Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU8662

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
04/850095-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot moord op echtgenote door meermalen slaan met hamer op hoofd gevolgd door verwurging.

- opzet op dood; voorbedachte raad; vrijwillige terugtred; invloed diabetes op handelen, al dan niet geveinsd geheugenverlies.

Strafmaat: 5 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850095-11

Datum uitspraak : 20 december 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

thans gedetineerd

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 6 december 2011.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 22 maart 2011 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [sl[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een hamer op het hoofd heeft geslagen en/of (vervolgens) - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289 jo. 287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht);

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 6 december 2011 gevorderd dat

het ten laste gelegde (poging tot moord) zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde (poging tot moord) heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

Door [slachtoffer] is aangifte gedaan. Zij verklaart : Op 22 maart 2011, omstreeks 20.00 uur, zaten mijn man (verdachte) en ik op de bank in onze woning te Roermond. Mijn man stond even later op om naar het toilet te gaan. In een mandje in de gang lag een hamer. Ik zag dat mijn man korte tijd later weer de woonkamer in kwam en achter de bank langs naar de achterdeur liep. Opeens voelde ik twee harde klappen op mijn hoofd. Ik viel van de bank en ik keek om. Ik zag toen mijn man staan en ik zag dat hij een hamer in zijn hand had. Ik zag dat hij met die hamer uithaalde om mij te slaan. Hij heeft mij nog een derde keer met die hamer geslagen en geraakt. Toen ik op de grond lag heb ik om hulp geschreeuwd. Mijn man is toen op mij gaan zitten en heeft toen zijn beide handen om mijn keel gelegd. Hij kneep mijn keel dicht en ik dacht dat hij mij wilde wurgen. Ik hoorde mijn man zeggen dat hij zo niet verder kon. Ik hoorde hem zeggen dat hij al te ver was gegaan. Ik hoorde hem zeggen dat hij toch naar de gevangenis zou gaan en dat het nu toch niet meer uit zou maken.

Door verbalisant [naam], die de aangifte van het slachtoffer [slachtoffer] heeft opgenomen, is het volgende opgemerkt : Ik zag dat aangeefster rode striemen in haar hals en een bult boven de wenkbrauw van haar rechteroog had, nabij de slaap. Ik zag dat beide ellebogen van aangeefster rood verkleurd en deels ontveld waren. Ik zag dat de rechterpols van aangeefster rood gekleurd was en dat beide onderarmen van aangeefster rood gekleurd en geschaafd waren.

Aangeefster [slachtoffer] heeft ook nog een aanvullende verklaring afgelegd . Zij verklaart: Op 22 maart 2011 hebben [verdachte] (verdachte) en ik samen naar het 20.00 uur journaal gekeken. Er waren geen ruzies en of problemen. Nadat het journaal was afgelopen stond [verdachte] op en zei dat hij even naar het toilet moest. Ik zag [verdachte] de gang inlopen. Rond 20.30 uur zag en hoorde ik [verdachte] weer de woonkamer binnenlopen. Ik zat nog steeds op de bank nabij de achterdeur. Ik zag [verdachte] doorlopen in mijn richting danwel in de richting van de achterdeur. Ik merkte dat hij achter mij ging staan. Plotseling voelde ik twee hele harde klappen boven op mijn hoofd. Ik ben opgestaan, heb me omgedraaid en voelde dat een derde klap mijn hoofd raakte. Ditmaal was het aan de achterzijde van mijn hoofd. Ik zag dat [verdachte] met iets in zijn handen naar mij sloeg. Door de kracht van de derde slag viel ik voorover tussen de stoffenbank en de salontafel in. Ik lag op mijn buik op de grond en begon te meteen te gillen. Ik voelde dat [verdachte] bovenop mij kwam zitten en ik voelde dat [verdachte] zijn beide handen op mijn nek/keel plaatste. [verdachte] plaatste daarbij zijn duimen aan de achterzijde van mijn nek en zijn vingers aan de voorzijde van mijn keel. Ik voelde dat [verdachte] krachtig met zijn handen om mijn keel heen kneep. [verdachte] kneep mijn keel dicht. Tijdens het knijpen zei [verdachte] dat ik niet moest gillen. Door flink kracht te zetten lukte het mij de vingers van [verdachte] een paar centimeter van mijn keel af te trekken. Ik voelde echter meteen dat [verdachte] mijn adamsappel naar binnen probeerde te duwen. Wederom heb ik geprobeerd zijn vingers van mijn keel af te halen. Ook nu lukte het weer. Ik ben op [verdachte] gaan inpraten. Ik denk dat ik wel 5 tot 10 minuten zo bezig ben geweest. Op een gegeven moment ging [verdachte] van mij af en mocht ik de politie bellen. Omdat het mij niet lukte omdat mijn handen kleefden van het bloed gaf ik de telefoon aan [verdachte]. Toen heb ik de woning verlaten en ben ik naar de buren gegaan.

