Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU6483

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
112307 / FT-RK 11-665
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ROERMOND

Sector civiel recht

Zaaknummer / rekestnummer: 112307 / FT–RK 11.665

Vonnis van 30 november 2011

in de zaak van

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

wonende: [adres], [woonplaats],

verzoeker,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Muller Bloemzaden B.V.

gevestigd te Lisse,

advocaat/gemachtigde mr. L. de Ridder te Sassenheim,

verweerder.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 10 november 2011 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschriften tot vaststelling van een schuldregeling (dwangakkoord) als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) en (subsidiair) tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling;

- het faxbericht van mr. de Ridder voornoemd gedateerd 28 september 2011, maar ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 29 november 2011,

- de mondelinge behandeling op 30 november 2011.

1.2. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door de heer [X], medewerker bij Arvalis. Tevens is verschenen de echtgenote van verzoeker.

1.3. Verweerder is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen, maar heeft het hiervoor vermelde faxbericht als verweerschrift ingediend.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Verzoeker verzoekt de rechtbank te bevelen dat verweerder dient in te stemmen met de door hem aangeboden schuldregeling.

Verzoeker heeft zijn 20 concurrente schuldeisers een minnelijk akkoord aangeboden. Het aangeboden akkoord houdt in dat verzoeker zijn 20 concurrente schuldeisers 10% op de vorderingen in één keer tegen finale kwijting zal betalen.

2.2. Verweerder weigert in te stemmen met het akkoord. Het verweer luidt als volgt.

De aangeboden betalingsregeling voldoet niet aan de vaste vereisten voor een saneringsvoorstel. In het voorstel krijgen de bevoorrechte schuldeisers nagenoeg hun gehele vordering voldaan hetgeen in strijd is met het toepasselijke recht. De concurrente schuldeisers worden daardoor ernstig benadeeld. In een schuldsaneringsregeling is de verdeelsleutel anders. Vorderingen waaraan voorrang is verbonden dienen een twee keer zo groot percentage te krijgen als op de concurrente vorderingen. Verzoeker heeft de schijn van kredietwaardigheid gewekt en zodoende te kwader trouw en onrechtmatig gehandeld. Bovendien heeft verzoeker in de wettelijke schuldsaneringsregeling een sollicitatieplicht. Voor zover bekend heeft verzoeker daar niet aan voldaan. Indien verzoeker meer inkomen kan verwerven zal ook dit (gedeeltelijk) ten goede komen aan de schuldeisers.

2.3. Uit de stukken en ter zitting is het volgende gebleken.

Verzoeker is buiten gemeenschap van goederen gehuwd.

Verzoeker heeft ten tijde van het aanbieden van het akkoord schulden aan een drietal hypotheekhouders van in totaal € 751.554,--. Die schulden kunnen op een bedrag van

€ 554,-- na voldaan worden uit de verkoop van twee onroerende zaken van verzoeker. De koopovereenkomsten zijn gesloten maar levering heeft nog niet plaatsgevonden in verband met het door een schuldeiser gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaken.

Bij de aanvaarding van het akkoord of toewijzing van het onderhavige verzoek zal de beslaglegger het beslag opheffen en de onroerende zaken vrijgeven ter levering.

Verzoeker heeft bij beëindiging van zijn onderneming recht op terugbetaling van een ledenkapitaal voor een bedrag van € 18.128,--. Verder beschikt hij over een lijfrente van

€ 8.800,--. Deze bedragen zijn na voldoening van diverse kosten beschikbaar voor de concurrente schuldeisers die in totaal € 187.223,-- te vorderen hebben.

De schuld aan verweerder bedroeg ten tijde van het aanbieden van het akkoord € 8.193,21 inclusief BTW. Op de lijst van concurrente schuldeisers die uitkomt op het totaalbedrag van € 187.223,-- is de vordering van verweerder opgenomen voor een bedrag van € 8.583,80, zoals ook in het verzoekschrift staat vermeld. Dat is afgerond 4,6% van het totaal aan concurrente schulden. Alle andere concurrente schuldeisers hebben ingestemd met het aangeboden akkoord.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) is bepaald dat een verzoek als het onderhavige slechts kan worden toegewezen als verweerder in redelijkheid niet tot weigering van de instemming met de door verzoeker voorgestelde schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Blijkens de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van deze vraag. Als toetsingscriteria noemt de wetsgeschiedenis onder meer de vraag of het voorstel goed en duidelijk is gedocumenteerd en is getoetst door een onafhankelijke partij, of een faillissement of schuldsaneringsregeling enig uitzicht biedt voor de schuldeisers, de grootte van het aandeel van de schuldeiser in de totale schuldenlast en de vraag of de betreffende schuldeiser de enige is, die weigert in te stemmen.

