Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU3511

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
110397 / HA ZA 11-486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bepalingen uit Wetboek van burgerlijke rechtsvordering rondom benoeming deskundigen in onteigeningsprocedures niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 110397 / HA ZA 11-486

Vonnis van 2 november 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROERMOND,

zetelend te Roermond,

eiseres,

advocaat mr. J.W.M. van Haren te Venlo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J.G. Goumans te Roermond.

Partijen zullen hierna verder de gemeente en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Bij exploot van 13 juli 2011 heeft de gemeente [gedaagde] voor deze rechtbank gedagvaard.

1.2. Op 20 juli 2011 heeft de gemeente ter griffie van de rechtbank gedeponeerd de onteigeningsstukken als bedoeld in artikel 89 van de Onteigeningswet.

1.3. Op 3 augustus 2011 heeft de gemeente voorts bij akte van depot het bestemmingsplan Oolder Veste, het bestemmingsplan 1e herziening Oolder Veste, het bestemmingsplan 2e herziening Oolder Veste, het Beeldregieplan Oolder Veste en de Faseringsrekening Oolder Veste gedeponeerd.

1.4. [gedaagde] heeft voor antwoord geconcludeerd.

1.5. Op 20 oktober 2010 hebben partijen hun zaak doen bepleiten.

2. De beoordeling

2.1. De gemeente vraagt de rechtbank vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de gemeente en in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting van:

1. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 00.17.30 ha, grondplannummer 1,

2. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 02.28.10 ha, grondplannummer 2,

3. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 01.38.90 ha, grondplannummer 3,

4. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 00.33.30 ha, grondplannummer 4.

2.2. Het besluit van de raad van de gemeente Roermond van 30 oktober 2008 tot onteigening in het belang van de ruimte ontwikkeling en volkshuisvesting ten name van de gemeente Roermond van een aantal onroerende zaken, waaronder de onderhavige percelen, is goedgekeurd bij KB van 17 oktober 2009. De onteigening is volgens de gemeente nodig teneinde uitvoering te kunnen geven aan het bestemmingsplan Oolder Veste en voor zover relevant ter uitvoering van de inmiddels onherroepelijk geworden bestemmingsplannen 1e herziening Oolder Veste en 2e herziening Oolder Veste. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een woongebied met circa 900 woningen met bijbehorende groenvoorzieningen, waarvan de bouw is gestart in 2005 en naar verwachting in 2013 is afgerond.

2.3. De gemeente heeft aan [gedaagde] voor de ontneming van het te onteigenen aangeboden een schadeloosstelling van EUR 591.670,--.

2.4. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de door de gemeente gevorderde onteigening. De door de gemeente aangeboden schadeloosstelling is door [gedaagde] niet aanvaard.

2.5. Het door [gedaagde] gedane verzoek tot aanhouding van het vonnis tot onteigening totdat op het door [gedaagde] bij deze rechtbank, sector bestuursrecht, op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur ingediende beroepschrift is beslist, is reeds bij het pleidooi afgewezen. Een dergelijke aanhouding strookt niet met de in de Onteigeningswet neergelegde voortvarende wijze van procederen. Bovendien is de genoemde bestuursrechtelijke procedure gericht op de verkrijging van informatie, die in ieder geval niet relevant is voor de vraag of de gevorderde vervroegde onteigening kan worden toegewezen, maar mogelijk wel voor het antwoord op de vraag naar de aan [gedaagde] toe te kennen schadeloosstelling. Dat de betrokken informatie nu niet voorhanden is, is ook om die reden geen grond om de procedure in de huidige stand aan te houden.

2.6. De gevorderde onteigening is als zodanig niet weersproken en ook overigens is voldaan aan de in de Onteigeningswet gestelde vereisten, zodat de vervroegde onteigening zal worden uitgesproken.

2.7. [gedaagde] heeft een aantal verweren en stellingen aangevoerd, die betrekking hebben op de benoeming van de deskundigen als bedoeld in artikel 27 Onteigeningswet alsmede op de wijze waarop het deskundigenonderzoek zou dienen plaats te vinden. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in dit verband is aangevoerd geen reden vormt om af te wijken van de procedure zoals die in onteigeningszaken normaliter in deze rechtbank wordt gevolgd. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen.

2.7.1. Anders dan [gedaagde] heeft verdedigd, is de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in artikel 32 Onteigeningswet met zich brengt, dat de regels rond de benoeming van en het onderzoek door deskundigen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rechtsvordering) in onteigeningsprocedures niet van toepassing zijn. De rechtbank ziet daarvoor de volgende argumenten.

