, niet gereageerd op herinneringen en ook de goederen nooit teruggebracht. Daar komt bij dat verdachte nogal wisselend heeft verklaard. Zo beweerde hij bij de politie dat hij het bedrijf [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] niet kende, dat hij geen lampen van [slachtoffer 5] in ontvangst had genomen en dat hij niets afwist van een bestelling bij of levering door het bedrijf [slachtoffer 6] . Sterker nog, bij de politie beweerde verdachte nog dat iemand zich voor hem zou uitgeven.

Ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat hij de bedrijven wel kende, dat hij van een aantal bedrijven wel goederen had ontvangen en dat de handtekening onder een akkoordverklaring van verkoop-en leveringsvoorwaarden van hem was. Een aannemelijke verklaring voor die opmerkelijke ommezwaai heeft verdachte niet weten te geven. Een en ander brengt met zich mee dat de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij enkele aanbetalingen niet heeft ontvangen dan wel heeft afgedragen aan [betrokkene] en dat hij werkzaamheden in haar opdracht zou hebben verricht niet geloofwaardig acht. De rechtbank heeft ook geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [betrokkene] en acht de verklaringen betrouwbaar. Uit de verklaring van verdachte blijkt voorts dat hij eerder voor nagenoeg dezelfde handelingen ter zake oplichting is veroordeeld. Verdachte had bovendien naar eigen zeggen ongeveer 200.000 euro aan schulden.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte vanaf het begin af aan stelselmatig een aantal particulieren het leveren van goederen en diensten in het vooruitzicht heeft gesteld terwijl hij niet het voornemen had om te leveren. Ook heeft verdachte, wetende dat hij niet in staat was om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, stelselmatig goederen bij bedrijven besteld, zich vervolgens onbereikbaar gehouden en de goederen evenmin terugbezorgd. De rechtbank leidt daaruit uit dat verdachte zich listig en bedrieglijk heeft voorgedaan als een bonafide ondernemer en dat hij van meet af aan het oogmerk heeft gehad zoals is bewezenverklaard.

Ten aanzien van parketnummer: 04/816375-10: 22

Feiten 1 en 2:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie 23 en ter terechtzitting 24, de bevindingen van de verbalisanten 25, het ademanalyseformulier 26 en de bevindingen van de verbalisanten, zoals opgenomen in aanvullende processen-verbaal 27, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde ten aanzien van parketnummer 04/816375-10 heeft begaan.

7.3.

Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 04/850073-12:

hij in de periode van 18 mei 2010 tot en met 30 september 2011 in de gemeente Roermond en elders in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde personen of bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van de hierna genoemde bedragen aan geld of goederen, te weten

a.

1. [slachtoffer 1] te [C.] tot afgifte van Euro 200,-- als aanbetaling voor de levering van

dubbelglas, en

2. [slachtoffer 2] te [K.] tot afgifte van Euro 155,-- als aanbetaling voor de

levering van een grindvloer, en

3. [slachtoffer 3] te [R.] tot afgifte van Euro 200,-- als aanbetaling voor de levering

van een (sier)grindvloer,

welk samenweefsel van verdichtsels daaruit heeft bestaan, dat hij, verdachte zich telkens opzettelijk listig en bedrieglijk op een of meer internetsites en vervolgens in (e-mail) contacten met bovengenoemde personen heeft voorgedaan als bonafide verkoper / leverancier die bereid en in staat was het gekochte te leveren waardoor bovengenoemde personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

en

b.

1. [slachtoffer 4] te [W.] tot afgifte van een apparaat om stucwerk (PS40) te

spuiten en een apparaat om latex (LP 460) te spuiten en een apparaat om latex (LP540) te

spuiten ter waarde van respectievelijk 4100,-- euro en 2700,-- euro en 2999,-- euro, en

2. [slachtoffer 5] te [B.] tot afgifte van 40 zogenaamde Downlighters ter waarde van 1897,05

euro, en

3. [slachtoffer 6] te [V.] tot afgifte van een hoeveelheid verf en verfaccessoires en

glasweefsel en glasweefsellijm ter waarde van 2982,54 euro,

welk samenweefsel van verdichtsels daaruit heeft bestaan, dat hij, verdachte zich opzettelijk listig en bedrieglijk ten overstaan van bovengenoemde bedrijven heeft voorgedaan als bonafide koper die bereid en in staat was het gekochte te betalen waardoor bovengenoemde bedrijven telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

in de zaak met parketnummer: 04/816375-10:

1.

hij op 02 april 2010 in de gemeente Maasgouw, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 545 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op omstreeks 02 april 2010 in de gemeente Maasgouw, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, autosnelweg A2, met een zeer lage (ongeveer 30 kilometer per uur) snelheid heeft gereden en slingerend rijgedrag heeft vertoond en over de vluchtstrook en berm van deze A2 is gereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer op de weg werd gehinderd.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.

Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

parketnummer 04/850073-12:

oplichting, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht;

parketnummer 04/816375-10:

feit 1:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994;

en de navolgende strafbare overtreding:

feit 2:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10 De straffen en/of maatregelen

10.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde met parketnummer 04/850073-12 en het ten laste gelegde feit sub 1 van parketnummer 04/816375-10 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 16 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde – kort gezegd – reclasseringstoezicht en daarnaast ter zake van het ten laste gelegde feit sub 2 van parketnummer 04/816375-10 zal worden veroordeeld tot 6 maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zulks met aftrek ex artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze worden toegewezen.

10.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf in zijn pleitnota aangevoerd dat – zakelijk weergegeven – rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het feit dat het met betrekking tot de zaken van parketnummer 04/816375-10 oudere feiten betreft. Met betrekking tot de strafoplegging in deze heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman acht ten aanzien van de zaken van parketnummer 04/850073-12 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de ondergane hechtenis van verdachte aangewezen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met – kort gezegd – reclasseringstoezicht. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman in zijn pleitnota vermeld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] toewijsbaar zijn en dat de vorderingen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] gedeeltelijk toewijsbaar zijn en voor het overige niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

10.3.

De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zes maal oplichting en daarnaast overtreding van de artikelen 5 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. In de periode van 18 mei 2010 tot en met 30 september 2011 heeft hij personen aanbetalingen laten doen door zich voor te doen als leverancier van goederen, waarna hij deze personen niets heeft geleverd en daarnaast heeft hij bij bedrijven goederen besteld, die hij geleverd heeft gekregen, waarna hij deze bedrijven niets heeft betaald. Verdachte handelde daarbij voor eigen geldelijk gewin. De rechtbank acht in deze sprake van kwalijke praktijken. Mede door de handelwijze van verdachte is het vertrouwen van mensen en bedrijven in het handelsverkeer geschonden. Voor velen liep dit op een grote teleurstelling uit en is er voor particulieren en voor bedrijven schade ontstaan.

De rechtbank houdt bij haar beslissing rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds eerder ter zake van oplichting en flessentrekkerij is veroordeeld en van deze veroordelingen kennelijk niet heeft geleerd. Voorts houdt de rechtbank rekening met het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport d.d. 24 mei 2012.

De rechtbank acht gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf van hierna te melden duur passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, zinvol, waarmee de strafoplegging aldus dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte met betrekking tot de feiten van parketnummer 04/816375-10 langere tijd in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afdoening van deze feiten. De rechtbank zal voor de overtreding volstaan met oplegging van 6 maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zulks met aftrek ex artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.4.

De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van parketnummer 04/850073-12:

[slachtoffer 1] , wonende te [adresgegevens slachtoffer 1] , heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder a.1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 200,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder a.1 ten laste gelegde feit (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 200,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 200,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 2] , wonende te [adresgegevens slachtoffer 2] , heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder a.2 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 605,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder a.2 ten laste gelegde feit (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

  • -

    betaald voorschot;

  • -

    meerkosten nieuwe vloer.

Met betrekking tot laatst vermelde post ad € 450,-- is de rechtbank van oordeel dat deze niet is onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de post “betaald voorschot”, die door verdachte niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 155,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Aangezien de vordering met betrekking tot de post “meerkosten nieuwe vloer” naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de benadeelde partij voor dat deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 155,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 3] , wonende te [adresgegevens slachtoffer 3] , heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder a.3 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 200,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder a.3 ten laste gelegde feit (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 200,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 200,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 5] , gevestigd te [adresgegevens slachtoffer 5] , heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder b.2 ten laste gelegde feit

geleden materiële schade.

[slachtoffer 5] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 2.438,33 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder b.2 ten laste gelegde feit (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat het deel van de vordering onder post 4 dat ziet op “buitengerechtelijke kosten” ad € 300,-- en “overige kosten ad € 9,15 niet is onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overige posten, die door verdachte onvoldoende zijn weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 2.129,18.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Aangezien de vordering met betrekking tot de posten “buitengerechtelijke kosten” en “overige kosten” naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de benadeelde partij voor dat deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 2.129,18, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 31 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 5] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 6] , gevestigd te [adresgegevens slachtoffer 6] , heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder a.3 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 6] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 3.634,10,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder b.3 ten laste gelegde feit (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte onvoldoende is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 3.634,10.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.634,10, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 46 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 6] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11 Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 62, 63, 91, 326.