Ik had in totaal 7 hechtingen in mijn hoofd. Ik had 3 hoofdwonden bovenop mijn hoofd en een hoofdwond linksachter.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de eerste 112-melding is gedaan op

22 maart 2011 omstreeks 20.52 uur. Verdachte meldt tijdens dit gesprek aan de centralist: “Ik heb mijn vrouw met een hamer op het hoofd geslagen.”

Uit de rapportage letselschade d.d. 24 maart 2011, opgemaakt door J. van Gastel, Forensisch arts KNMG , naar aanleiding van het door de arts-assistent N. Spierts opgemaakte Snelbericht Spoedeisende Hulp d.d. 23 maart 2011, blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] op 22 maart 2011 om 21.36 uur op het SEH van het Laurentiusziekenhuis te Roermond is onderzocht. Bij aankomst deelde het slachtoffer mee dat zij door haar echtgenoot met een hamer op het hoofd was geslagen en dat haar echtgenoot getracht had haar te wurgen. Het slachtoffer gaf aan pijn bij het slikken en ademhalen te hebben. Bij het slachtoffer werden als letsel meerdere rode striemen in de hals en de aanwezigheid van meerdere huidverwondingen (scheuren/laceraties) in de behaarde hoofdhuid vastgesteld. Het uitwendig letsel als beschreven (striemen in de hals, scheurwonden behaarde hoofdhuid) past bij wat betrokkene heeft verklaard inzake de toedracht. De rode striemen in de hals en de aangegeven slikklachten zouden heel goed veroorzaakt kunnen zijn door de poging tot verwurging met blote handen. De scheurwonden op het hoofd zouden heel goed kunnen passen bij het relatief stompe geweld dat door slagen met een eenvoudige (platte) hamer wordt veroorzaakt.

De verdachte heeft bij de politie een verklaring afgelegd . Hij verklaart: Nadat ik gisteravond mijn zoon naar het voetbal had gebracht ben ik weer thuis gekomen. Ik ben toen naar het toilet gegaan. Toen ik van het toilet kwam zag ik in een mandje in de gang een hamer liggen. Ik heb deze hamer gepakt en ben daarmee de woonkamer binnen gegaan. Ik heb toen met de hamer twee keer op het hoofd van mijn vrouw geslagen. Mijn vrouw zat op de bank in de woonkamer.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 22 maart 2011 zijn ex echtgenote met een hamer een of twee keer op het hoofd heeft geslagen .

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Namens verdachte is allereerst als verweer gevoerd dat verdachte van zowel de ten laste gelegde poging tot moord als van de poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken, nu de opzet tot moord of doodslag niet bewezen kan worden verklaard. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte niet met krachtige slagen met de hamer heeft geslagen wat een aanmerkelijke kans tot het intreden van de dood ten gevolg had kunnen hebben. Dit volgt ook uit de medische gegevens dat het slachtoffer geen ernstig letsel heeft opgelopen. Bij het slachtoffer konden slechts enkele huidverwondingen in de behaarde hoofdhuid en meerdere rode striemen in de hals van het slachtoffer worden vastgesteld.