3.2. Het verzoek is verzorgd door Arvalis Adviseurs gevestigd te Venray maar ingediend door tussenkomst van PLANgroep Horst aan de Maas. De bij het verzoek gevoerde verklaring schuldsanering als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder e Fw is opgemaakt door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas en namens dit college ondertekend door [Y] van de voormelde PLANgroep. In verband hiermee is de rechtbank van oordeel dat het verzoek is ingediend door een onafhankelijke en deskundige partij. Het daarop betrekking hebbende verweer van verweerder wordt daarom verworpen. Het verzoek is verder goed onderbouwd en gedocumenteerd. Anders dan verweerder aanvoert is bijvoorbeeld wel degelijk een lijst met de namen van alle schuldeisers en hun vorderingen overgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.

3.3. De rechtbank is verder van oordeel dat het aangeboden akkoord het maximaal haalbare is en zij overweegt daarover het volgende.

Ter zitting is naar voren gekomen dat het realiseren van een goede opbrengst van de verkoop van de onroerende zaken een belangrijk onderdeel is in het aangeboden akkoord. De koopovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaken is maanden geleden gesloten. Vanzelfsprekend zullen met die opbrengst overeenkomstig het toepasselijke recht eerst de hypotheekschulden moeten worden voldaan. Van benadeling van de concurrente schuldeisers is in zoverre geen sprake.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat bij afwijzing van het verzoek de schuldeiser die beslag heeft gelegd niet bereid is het beslag op te heffen. Dit heeft tot gevolg dat de verkochte onroerende zaken niet kunnen worden geleverd aan de koper en dat de koop niet doorgaat. De beide onroerende zaken zullen dan opnieuw onderhands of in het openbaar worden verkocht door de hypotheekhouders. Gelet op de huidige economische situatie is het zeer aannemelijk dat de opbrengst dan veel lager zal zijn dan thans het geval is. Het is volgens verzoeker niet ondenkbaar dat die opbrengst € 50.000,00 tot € 100.000,00 lager zal zijn. De schulden van de hypotheekhouders zullen dan in ieder geval niet volledig kunnen worden voldaan. De hypotheekhoudende bank heeft verder een pandrecht op de vorderingen van verzoeker. Indien de vorderingen van de bank niet volledig worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de onroerende zaken, zal de bank haar pandrecht uitoefenen op de vordering van verzoeker ter zake het ledenkapitaal en de lijfrente. Deze bedragen zijn dan niet meer beschikbaar om de concurrente schuldeisers te voldoen. In een wettelijke schuldsanering (of faillissement) is naar het oordeel van de rechtbank de kans dan ook zeer klein dat voor de concurrente schuldeisers enige uitkering beschikbaar komt.

3.4. De rechtbank acht het verder zeer onwaarschijnlijk dat verzoeker het verlies aan opbrengst van de verkoop van de onroerende zaken, het ledenkapitaal en lijfrente kan compenseren door tijdens een wettelijke schuldsanering gedurende drie jaren inkomen uit arbeid te verwerven en volgens de gebruikelijke berekening een deel daarvan te reserveren voor de schuldeisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verzoeker thans een bijstanduitkering geniet en zijn eigen bedrijf heeft beëindigd. Een betaalde baan heeft hij nog niet gevonden. Gelet op zijn leeftijd acht de rechtbank het niet heel waarschijnlijk dat verzoeker in de huidige economische omstandigheden op korte termijn een betaalde baan vindt met een hoge aflossingscapaciteit.

3.5. De omstandigheid dat, zoals verweerder aanvoert, verzoeker tegenover haar te kwader trouw en onrechtmatig heeft gehandeld, maakt dit oordeel niet anders. Het zou hooguit aanleiding kunnen zijn om het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen. In dat geval lijkt een faillissement van verzoeker onafwendbaar, met het hiervoor door de rechtbank al aangegeven verwachte gevolg voor de concurrente schuldeisers.

3.6. In het licht van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat door de weigering van verweerder de belangen van verzoeker en de andere schuldeisers worden geschaad en dat de belangen van verzoeker en de andere schuldeisers zwaarder wegen dan het belang van verweerder om zijn bevoegdheid tot weigering uit te oefenen.

3.7. De rechtbank acht geen termen aanwezig enige partij in de kosten te veroordelen.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1. beveelt verweerder Muller Bloemzaden B.V., gevestigd te Lisse in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling zoals hiervoor overwogen;

4.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Vanhommerig en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.