Wegenverkeerswet 1994 art. 5, 8, 177, 176, 179.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor in de zaken met parketnummer 04/850073-12 en 04/816375-10 sub 1 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond , zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

  • -

    dat de verdachte zich zal melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    dat verdachte zal deelnemen aan de cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) en aan de leefstijltraining;

een en ander zoals is opgenomen in het rapport van Reclassering Nederland d.d.

24 mei 2012;

ten aanzien van het feit sub 2 van parketnummer 04/816375-10:

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden;

bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte voor het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adresgegevens slachtoffer 1] ;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1] voornoemd, te betalen een bedrag van € 200,--;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 200,--, subsidiair 4 dagen hechtenis, ten behoeve van voornoemde benadeelde partij [slachtoffer 1] , met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde

verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adresgegevens slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 155,--;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2] voornoemd, te betalen een bedrag van € 155,--;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voornoemd niet-ontvankelijk ten aanzien van de post "meerkosten nieuwe vloer" ad € 450,--, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 155,--, subsidiair 3 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemde benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 2] , met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 155,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3],wonende te [adresgegevens slachtoffer 3] ;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 3] voornoemd te betalen een bedrag van € 200,--;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 200,--, subsidiair 4 dagen hechtenis, ten behoeve van voornoemde benadeelde partij [slachtoffer 3] , met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde

verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], gevestigd te [adresgegevens slachtoffer 5] , tot een bedrag € 2.129,18;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 5] , voornoemd, te betalen een bedrag van € 2.129,18;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] voornoemd niet-ontvankelijk ten aanzien van het ten aanzien van het deel van de vordering onder post 4 dat ziet op "buitengerechtelijke kosten" ad € 300,-- en "overige kosten" ad € 9,15, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter

kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 2.129,18 subsidiair 31 dagen hechtenis, ten behoeve van voornoemde benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 5] , met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.129,18 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], gevestigd te [adresgegevens slachtoffer 6] ;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 6] voornoemd, te betalen een bedrag van € 3.634,10;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.634,10, subsidiair 46 dagen hechtenis, ten behoeve van voornoemde benadeelde partij [slachtoffer 6] , met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.634,10 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, P.M.S. Dijks en S.G.M. Schellekens, rechters, van wie mr. P.M.S. Dijks voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 juni 2012.

Mr. S.G.M. Schellekens en C. van Est zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL233R 2012015722 d.d. 8 maart 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2010, pag. 65 t/m 68.

3 Een als bijlage bij de hiervoor onder 2 vermelde aangifte gevoegde kopie van een offerte van [Variant op bedrijfsnaam 1] d.d. 18 mei 2010, pag. 69.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting van 25 mei 2012.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juni 2011, pag. 76 t/m 81.

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van 25 mei 2012.

7 Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 september 2011, pag. 153 t/m 157.

8 Een bij het hiervoor onder 7 vermelde proces-verbaal gevoegde kopie van een offerte van [Variant op bedrijfsnaam 2] d.d. 8 augustus 2011, gericht aan [slachtoffer 3] , pag. 162.

9 Proces-verbaal ter terechtzitting van 25 mei 2012.

10 Proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2011, pag. 136 t/m 141.

11 Drie als bijlagen bij de hiervoor onder 9 vermelde aangifte gevoegde kopieën van facturen en leveringsbonnen, pag. 142 t/m 147.

12 Proces-verbaal ter terechtzitting van 25 mei 2012.

13 Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2011, pag. 88 t/m 94.

14 Twee als bijlagen bij de hiervoor onder 11 vermelde aangifte gevoegde kopieën van facturen, pag. 105 t/m 111.

15 Proces-verbaal ter terechtzitting van 25 mei 2012.

16 Proces-verbaal van aangifte d.d. 4 augustus 2011, pag. 115 t/m 119.

17 Vier als bijlagen bij de hiervoor onder 14 vermelde aangifte gevoegde kopieën van facturen, pag. 129 t/m 132.

18 Overeenkomst met opschrift “ [slachtoffer 6] ”, pag. 123.

19 Proces-verbaal ter terechtzitting van 25 mei 2012.

20 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene] d.d. 1 maart 2012, pag. 55 t/m 60.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 februari 2012, pag. 31 t/m 33.

22 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL233F 2010032313-1 d.d. 22 juli 2010 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 3 april 2010.

24 Proces-verbaal ter terechtzitting van 25 mei 2012.

25 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 juli 2010.

26 Een ademanalyseformulier voorzien van het serienummer 04519 d.d. 2 april 2010, behorende bij het hiervoor onder 19 vermelde proces-verbaal.

27 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 juni 2011 en aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 juli 2011.