Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU3966

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hangende een beroep niet-tijdig beslissen wordt de aanvraag om een scootermobiel alsnog toegewezen. Eiser komt binnen de termijn van twee weken genoemd in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb in beroep. Het beroep is niet om die reden niet-ontvankelijk, omdat verweerder in dit geval een opdracht had gekregen binnen vier weken na de uitspraak van 16 februari 2011 te beslissen en hij aan die opdracht niet (althans niet tijdig) heeft voldaan. In een dergelijk geval kan van een betrokkene redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij, voordat hij beroep instelt, het bestuursorgaan in gebreke stelt of een in de ingebrekestelling vermelde termijn afwacht (ABRvS 24 juni 2011, nummer 201103005/3/V1). Aan de bezwaren van eiser is inmiddels echter tegemoet gekomen, zodat het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vervolgens is de vraag of de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verweerder op grond van artikel 4:17 van de Awb een dwangsom aan eiser verschuldigd is. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de toepasselijke wettelijke bepalingen (de artikelen 8:55c, 6:20, derde lid, en 4:19, eerste lid, van de Awb), met zich brengt dat, als het bestuursorgaan hangende beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog inwilligend beslist (en er dus in beginsel geen procesbelang meer is), maar daarnaast afwijzend beslist over de verschuldigdheid van een dwangsom ex artikel 4:17 van de Awb, betrokkene in de beroepsprocedure tegen het niet tijdig nemen van een besluit desgewenst een rechterlijk oordeel kan krijgen over de rechtmatigheid van de beschikking over de dwangsom. Deze uitleg bevordert een finale beslechting van het geschil tussen partijen en doet in die zin recht aan de bedoeling van artikel 8:55c van de Awb. In zoverre is het beroep gegrond en wordt de dwangsom toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 493

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2011 in de zaak tussen

[eiser], te Roggel, eiser

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 heeft verweerder een aanvraag van eiser om een extra geveerde scootermobiel op grond de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 3 januari 2011 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak 16 februari 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het beroep van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard. Daarbij heeft de voorzieningenrechter bepaald dat verweerder binnen vier weken na datum van die uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen.

Bij brief van 4 april 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank acht een onderzoek ter zitting niet nodig. Zij doet daarom - met toepassing van de artikelen 8:55b, eerste lid, en 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - uitspraak zonder zitting.

2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijk voorschrift over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

3. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

5. Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld bij brief van 28 maart 2011. Eiser heeft vervolgens op 4 april 2011 beroep ingesteld. Dit is binnen de termijn van twee weken genoemd in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb en dus strikt genomen te vroeg. De rechtbank zal hieraan echter niet de consequentie verbinden dat het beroep niet ontvankelijk is. Reden daarvoor is dat verweerder in dit geval een opdracht had gekregen binnen vier weken na de uitspraak van 16 februari 2011 te beslissen en hij aan die opdracht niet (althans niet tijdig) heeft voldaan. In een dergelijk geval kan van een betrokkene redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij, voordat hij beroep instelt, het bestuursorgaan in gebreke stelt of een in de ingebrekestelling vermelde termijn afwacht. De rechtbank wijst op dit punt naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2011 met nummer 201103005/3/V1 (www.raadvanstate.nl).

6. Op 28 april 2011 zijn verweerder en eiser, zo blijkt uit de stukken, overeengekomen dat verweerder zo snel mogelijk de door eiser gewenste scootermobiel zou bestellen. Enige tijd later is de scootermobiel ook bij eiser afgeleverd. Voorts heeft verweerder toegezegd alle door eiser betaalde griffierechten te vergoeden. Het alsnog toewijzen van de aanvraag en het vergoeden van de griffierechten heeft verweerder vervolgens neergelegd in een besluit van 21 juli 2011. Uit het vorenstaande blijkt dat inmiddels, met het besluit van 21 juli 2011 en de eerdere feitelijke uitvoering daarvan, volledig aan de bezwaren van eiser tegemoet is gekomen. Eiser bevestigt dit ook in zijn brief aan de rechtbank van 11 juli 2011. Dit betekent dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit zal de rechtbank daarom, wegens het ontbreken van procesbelang, niet-ontvankelijk verklaren. Tot slot overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat eiser zijn beroep niet heeft willen intrekken, omdat hij (kort gezegd) een signaal wil geven aan verweerder dat diens handelwijze in Wmo-zaken socialer en zorgvuldiger zou moeten zijn. De rechtbank begrijpt de frustratie van eiser dat hij, ondanks zijn pijnklachten, lang op de gewenste scootermobiel heeft moeten wachten en zij respecteert de keuze van eiser om zijn beroep te handhaven. Dit brengt echter geen verandering in het feit dat eiser, zoals hiervoor is uitgelegd, op dit punt geen procesbelang meer heeft.

