Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BV3813

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
Awb 11/1230 en 11/1231
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last tot sluiting van woning wegens aantreffen van illegale hennepkwekerij op grond van artikel 13b Opiumwet. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2011 (BR3945) heeft de burgemeester van Venlo alsnog getoetst aan artikel 8 van het EVRM en de duur van de sluiting verkort van een jaar tot drie maanden. Dat besluit kan de rechterlijke toetsing doorstaan. De omstandigheid dat er als gevolg van de procedure geruime tijd is verstreken, is geen aanleiding om te oordelen dat de opgelegde last te ver gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11 / 1230 en 11 / 1231

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 11 oktober 2011 in de zaak tussen

[verzoekers], te Venlo, verzoekers

(gemachtigde: mr. M.P.J.C. Heuvelmans)

en

de burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers gelast om de woning aan de [adres] voor een periode van één jaar, ingaande op donderdag 10 februari 2011 om 11.00 uur, te sluiten. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) van 3 maart 2011 is het primaire besluit geschorst.

Het door verzoekers tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 maart 2011 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit hebben eisers beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd.

Bij uitspraak van de rechter van 10 mei 2011 is het besluit van 21 maart 2011 geschorst. Bij uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 27 juli 2011 is het beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 maart 2011 vernietigd en is verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van verzoekers te nemen met inachtneming van het gestelde in die uitspraak. Tevens is de schorsing van het primaire besluit verlengd tot de datum waarop het nieuwe besluit op bezwaar bekend is gemaakt.

Bij besluit van 25 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers tegen het primaire besluit (opnieuw) ongegrond verklaard met dien verstande dat verzoekers worden gelast om de woning [adres] voor de duur van drie maanden te sluiten, waarbij de begunstigingstermijn is bepaald op zes weken na dagtekening van dit besluit.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij schrijven van 15 september 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 28 september 2011, waar van verzoekers

[naam verzoeker] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.G. Vincken.

Overwegingen

1. Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de rechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

2. Met betrekking tot de namens verzoekers aangevoerde beroepsgrond dat verweerder in dit geval vanwege de aanwezigheid van een hennepkwekerij niet op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om tot sluiting van hun woning over te gaan, overweegt de rechter dat deze beroepsgrond in rechtsoverweging 4 van de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 27 juli 2011 met procedurenummer AWB 11/593 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen. In die uitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat verweerder zich in het onderhavige geval terecht bevoegd heeft geacht om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van verzoekers woning over te gaan. Tegen deze tussen partijen gewezen uitspraak is door verzoekers geen hoger beroep ingesteld, waardoor die uitspraak in rechte onaantastbaar is. De rechtbank heeft dan ook van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden uit te gaan (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 6 augustus 2003, LJN: AI0801). Dit geldt evenzeer wanneer, zoals in casu, het destijds ingestelde beroep op andere gronden gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd. Er bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding om een uitzondering op deze regel aan te nemen. De beroepsgrond kan dus niet tot een gegrond verklaring van het beroep leiden.

3. Met betrekking tot de subsidiaire beroepsgrond dat bij de in het bestreden besluit vervatte toepassing van de sluitingsbevoegdheid niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit overweegt de rechter als volgt.

4. Verzoekers hebben aangevoerd dat de afweging van het algemeen maatschappelijk belang om drugsoverlast en –handel terug te dringen, enerzijds, tegenover de persoonlijke gevolgen voor verzoekers en hun dochter en de beschermende werking van artikel 8 van het EVRM, anderzijds, niet rechtvaardigt dat de woning van verzoekers zonder voorafgaande waarschuwing voor de duur van drie maanden wordt gesloten. Daartoe betogen verzoekers dat zij geen vervangende woonruimte hebben en dat zij vervangende woonruimte ook niet kunnen betalen. Verder dat zij niet bij familie of vrienden terecht kunnen. De caravan van verzoekers staat nu in de provincie Gelderland en is niet geschikt om er met drie personen, gedurende drie maanden in te wonen. Daarbij komt dat de camping in Gelderland op 1 november a.s. dicht gaat. Verzoekers voeren ten slotte nog aan dat zij niet eerder met justitie in aanraking zijn gekomen, dat zij zelf geen hennep hebben gekweekt en alleen uit financiële nood hun zolderverdieping hebben verhuurd. Van concrete overlast of klachten wegens aanloop van drugsgebruikers bij hun woning is niet gebleken en evenmin dat hun woning als drugspand bekend zou staan. Volgens verzoekers had verweerder onder deze omstandigheden met een waarschuwing dienen te volstaan.

5. Ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2011 heeft verweerder de omstandigheden, die in het kader van de ingevolge artikel 8 van het EVRM vereiste evenredigheidstoets, als relevant zijn aan te merken, in kaart gebracht en heeft deze afgewogen. Verweerder heeft daartoe het algemeen belang dat met bestrijding van drugshandel is gediend, zoals dat in de beleidsregels is neergelegd, de omstandigheid dat verzoekers hun zolderruimte tegen een hoge vergoeding hebben verhuurd aan een persoon die daar geruime tijd een professioneel opgezette hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat verzoekers verantwoordelijk zijn voor hetgeen in hun woning gebeurt, enerzijds, afgezet tegen de impact die een sluiting van de eigen woning voor verzoekers heeft en de omstandigheid dat van concrete overlast of onrust in de directe omgeving niet is gebleken, anderzijds. Na afweging van die belangen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een sluiting voor drie maanden een proportionele maatregel is. Met betrekking tot het effect van de maatregel heeft verweerder erop gewezen dat het in de regio geen probleem is om vervangende woonruimte, bijvoorbeeld op een vakantiepark, te vinden.

6. De rechter is niet gebleken van omstandigheden aan de zijde van verzoekers, welke door verweerder niet in zijn belangenafweging zijn betrokken. Gelet op voormelde motivering van het bestreden besluit kan naar het oordeel van de rechter niet worden gezegd dat een sluiting voor de duur van drie maanden ertoe leidt dat het recht op respect voor het privé leven, het familie- en gezinsleven en de woning, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, onevenredig wordt aangetast. De omstandigheid dat er inmiddels door de duur van de procedure geruime tijd is verstreken sinds de ontdekking van de hennepkwekerij, is voor de rechter geen aanleiding te concluderen dat de belangenafweging tot een minder vergaande maatregel had moeten leiden.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het daartegen ingestelde beroep dient ongegrond te worden verklaard. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient bijgevolg afgewezen te worden. Verweerder heeft bij de behandeling ter zitting toegezegd dat de begunstigingstermijn, die inmiddels is verstreken, wordt verlengd totdat uitspraak is gedaan. De rechter vertrouwt erop dat verweerder aan deze toezegging invulling geeft door verzoekers na de bekendmaking van deze uitspraak nog een korte, redelijke termijn van bijvoorbeeld twee weken, te gunnen even alvorens de sluiting wordt geëffectueerd.

8. Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2011.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. P.J. Voncken,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 oktober 2011.

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.