Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU5822

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
AWB 09 / 1387
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en vastgesteld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de redelijke termijn is aangevangen op 2 mei 2005. Resteert de vraag welk gedeelte van de termijnoverschrijding aan verweerder is toe te rekenen en welk gedeelte aan de Staat.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – zie onder meer de uitspraak van 29 maart 2006 (LJN: AX7382) – komt naar voren dat de vraag of de redelijke termijn, als bedoeld in voormeld artikel is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad – onder andere de uitspraak van 22 april 2005 (LJN:AO9006) – volgt dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Over de verdeling van deze termijn heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft daarentegen in het kader van deze problematiek aan de hand van de door het EHRM aangereikte criteria in de uitspraak van 26 januari 2009 (LJN: BH1009) geoordeeld dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De rechtbank ziet in artikel 25, eerste lid, van de Awr onvoldoende grond om tot een andere verdeling van de redelijke termijn te komen dan de CRvB heeft gedaan. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de onderhavige zaak inhoudelijk niet dermate ingewikkeld is dat het gerechtvaardigd is dat verweerder de maximale termijn van een jaar zoals opgenomen in de Awr nodig had om te beslissen op het bezwaar van eiser. Ook in de overige criteria ziet de rechtbank geen aanleiding om de CRvB niet te volgen.

Vorenstaand oordeel brengt met zich dat verweerder uiterlijk een half jaar na 2 mei 2005 uitspraak op bezwaar had moeten doen. Nu verweerder eerst op 21 augustus 2009 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar en tien maanden. Deze termijnoverschrijding dient naar boven te worden afgerond, zodat sprake is van een termijnoverschrijding door verweerder van vier jaar. De redelijke termijn van anderhalf jaar waarbinnen de rechtbank uitspraak diende te doen is op 30 september 2009 met het beroepschrift van eiser aangevangen. De termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak heeft gedaan is geëindigd door de tussenuitspraak van 25 augustus 2011, nu daarin inhoudelijk over de beroepsgronden is geoordeeld. De rechtbank sluit op dit punt aan bij de uitspraak van de CRvB van 4 mei 2010 (LJN: BM4034).

Dit maakt dat sprake is van een termijnoverschrijding in eerste aanleg van zes maanden. Bovenstaande impliceert dat er sprake is van overlapping, aangezien er immers met perioden van een half jaar wordt gerekend. Het bedrag aan schadevergoeding voor deze periode van overlapping, zal gelijkelijk worden verdeeld tussen verweerder en de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2984
V-N Vandaag 2011/2916
Belastingblad 2012/54
V-N 2012/9.8

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09 / 1387

Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2011 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.M.H. van Kuijk),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Venray, verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 25 augustus 2011 heeft de rechtbank geoordeeld ten aanzien van het geschil dat partijen ten gronde verdeeld houdt. Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar deze uitspraak. In het kader van de heropening is op 5 oktober 2011 het onderzoek ter zitting voor een meervoudige kamer hervat, alwaar eiser en zijn gemachtigde met kennisgeving vooraf verstek hebben laten gaan. Ook de Staat heeft zich met bericht vooraf niet laten vertegenwoordigen. Namens verweerder is opnieuw A. Bruijns verschenen.

Overwegingen

1. Bij de tussenuitspraak van 25 augustus 2011 heeft de rechtbank – zoals hiervoor reeds vermeld – geoordeeld over de door eiser aangevoerde beroepsgronden gericht tegen het door verweerder aan eiser in rekening gebrachte bedrag van € 700,= wegens het doorlopen van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet op de Ruimtelijke Ordening. Verder heeft de rechtbank bij voormelde uitspraak, in het kader van het beroep van eiser op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), geoordeeld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in dit artikel en vastgesteld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de redelijke termijn is aangevangen op 2 mei 2005. Voor zover nodig en dienstig verwijst de rechtbank naar hetgeen in die uitspraak reeds is overwogen. Thans resteert nog de vraag welk gedeelte van de termijnoverschrijding aan verweerder is toe te rekenen en welk gedeelte aan de Staat. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2. Verweerders gemachtigde heeft zich ter zitting onder verwijzing naar artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) – zoals dat artikel gold ten tijde van het bestreden besluit – op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar van eiser op een jaar gesteld dient te worden. Hij staat op grond hiervan een verdeling van de overschrijding en de daaruit voortvloeiende schadevergoeding van 3: 2 voor.

3. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – zie onder meer de uitspraak van

29 maart 2006 (LJN: AX7382) – komt naar voren dat de vraag of de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.

4. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad – onder andere de uitspraak van

22 april 2005 (LJN:AO9006) – volgt dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Over de verdeling van deze termijn heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft daarentegen in het kader van deze problematiek aan de hand van de door het EHRM aangereikte criteria in de uitspraak van 26 januari 2009 (LJN: BH1009) geoordeeld dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar.