7. Eiser heeft voorts te kennen gegeven dat hij zijn beroep niet wenst in te trekken, omdat hij vindt dat hij recht heeft op een dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb en

8. Verweerder heeft in zijn brief van 22 september 2011 de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen.

9. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

10. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

11. Ingevolge artikel 8:55c, tweede lid, van de Awb stelt de rechtbank, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge artikel 4:17 verbeurde dwangsom vast. Uit artikel 7:14 van de Awb volgt dat artikel 4:17 van de Awb ook van toepassing is op besluiten op bezwaar.

12. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij, ondanks dat het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, een oordeel kan geven over de vraag of verweerder op grond van artikel 4:17 van de Awb een dwangsom aan eiser verschuldigd is. Immers, artikel 8:55c van de Awb bepaalt dat de rechtbank als het beroep gegrond is de hoogte van de verbeurde dwangsom kan vaststellen.

13. Ter beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank allereerst vast dat de brief van verweerder van 22 september 2011, waarin hij betoogt dat geen dwangsom is verbeurd, een beschikking is als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de toepasselijke wettelijke bepalingen (de artikelen 8:55c, 6:20, derde lid, en 4:19, eerste lid, van de Awb), met zich brengt dat, als het bestuursorgaan hangende beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog inwilligend beslist (en er dus in beginsel geen procesbelang meer is), maar daarnaast afwijzend beslist over de verschuldigdheid van een dwangsom ex artikel 4:17 van de Awb, betrokkene in de beroepsprocedure tegen het niet tijdig nemen van een besluit desgewenst een rechterlijk oordeel kan krijgen over de rechtmatigheid van de beschikking over de dwangsom. Deze uitleg bevordert een finale beslechting van het geschil tussen partijen en doet in die zin recht aan de bedoeling van artikel 8:55c van de Awb. De rechtbank wijst volledigheidshalve op een uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 augustus 2011 (LJN: BR5233, www.rechtspraak.nl), waarin in een vergelijkbaar geval op dezelfde wijze werd geoordeeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het beroep van eiser mede gericht tegen de beschikking van 22 september 2011 en zal zij beoordelen of verweerder een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb aan eiser verschuldigd is.

14. De omstandigheden genoemd in artikel 4:17, zesde lid, van de Awb zijn hier niet aan de orde. Verder is niet gebleken dat verweerder aan eiser schriftelijk mededeling heeft gedaan van toepassing van een van de uitstelmogelijkheden van artikel 7:10 van de Awb. Verweerder was dan ook gehouden om binnen vier weken na de uitspraak van 16 februari 2011 een nieuwe beslissing te nemen. Verweerder heeft deze termijn overschreden, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat het feit dat partijen in gesprek zijn over een minnelijke regeling, verweerder niet ontslaat van zijn verplichting tijdig een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Voorts heeft eiser verweerder schriftelijk in gebreke gesteld en heeft hij de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de verbeurde dwangsom vast te stellen. De rechtbank zal daarom het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzende beschikking over de dwangsom, kennelijk gegrond verklaren. Nu de in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb vermelde maximumtermijn van 42 dagen is overschreden, zal de rechtbank de verschuldigde dwangsom met toepassing van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, vaststellen op € 1.260,-.

15. De rechtbank beslist daarom als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de beschikking van 22 september 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- stelt de hoogte van de aan eiser verbeurde dwangsom vast op € 1.260,-;

- bepaalt dat verweerder dit bedrag binnen zes weken na verzending van deze uitspraak aan eiser dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

M.B.G. Cox-Vorage, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 november 2011.

w.g. M.B.G. Cox-Vorage,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 november 2011.

MC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na dagtekening van de verzending van het afschrift van de uitspraak verzet doen bij de rechtbank.