Namens verdachte is in de tweede plaats aangevoerd, indien er al sprake zou zijn geweest van een opzettelijk handeling, of in dit geval wel gesproken kan worden van een voltooide poging. De raadsvrouw merkt overigens op dat er hoe dan ook sprake is geweest van een vrijwillige terugtred. Het slachtoffer was in staat om te blijven praten, verdachtes vingers van haar keel af te halen, zich om te draaien en los te maken. Naar de mening van de verdediging kan dan ook niet gesproken worden van serieuze poging tot wurging.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt:

Vaststelling feiten

Nu de verklaring van het slachtoffer geheel wordt gestaafd door het bij haar aangetroffen letsel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van haar verklaring, ook waar dat betreft onderdelen die door verdachte niet zijn toegegeven, in het bijzonder de verwurging. Op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte drie maal met een hamer op het hoofd van zijn vrouw heeft geslagen. In de daarop volgende worsteling heeft verdachte haar keel dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden.

Opzet op de dood

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het hoofd van een mens vitale organen bevinden zoals hersenen, en vitale (slag)aders. Een verwonding aan dergelijke vitale delen kan levensbedreigend zijn en kan gemakkelijk tot de dood van een persoon leiden. Ook een wurging kan levensbedreigend zijn doordat de zuurstoftoevoer naar de vitale organen zoals longen, hart en hersenen wordt afgesneden. Verdachte moet daarvan, evenals ieder weldenkend mens, op de hoogte zijn geweest.

Door met een hamer meerdere malen op het hoofd van het slachtoffer te slaan en vervolgens over te gaan tot verwurging van het slachtoffer heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een of meer vitale delen, organen of (slag)aders zou raken c.q. beschadigen en aldus het slachtoffer van het leven zou beroven, zodat zijn opzet op dat gevolg gericht was.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van voorbedachten raad – in de tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden “na kalm beraad en rustig overleg”- moet komen vast te staan dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit de hierboven vastgestelde feiten blijkt dat verdachte (zonder enige aanleiding) in de gang de hamer heeft gepakt en met de hamer in de hand de woonkamer is ingelopen. Mede omdat verdachte geen enkel ander aannemelijk doel heeft aangevoerd waarom hij de hamer vanuit de gang heeft meegenomen naar de woonkamer, houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte reeds in de gang het besluit had genomen zijn echtgenote met de hamer op het hoofd te gaan slaan. Verdachte heeft aldus voldoende tijd gehad om zich te beraden op het door hem genomen besluit. Voorts heeft verdachte niet eenmaal maar driemaal met de hamer op het hoofd van zijn echtgenote geslagen. Verdachte heeft na elke slag wederom de gelegenheid gehad, zij het kort, om na te denken over hetgeen hij met de hamer zou doen. Ook bij de daarop volgende confrontatie met het slachtoffer, de verwurging, heeft verdachte de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht dan ook de voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen.

Vrijwillige terugtred

De stelling van de verdediging dat er in ieder geval sprake zou zijn geweest van een vrijwillige terugtred door verdachte wordt door de rechtbank eveneens verworpen.

Of een actie van verdachte als een adequate vrijwillige terugtred kan gelden hangt af van het misdrijf waarvan hij wordt beschuldigd en van de kenmerken van het handelen van verdachte. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank alles gedaan wat zijnerzijds nodig was om tot voltooiing van het misdrijf (voltooide poging) te komen. Verdachte heeft immers eerst met een hamer meerdere keren op het hoofd van het slachtoffer geslagen en vervolgens geprobeerd het slachtoffer te wurgen. Op grond van deze elkaar opvolgende gewelddadige handelingen heeft verdachte bewust geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven. Wil er sprake zijn van een vrijwillige terugtred bij een voltooide poging dan dient verdachte een tegengestelde handeling te verrichten dat naar aard en tijdstip geschikt is om het intreden van het gevolg te beletten. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte een dergelijke tegengestelde handeling, als hiervoor bedoeld, heeft verricht, integendeel. Dat het slachtoffer de aanslagen op haar leven heeft overleefd, is dan ook niet het gevolg geweest van een tegengestelde handeling van verdachte, maar alleen te wijten aan het adequate en krachtige verzet van het slachtoffer zelf.

