Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU4370

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
Awb 11/468
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is woonachtig in Nederland en werkt sinds 2007 in Duitsland. Voordien heeft hij enige tijd in Nederland gewerkt. Hij heeft in 2010 bij een aanvraag ingediend voor een voorziening op grond van de Wet WIA. Deze aanvraag heeft verweerder afgewezen. Het beroep hiertegen wordt ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt allereerst dat het betoog geen doel treft dat naast de Duitse wetgeving ook de Wet WIA op hem van toepassing is omdat hij op grond van artikel 46 van Verordening Nr. 883/2004 recht zou hebben op een Nederlandse WIA-uitkering. Aangezien in Duitsland werkzaam is, is op grond van artikel 11 van de Verordening – een bepaling met exclusieve werking – enkel Duits recht van toepassing op zijn aanvraag. Er is geen verband te leggen tussen de bepalingen in de zin dat artikel 46 van de Verordening een nadere invulling aan artikel 11 van de Verordening zou geven. De rechtbank overweegt verder dat het beroep op het Petroni-beginsel geen doel treft, omdat geen reeds in Nederland verworven recht op grond van artikel 35 van de Wet WIA had dat hij is verloren door gebruik te maken van zijn recht op vrij verkeer. Daarnaast maakt het feit dat bij arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 46 van de Verordening wegens tijdvakken van verzekering in het verleden recht zou kunnen doen gelden op een pro rata WIA-uitkering, niet dat hij ook ten tijde van zijn aanvraag voor de Wet WIA als verzekerde moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 468

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2011 in de zaak tussen

[eiser], te Montfort, eiser

(gemachtigde: mr. S.P. van der Beek-Verdoorn),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot vergoeding van de kosten van gehoorapparatuur afgewezen.

Bij besluit van 22 februari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

Overwegingen

1. Eiser werkt sinds 1 maart 2007 als vrachtwagenchauffeur voor het bedrijf [naam bedrijf] (Duitsland). Eiser is woonachtig in Nederland en heeft voordien ook enige tijd in Nederland gewerkt.

Eiser heeft een gehoorbeperking en gebruikt hiervoor een dubbelzijdig hoortoestel. Via zijn ziektekostenverzekeraar CZ ontvang eiser een vergoeding van in totaal EUR 993,00 voor deze apparatuur. Zijn eigen bijdrage is EUR 1.186,40.

Eiser heeft op 19 september 2010 bij verweerder een aanvraag “Ondersteuning bij uw visuele, auditieve of motorische handicap” ingediend voor een voorziening op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA), bestaande uit ondersteuning bij de kosten van de gehoorapparatuur.

Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

2. Eiser betoogt allereerst dat hij bij arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 46 van Verordening (EG) Nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (verder: de Verordening) recht zou hebben op een Nederlandse WIA-uitkering op grond van de berekeningsmethode van hoofdstuk 5 van de Verordening, te weten ouderdoms- en nabestaandenpensioen volgens de pro-ratapensioenmethode (tijdvak-evenredige berekening), zodat naast de Duitse wetgeving ook de Wet WIA op hem van toepassing is.

2.1. Ter beoordeling van deze beroepsgrond overweegt de rechtbank, zoals ook verweerder heeft aangevoerd, dat op basis van artikel 11 van de Verordening moet worden beoordeeld welk recht van toepassing is op de aanvraag, alvorens kan worden toegekomen aan een beoordeling van de toepasselijkheid van onder meer artikel 46 van de Verordening. De preambule bij de Verordening (onder 17) vermeldt immers dat om gelijke behandeling van alle personen die op het grondgebied van een lidstaat werken zo goed mogelijk te garanderen, als algemene regel de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene zijn werkzaamheden verricht als toepasselijke wetgeving dient te worden aangewezen. Verder vermeldt artikel 11 van de Verordening (getiteld “Algemene regels” en deel uitmakend van Titel II betreffende de “Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”) uitdrukkelijk dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één lidstaat zijn onderworpen en dat de vraag welke wetgeving dat is, wordt vastgesteld overeenkomstig de titel waarin artikel 11 is opgenomen. Op grond van artikel 11 is de toepasselijke wetgeving de wetgeving van die lidstaat waarin iemand werkzaamheden verricht. Weliswaar leidt deze hoofdregel uitzondering in de gevallen genoemd in de artikelen 12 tot en met 16 van de Verordening, maar deze uitzonderingen zijn gesteld noch gebleken. Artikel 11 van de Verordening heeft exclusieve werking en er is gezien voorgaande geen verband te leggen tussen de bepalingen in de zin dat artikel 46 van de Verordening een nadere invulling aan artikel 11 van de Verordening zou geven. Aangezien eiser in Duitsland werkzaam is, is derhalve op grond van artikel 11 van de Verordening enkel Duits recht van toepassing op zijn aanvraag. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

3. Eiser heeft verder betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met het Petroni-beginsel, omdat verweerder hem sociale zekerheidsrechten ontneemt die in ieder geval door de wettelijke regeling van een lidstaat worden gewaarborgd, enkel omdat hij zijn recht op vrij verkeer uitoefent.

3.1. Ter beoordeling van deze beroepsgrond overweegt de rechtbank dat de jurisprudentie waarop eiser zich beroept, inhoudt dat, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: HvJ) herhaaldelijk heeft geoordeeld, het doel van de artikelen 45 VWEU en 48 VWEU niet zou worden bereikt indien de migrerende werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun uitsluitend door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend, met name wanneer deze voordelen de tegenprestatie vormen voor door hen betaalde bijdragen (zie bijv: HvJ, 30-06-2011, Zaak C-388/09, LJN: BS7387). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in de onderhavige zaak geen sprake, omdat eiser geen reeds in Nederland verworven recht op grond van artikel 35 van de Wet WIA had dat hij is verloren door gebruik te maken van zijn recht op vrij verkeer. Daarnaast maakt het feit dat eiser bij arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 46 van de Verordening wegens tijdvakken van verzekering in het verleden recht zou kunnen doen gelden op een pro rata WIA-uitkering, niet dat hij ook ten tijde van zijn aanvraag voor de Wet WIA als verzekerde moet worden beschouwd. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

4. Ook het betoog van eiser dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt omdat de onderhavige weigeringgrond geen wettelijke grondslag kent, treft geen doel. De weigering van verweerder is immers gegrond op de bepalingen van de Verordening, welke op grond van artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.

5. Ten slotte treft ook de beroepsgrond geen doel dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel handelt omdat hij nooit voor heeft gewaarschuwd dat grensarbeiders buiten deze vergoedingsregeling vallen. Het is immers vaste jurisprudentie dat pas sprake kan zijn van een door een bestuursorgaan opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat moet worden gehonoreerd, wanneer dat vertrouwen is opgewekt door ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke uitlatingen of gedragingen namens dat orgaan (CRvB 12 maart 2009 LJN: BH7055; CRvB 24-09-2008, LJN: BF2376). Dat verweerder dergelijke uitlatingen of gedragingen heeft gedaan is gesteld noch gebleken en van strijd met het vertrouwensbeginsel is derhalve geen sprake. Het kan voorts niet als onzorgvuldig worden aangemerkt dat eiser de regeling toepast zoals deze toegepast moet worden. Deze beroepsgrond kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

6. Nu naar het oordeel van de rechtbank geen van de door eiser aangevoerde beroepsgronden tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden, wordt het beroep ongegrond verklaard.

7. Van omstandigheden op grond waarvan een der partijen zou moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de andere partij is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 november 2011.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 november 2011

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.