Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU8363

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/318
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1165, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De uitspraak betreft een Waterwetzaak. Verweerder heeft een aanvraag van eiser om een zogeheten wateronttrekkingsput op diens perceel te mogen gebruiken afgewezen. De rechtbank acht die weigering in overeenstemming met het door verweerder gevoerde stand-stillbeleid en is voorts van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot afwijking van dat beleid. Doorslaggevend voor dat oordeel is dat eiser, indien hij had voldaan aan een meldingsplicht die reeds voor invoering van het stand-stillbeleid op hem rustte, zou hebben voldaan aan de voorwaarden van dat beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 318

Uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2011 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum),

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Peel en Maasvallei, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser om de ontrekkingsput die is gelegen op het kadastrale perceel gemeente Bergen, sectie P, nummer 531, (hierna: P 531) op te nemen in het grondwaterregister.

Bij besluit van 11 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Ter zitting zijn eiser en zijn gemachtigde verschenen. Tevens zijn verschenen de door eiser meegebrachte getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.G.P.M. Muijres en ing. E.M.W. Stevens.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de percelen aan de [adres] te [woonplaats], sectie P, nummers 530 en 531. Deze worden afwisselend door eiser en [getuige 1] gebruikt voor akkerbouw. Op de percelen zijn twee grondwateronttrekkingsputten aanwezig, die dienen voor de beregening daarvan. Een bedrijfsbezoek van een medewerker van verweerder, waarbij deze heeft deze verklaard dat de beregeningsput op het perceel P 531 niet kan worden opgenomen in het grondwaterregister, is voor eiser aanleiding geweest om bij brief van 30 april 2010 aan verweerder te vragen om de genoemde onttrekkingsput in het grondwaterregister op te nemen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Hij heeft daartoe als volgt overwogen. Eiser gebruikt de percelen sectie P, nummers 530 en 531 afwisselend met [getuige 1]. Op deze percelen liggen twee grondwateronttrekkingsputten, waarvan er een geregistreerd staat op naam van [getuige 1], namelijk de put op het perceel P 530. Deze is op 22 maart 2005 door de provincie aan de grondwaterregistratie van [getuige 1] toegevoegd. Nadien heeft [getuige 1] verzocht de onttrekkingsput op perceel P 531 aan het grondwaterregister toe te voegen, hetgeen is geweigerd. Tegen dat besluit heeft [getuige 1] geen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft ook het verzoek van eiser afgewezen, omdat de betrokken put is gelegen in een gebied waarvoor sinds 1 januari 2008 een algehele stand-stillregeling van toepassing is. Die regeling houdt in dat er geen uitbreiding van het aantal onttrekkingsputten mag plaatsvinden, uitgaande van de vergunningen en meldingen die per 1 januari 2008 opgenomen waren in het grondwaterregister. Verweerder heeft erop gewezen dat daarom uit de desbetreffende put geen grondwater mag worden onttrokken.

3. Tegen het besluit van 1 juni 201 heeft eiser bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij in het bijzonder aangegeven dat hij verweerders besluit ervaart als een ontoelaatbare beperking van zijn eigendomsrecht. Verder heeft hij in twijfel getrokken of er een voldoende juridische basis is voor verweerders besluit en heeft hij aangevoerd niet voor 1 januari 2008 op de hoogte te zijn gesteld van de registratieverplichting. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en voor de motivering daarvan verwezen naar het advies van de Adviescommissie bezwaarbehandeling Waterschap Peel en Maasvallei.

4. De regelgeving waarop het bestreden besluit is terug te voeren, houdt allereerst in dat in de Verordening waterhuishouding Limburg 1997 per 1 januari 2008 een zogeheten stand still voor een deel van het grondgebied van het waterschap, waaronder het perceel van eiser P 351, is ingevoerd. Dat beleid is vormgegeven door het instellen van een verbod voor onttrekkingen waarvan -voor zover voor deze zaak van belang- uitgezonderd waren de onttrekkingen waarvoor uiterlijk op de datum van inwerkingtreden overeenkomstig artikel 11 van de toenmalige Grondwaterwet een melding had plaatsgevonden of een vergunning was verleend. Door inwerkingtreden van de Waterwet per 22 december 2009 is genoemde provinciale verordening vervangen door de op de Waterwet gebaseerde Waterverordening Limburg, waarin verweerder is belast met het grondwaterbeheer. Die verordening is vervolgens per 1 januari 2011 opgegaan in de Omgevingsverordening Limburg. In genoemde verordeningen zijn instructienormen opgenomen ten aanzien van de Keur Waterschap Peel en Maasvallei 2009 (de Keur) die -voor zover voor dit geding van belang- inhouden dat het stand-stillbeleid onder dezelfde voorwaarden moet worden voortgezet. Aan die instructienorm is vervolgens uitvoering gegeven door in artikel 4.6 van de Keur een verbod op te nemen om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In een algemene regel “Grondwateronttrekking ten behoeve van beregening en bevloeiing van landbouwkundige doeleinden”, berustend op artikel 4.2 van de Keur, is voorts geregeld dat voor de onttrekkingsinrichtingen die uiterlijk op 1 januari 2008 zijn opgenomen in het grondwaterregister, geen vergunning is vereist, mits aan de in die regel geformuleerde voorwaarden wordt voldaan.

5. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat zij de in geding zijnde afwijzing van de aanvraag van eiser, gelet op de regelgeving zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, duidt als een weigering van verweerder om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 4.6 van de Keur een vergunning aan eiser te verlenen. Die weigering heeft verweerder gebaseerd op het sinds 1 januari 2008 voor het betrokken gebied door het provinciebestuur en verweerder gevoerde stand-stillbeleid, dat kenbaar is uit de in overweging 4 weergegeven regels. De inhoud van dat beleid staat in dit geding niet ter discussie. Nu de in geding zijnde onttrekkingsput niet uiterlijk op 1 januari 2008 in het grondwaterregister was opgenomen, behoort deze niet tot de categorie waarvoor op grond van voormelde algemene regel geen vergunning is vereist en heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het verlenen van een vergunning op grond van artikel 4.6 van de Keur in strijd zou komen met het stand-stillbeleid.

6. Dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het toepasselijke stand-stillbeleid, neemt niet weg dat er reden zou kunnen zijn om van dat beleid af wijken als toepassing van dat beleid voor eiser gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Het betoog van eiser dat hij van de stand-stillregeling niet tijdig op de hoogte was en kon zijn, zodat hem de mogelijkheid is onthouden om de onttrekking voor 1 januari 2008 te laten registreren, beoordeelt de rechtbank in het kader van die afwijkingsbevoegdheid.

7. Aan eiser moet worden toegegeven dat de betrokken wijziging van de Verordening waterhuishouding Limburg 1997 kort voor 1 januari 2008 door Provinciale Staten is vastgesteld en nadien is gepubliceerd, waardoor hem weinig tijd restte om de onttrekking tijdig aan te melden. Verweerder heeft daarover naar voren gebracht dat aan de invoering van het beleid ruim tevoren bekendheid is gegeven, onder meer door voorlichting aan de belangenorganisaties en publicaties in vakbladen. Nu verweerder die stelling niet heeft gestaafd met concrete gegevens, hecht de rechtbank daaraan echter niet het belang dat verweerder daaraan toegekend zou willen zien. Verweerder heeft er evenwel tevens - met juistheid - op gewezen dat voor het onttrekken van grondwater reeds vóór 1 januari 2008 ingevolge de destijds van kracht zijnde Grondwaterwet een aantal verplichtingen golden, waaronder een meldingsplicht op grond van artikel 11 van die wet, onder meer ten behoeve van het grondwaterregister als bedoeld in artikel 13 van die wet. Ter zitting van de rechtbank heeft eiser verklaard dat hij in 2000 eigenaar is geworden van het perceel P 531 waarop toen een niet in gebruik zijnde onttrekkingsput aanwezig was en dat hij die put jarenlang ook niet nodig heeft gehad omdat het perceel niet werd gebruikt voor akkerbouw. Nadat in 2005 het perceel was samengevoegd met een ander perceel, is ook de betrokken onttrekkingsput voor beregening van het perceel in gebruik genomen. Uit het voorgaande volgt dat op eiser reeds geruime tijd voor 1 januari 2008 de verplichting rustte om de onttrekking van grondwater uit de betrokken put te melden ten behoeve van het grondwaterregister en dat hij die meldingsplicht niet uiterlijk op die datum is nagekomen. Als eiser die verplichting destijds wel was nagekomen, was de onttrekkingsput vóór 1 januari 2008 in het grondwaterregister opgenomen en zou aldus voldaan zijn geweest aan de voorwaarden om de in geding zijnde aanvraag te honoreren. Naar het oordeel van de rechtbank komt het niet tijdig op de hoogte zijn met de stand-stillregeling derhalve voor risico van eiser en kan in die onbekendheid reeds daarom geen bijzondere omstandigheid zijn gelegen om van het toepasselijke beleid af te wijken. Het betoog van eiser treft derhalve geen doel.

8. Ten aanzien van het betoog van eiser dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op zijn eigendomsrecht, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat in dit geval sprake is van een op publiekrechtelijke wettelijke voorschriften gegronde beperking waarvoor artikel 5:1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek ruimte laat. Voor zover eiser zich ter zitting van de rechtbank heeft beroepen op de in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde bescherming van het eigendomsrecht, volstaat de rechtbank met oordeel dat niet is in te zien dat niet is voldaan aan de in die verdragsbepaling genoemde voorwaarden voor beperking van die bescherming. Ook dit betoog slaagt derhalve niet.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de kosten van de andere partij.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout ,voorzitter, J.N.F. Sleddens en R.J.G.H. Seerden, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

w.g. D. H.J. Laeven,

griffier w.g. Th.M. Schelfhout,

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 december 2011

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.