Ontbreken opzet vanwege medische redenen

Door de verdediging is tot slot aangevoerd dat niet uitgesloten kan worden dat de handelingen van verdachte veroorzaakt werden door een te lage bloedglucosespiegel (hypoglykemie), hetgeen behalve diverse fysieke gewaarwordingen, eveneens verslechtering van denkvermogen en geheugenverlies tot gevolg kan hebben gehad. Naar de mening van de verdediging is het ook denkbaar dat de door verdachte ingenomen medicamenten voor diabetes, te weten glimepiride en metformine, vanwege diaree niet zijn aangeslagen waardoor er sprake is geweest van een organisch geheugenverlies en een neurologische aandoening die te vergelijken is met een black-out. De verdediging acht het niet uitgesloten dat hiervan ook in de onderhavige zaak sprake is geweest. De raadsvrouw verbindt hieraan de conclusie dat de handeling van verdachte ook in dit opzicht zonder enige opzet gebeurd is en/of niet aan verdachte valt toe te rekenen.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verdachte vóór de terechtzitting van 6 december 2011 nimmer melding heeft gemaakt van het feit dat hij kort voor, tijdens en kort na het tenlastegelegde feit lijdende was aan een hypoglykemie en dat er een causaal verband zou bestaan tussen een hypoglykemie, de gebeurtenissen op 22 maart 2011 en zijn geheugenverlies.

Allereerst constateert de rechtbank dat diabetes medicatie gericht is op het verwerken van suiker in het bloed. Indien de diabetesmedicatie om welke reden dan ook niet in het systeem van verdachte terecht zou zijn gekomen leidt dit doorgaans tot een te hoge suikerspiegel (hyperglykemie) en niet tot een te lage ((hypoglykemie). Zelfs indien de rechtbank uitgaat van het van het door de verdediging geschetste scenario dat verdachte ten tijde van het gebeuren leed aan een hypoglykemie dan kan dit verweer naar het oordeel van de rechtbank toch niet slagen, omdat het verweer feitelijke grondslag ontbeert. Verdachte is zelf diabeet en heeft wetenschap dat bij een hypoglykemie de patiënt zo spoedig mogelijk (intraveneus) glucose toegediend moet krijgen teneinde de bloedglucosespiegel weer op een aanvaardbaar peil te krijgen. Indien dit niet gebeurt kan de patiënt immers in een coma terechtkomen. Verdachte weet dus ook dat een patiënt tijdens een hypoglykemie zelf niet in staat is om zonder (intraveneus) toegediende glucose uit een hypoglykemie te geraken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte tijdens de door de verdediging veronderstelde hypoglykemie minutenlang niet alleen meerdere gewelddadige handelingen heeft verricht, die hem de nodige fysieke inspanningen moeten hebben gekost, maar ook in staat bleek te zijn om kort na het gebeuren de centralist van 112 te bellen en kort daarna de gearriveerde verbalisanten te woord te staan. Een diabeet zou tijdens een hypoglykemie hiertoe nimmer in staat zijn geweest. Voorts kan een hypoglykemie enkel verholpen worden door de toediening van glucose. Gesteld noch gebleken is dat verdachte ofwel zelf nog glucosehoudende voedingsmiddelen heeft genuttigd voordat de politie arriveerde of dat iets dergelijks na zijn aanhouding is geschied.