5. De rechtbank ziet in artikel 25, eerste lid, van de Awr onvoldoende grond om tot een andere verdeling van de redelijke termijn te komen dan de CRvB heeft gedaan op grond van de genoemde criteria van het EHRM. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de onderhavige zaak inhoudelijk niet dermate ingewikkeld is dat het gerechtvaardigd is dat verweerder de maximale termijn van een jaar zoals opgenomen in de Awr nodig had om

te beslissen op het bezwaar van eiser. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting van

18 augustus 2011 desgevraagd verklaard dat de zaak inhoudelijk niet ingewikkeld is en er geen andere reden voor de lange duur te bedenken valt, dan dat de afdeling belastingen is afgeschrikt door de ruimtelijke ordeningscomponent die aan de zaak zit. Ook in de overige criteria ziet de rechtbank geen aanleiding om de CRvB niet te volgen.

6. Vorenstaand oordeel brengt met zich dat verweerder uiterlijk een half jaar na

2 mei 2005, derhalve op 2 november 2005, uitspraak op bezwaar had moeten doen.

Nu verweerder eerst op 21 augustus 2009 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, is

sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar en tien maanden.

Deze termijnoverschrijding dient naar boven te worden afgerond, zodat sprake is van een termijnoverschrijding door verweerder van vier jaar. Verweerder dient eiser in beginsel

€ 4.000,= (8 x € 500,=) aan schadevergoeding te betalen.

7. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn van anderhalf jaar waarbinnen de rechtbank uitspraak diende te doen op 30 september 2009 met het beroepschrift van eiser is aangevangen. De termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak heeft gedaan is geëindigd door de tussenuitspraak van 25 augustus 2011, nu daarin inhoudelijk over de beroepsgronden is geoordeeld. De rechtbank sluit op dit punt aan bij de uitspraak van de CRvB van 4 mei 2010 (LJN: BM4034). Dit maakt dat er sprake is van een termijnoverschrijding in eerste aanleg van zes maanden. De Staat dient eiser in beginsel

€ 500,= aan schadevergoeding te betalen.

8. Bovenstaande berekening impliceert dat er sprake is van overlapping, aangezien er immers met perioden van een half jaar wordt gerekend. Het bedrag van € 500,= aan schadevergoeding voor deze periode van overlapping, zal gelijkelijk worden verdeeld tussen verweerder en de Staat, zodat door verweerder aan eiser dient te worden vergoed € 3.750,= (zijnde: € 4.000,= - € 250,=) aan schadevergoeding en de Staat € 750,= (zijnde: € 500 +

€ 250,=) aan schadevergoeding aan eiser dient te betalen.

9. Voor zover verweerders gemachtigde heeft aangevoerd dat eiser niet werkelijk schade heeft geleden en dat er geen sprake zou zijn van spanning en frustratie, verwijst de rechtbank naar voornoemde uitspraak van het EHRM van 29 maart 2006 waarin het EHRM heeft geoordeeld dat, behoudens bijzonderde omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor schadevergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie, biedt het dossier geen aanknopingspunten. Voorts ziet de rechtbank geen grond om verweerders gemachtigde te volgen in zijn ter zitting gehouden betoog dat de schadevergoeding nooit hoger zou moeten zijn dan het bedrag waarop het geschil ziet, in het onderhavige geval derhalve € 700,=. Weliswaar is het belang van de zaak één van de door het EHRM genoemde criteria, doch die criteria dienen ter vaststelling van de duur van de redelijke termijn en hebben geen relatie met de hoogte van de schadevergoeding. Ook in het “gezond-verstand-criterium”, zoals door de gemachtigde van verweerder is voorgestaan, ziet de rechtbank geen grondslag voor matiging van de in de jurisprudentie als redelijk geoordeelde schadevergoeding.

10. Uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb volgt dat de rechtbank verweerder alleen kan veroordelen tot het betalen van schadevergoeding als zij het beroep van eiser gegrond verklaart. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Omdat het bestreden besluit gelet op het onder 1 tot en met 13 in de tussenuitspraak van

25 augustus 2011 overwogene rechtmatig is, zal de rechtbank met toepassing van

artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden

besluit in stand blijven.

11. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder op grond van

het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting) worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3.750,=;

veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot ene bedrag van € 750,=;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,= aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,=, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen (voorzitter), mr. T.M. Schelfhout en mr. P.J. Voncken, rechters, in aanwezigheid van

mr. K.M.A.W. Kusters van Mulken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2011.

w.g. mr. K.M.A.W. Kusters van Mulken,

griffier w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Voornoemd lid van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 3.750,= (ZEGGE: DRIEDUIZENDZEVENHONDERDVIJFTIG EURO) ten laste van de gemeente Venray en € 750,= (ZEGGE: ZEVENHONDERDVIJFTIG EURO) ten laste van de Staat.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen op

15 november 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 november 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s Hertogenbosch.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.