Nu dit verweer geen steun vindt in de feiten, wordt het door de rechtbank verworpen.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 maart 2011 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, genoemde [slachtoffer] meermalen met een hamer op het hoofd heeft geslagen en vervolgens - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

poging tot moord

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

Door C. Clarijs, klinisch psycholoog, is omtrent de geestvermogens van verdachte op 21 juni 2011 rapportage uitgebracht. De deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de rechtbank in het geval zij toch tot een bewezenverklaring komt rekening dient te houden met de mogelijkheid dat het tenlastegelegde feit verdachte niet, althans niet volledig, is toe te rekenen.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu door de verdediging geen enkele onderbouwing is gegeven op grond waarvan gesteld zou kunnen worden dat het tenlastegelegde feit niet, althans niet volledig, aan verdachte toe te rekenen zou zijn, nog daargelaten dat de klinisch psycholoog Clarijs in zijn rapport van 21 juni 2011 heeft geconcludeerd dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, indien bewezen, volledig toerekeningsvatbaar is te beschouwen.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 6 december 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van poging tot moord zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 5 jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft daarbij nog opgemerkt dat op grond van de bijzondere ernst van het feit een voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend zou zijn nog afgezien van het feit dat een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op grond van het bepaalde in artikel 14a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, ook niet mogelijk is bij een gevangenisstraf van 5 jaar.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 6 december 2011 met betrekking tot de op te leggen straf een gevangenisstraf bepleit gelijk aan de duur van de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis en daarnaast een voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte een psychotherapeutische behandeling zal ondergaan onder toezicht van de reclassering.

De raadsrouw is van mening dat de door de officier van justitie gevorderde straf veel te hoog is en geen recht doet aan de feitelijke situatie.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op zijn (toenmalige) echtgenote. Moord is een van de ernstigste delicten die men kan begaan. Dat er bij moord sprake is van een bijzonder ernstig feit blijkt ook uit de maximale gevangenisstraf die voor een dergelijk feit kan worden opgelegd. Bij wetswijziging van 1 februari 2006 heeft de wetgever zelfs de gevangenisstraf van 20 naar 30 jaar verhoogd. Verdachte heeft zonder enige aanleiding en geheel onverwachts in de woning het slachtoffer meerdere keren met een hamer op het hoofd geslagen en haar vervolgens proberen te wurgen. Dat het wonderwel bij een poging is gebleven is een omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Verdachte heeft door zijn gewelddadig handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke maar ook geestelijke integriteit van het slachtoffer.

Het handelen van verdachte heeft veel impact gehad op in de eerste plaats het slachtoffer, maar ook op de drie kinderen van verdachte en het slachtoffer. Hoe ingrijpend de gebeurtenissen voor het slachtoffer zijn geweest en ook in de toekomst nog (zullen) zijn blijkt wel uit de inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring. Slachtoffer [slachtoffer] heeft vanwege de klappen met de hamer op haar hoofd en de verwurging doodsangsten doorstaan. Aan de gewelddadigheden heeft zij lichamelijke gevolgen overgehouden, zoals rode striemen in haar hals, bloeduitstortingen en blauwe plekken over haar hele lichaam, drie hoofdwonden (zeven hechtingen), een gekneusde rib en diverse schaafwonden. Door hetgeen haar is overkomen heeft zij zich ziek moeten melden vanaf 23 maart 2011 tot 5 april 2011. Na die datum was zij echter zowel lichamelijk als psychisch nog niet voldoende hersteld. Gedurende een aantal weken heeft het slachtoffer paniekaanvallen gehad waardoor zij ernstig begon te trillen, waardoor zij één keer ernstig ten val is gekomen met als gevolg (mogelijk blijvende) dystrofie in een vinger van haar rechterhand. Sinds het gebeuren heeft het slachtoffer slaapproblemen. Doordat verdachte ook een financiële puinhoop heeft achtergelaten moet het slachtoffer nu veel werken om financieel rond te kunnen komen. Het slachtoffer heeft bovendien sinds het gebeuren last van angstgevoelens in woning/ruimtes. Haar gevoel van veiligheid is weg en haar gevoel van onzekerheid is toegenomen. Verdachte heeft haar ook het verleden afgenomen. Ook de mooie herinneringen lijken nu op leugens te zijn gestoeld. Het slachtoffer voelt zich bedrogen en heeft geen fiducie in de toekomst en/of relaties.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport pro justitia

d.d. 21 juni 2011, opgemaakt door C. Clarijs, klinisch psycholoog, omtrent zijn bevindingen betreffende een psychologisch onderzoek ten aanzien van verdachte. De deskundige komt tot de conclusie dat verdachte een man is met een relatieproblemen bij wie geen psychiatrische symptologie in engere zin kon worden vastgesteld. Evenmin kon een persoonlijkheidsstoornis geclassificeerd worden. Bij verdachte vallen enkele dwangmatige en narcistische trekken op in de vorm van een zekere rationaliteit en enige rigiditeit alsmede een geldingsdrang voortkomende uit een zekere affectiebehoefte. Bij verdachte is sprake van een vooral rationele benadering van de wereld om hem heen en is het contact met zijn gevoelsleven minder goed ontwikkeld.

Bij de deskundige heeft verdachte aangegeven dat hij een “stukje van de film” met betrekking tot het gebeuren op 22 maart 2011 (van ongeveer 20.30 uur tot ongeveer 20.50 uur) mist. De deskundige acht dit evenwel opmerkelijk nu verdachte in die tijdspanne blijk heeft gegeven van een observerend vermogen door een conclusie te geven over de motieven van zijn partner (hij geeft aan dat ze op hem inpraat om vervolgens de politie te kunnen bellen). De deskundige is dan ook van mening dat verdachte zich dan ook bewust moet zijn geweest van de situatie en zijn handelen in deze twintig minuten en dat dientengevolge de gegevens dan ook zeker in zijn geheugen zijn opgeslagen. De deskundige schat het recidiverisico zeer gering in. Verdachte kent van nature geen verhoogde agressiviteit en het tenlastegelegde is persoonsgebonden geweest. De deskundige komt tot de conclusie dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan worden vastgesteld.

De rechtbank volgt de bevindingen en conclusies van de deskundige en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. De door de deskundige Clarijs geuite twijfels ten opzichte van het door verdachte gestelde geheugenverlies worden bevestigd door het onderzoek van dr. M. Peters verbonden aan het The Maastricht Forensic Institute. In zijn rapport van 22 november 2011 concludeert Peters na uitsluiting van de mogelijkheid van organisch geheugenverlies door de diabetes, dat het scenario dat verdachte zijn geheugenverlies veinst bij het totaal van de onderzoeksbevindingen beter past dan bij het eerste scenario waarin het gaat om authentiek geheugenverlies.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, aard en ernst van het letsel en de grote gevolgen voor het slachtoffer en de kinderen acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend. Zij zal dan ook verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren.

10.4. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], wonende [adres] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het

hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële en immateriële schade.

[slachtoffer] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van [bedrag] en de immateriële schade op een bedrag van [bedrag] gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

immateriële schade [bedrag];

materiële schade: dagopname ziekenhuis € 26,00 en reiskosten € 1,78.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële- en materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor. De vordering immateriële schade, die door verdachte niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar. Het gevorderde bedrag aan materiële schade acht de rechtbank eveneens voor toewijzing vatbaar. Het totaalbedrag van [bedrag] wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 22 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van [bedrag], te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 22 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 22 dagen, te betalen ten behoeve van

A M. Koendering voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: 10, 24c, 27, 36f, 45 en 289.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 5 jaar;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst toe de vordering van de benadeelde partij van [bedrag];

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van [bedrag] te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 22 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van [bedrag], subsidiair 22 dagen hechtenis, te behoeve van [slachtoffer] voornoemd met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, A.K. Kleine en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.M. Müller als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 20 december 2011.

Mrs. A.K. Kleine en C.C.W.M. Aretz zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.