In de eerste plaats is deze wetsinterpretatie al gedurende decennia de heersende, waarin op zichzelf al een argument is gelegen om deze interpretatie als het geldende recht op te vatten. In de tweede plaats zijn aard en strekking van het deskundigenonderzoek in de onteigeningsprocedure wezenlijk anders dan die in de reguliere civiele procedure als geregeld in Rechtsvordering. In de onteigeningsprocedure strekt het deskundigenadvies ter advisering van de rechtbank. De rechtbank gebruikt dit advies - en moet dit gebruiken - bij de uitvoering van de op haar rustende wettelijke taak om in de onteigeningsprocedure de schadeloosstelling vast te stellen. In de reguliere civiele procedure is dit wezenlijk anders. De rol van het deskundigenbericht is daar die van een bewijsmiddel. Dat bewijsmiddel dient dan om door partijen gestelde maar betwiste feiten vast te stellen. Met andere woorden: er is sprake van een middel ter uitvoering van hetgeen (één van) partijen in de procedure moet doen en - anders dan in de onteigeningsprocedure - niet van iets wat de rechtbank moet doen: de rechtbank dient in de reguliere civiele procedure het bijgebrachte bewijs te waarderen, maar niet te leveren. Zo beschouwd is hier sprake van een activiteit van deskundigen ten behoeve van (de bewijslevering door) partijen. De zojuist genoemde verschillen maken inzichtelijk waarom in Rechtsvordering een grotere rol is voorzien voor partijen bij de benoeming van deskundigen, als ook dat daar een andere regeling is gegeven voor de betaling van de deskundigen: de partij die daar met het bewijs is belast kan afzien van het voldoen van het voorschot wat dan vaak tot gevolg zal hebben, dat het door haar te bewijzen feit niet in rechte komt vast te staan. Of de betrokken partij dat risico wil lopen is op deze wijze door haar zelf te kiezen. Dit is in de systematiek van de Onteigeningswet anders, aangezien daar sprake is van een wettelijke verplichting van de rechtbank om de schade te begroten alsmede van een wettelijke verplichting om daartoe een deskundigenonderzoek te doen uitvoeren.

In de derde plaats volgt uit een aantal verschillen tussen de regeling in de Onteigeningswet ten opzichte van de regeling in Rechtsvordering, dat beide regelingen niet op elkaar aansluiten. Dat kan grotendeels verklaard worden door het bovengenoemde verschil in doel en strekking van de respectieve regelingen. Bij de bedoelde verschillen valt te denken aan de bepaling in de Onteigeningswet dat een oneven aantal deskundigen moet worden benoemd, terwijl Rechtsvordering de mogelijkheid openlaat een even aantal deskundigen te benoemen. Verder valt te denken aan de omstandigheid, dat de benoeming van deskundigen in de Onteigeningswet een wettelijke verplichting is, terwijl in Rechtsvordering sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Een ander in het oog springend verschil is dat de Onteigeningswet zelf de opdracht aan deskundigen formuleert, terwijl de regeling in Rechtsvordering uitgaat van een door de rechter te formuleren opdracht. Tenslotte kan worden genoemd dat Rechtsvordering een procedure kent waarin wordt gewerkt met vaststelling en betaling van voorschotten aan deskundigen, waarbij de rechtbank een zekere vrijheid heeft om te bepalen wie het voorschot zal moeten voldoen, terwijl in de systematiek van de Onteigeningswet niet met voorschotten wordt gewerkt maar met afrekening achteraf, waarbij in principe op voorhand is gegeven dat de onteigenende partij de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen zal moeten dragen.

In het licht van de bovenstaande overwegingen moet worden aangenomen, dat artikel 32 Onteigeningswet beoogt de regels omtrent het deskundigenonderzoek van Rechtsvordering in onteigeningsprocedures buiten toepassing te laten.

2.7.2. Anders dan [gedaagde] heeft verdedigd, ziet de rechtbank geen rechtsgrond om aan de te benoemen deskundigen bepaalde waarderingsregels of -methoden op te dragen. De Onteigeningswet bepaalt dat de rechtbank aan de deskundigen opdracht geeft om de schadeloosstellingen te begroten. Daarmee geeft de wet zelf de inhoud van de opdracht aan deskundigen zonder deze daarbij nader op de een of andere wijze in te kaderen. Dat laatste is logisch omdat het in eerste instantie juist aan deskundigen is te beoordelen op welke wijze in het betrokken geval op de beste manier de schadeloosstelling kan worden begroot. Het is de bedoeling dat deskundigen in vrijheid tot hun advies komen en niet dat de rechtbank daaraan voorafgaand (dwingende) adviezen geeft hoe dat te doen. Afgezien daarvan beschikt de rechtbank in het stadium waarin deskundigen worden benoemd niet over voldoende gegevens om de opdracht aan deskundigen nader in te kunnen vullen. Zo zal de rechtbank in dat stadium van de procedure bijvoorbeeld niet kunnen vaststellen of bijvoorbeeld de vergelijkingsmethode uitvoerbaar zou zijn om de rechtbank niet weet of er voldoende, bruikbare vergelijkingstransacties bestaan of niet. De rechtbank ziet kort samengevat dat en waarom er een wettelijk voorgeschreven open opdracht aan deskundigen is. De rechtbank ziet daarnaast niet op grond waarvan de rechtbank bevoegd zou kunnen zijn om die wettelijk voorgeschreven opdracht - op welke wijze dan ook - op voorhand nader in te perken: dat is naar het oordeel van de rechtbank zowel juridisch als feitelijk niet mogelijk. De rechtbank zal daartoe dan ook niet overgaan.

2.7.3. Verder zijn door [gedaagde] nog een aantal nadere eisen geformuleerd waaraan de procedure rond het deskundigenonderzoek zou moeten voldoen, zoals het aantal te benoemen deskundigen, de wijze waarop de onafhankelijkheid van de te benoemen deskundigen zou moeten worden vastgesteld, de wijze waarop de deskundigheid van de te benoemen deskundigen zou moeten worden vastgesteld en de wijze waarop deskundigen verslag zouden moeten doen van hun onderzoeksmethode en onderzoeksbevindingen alsmede de wijze waarop partijen bij een en ander betrokken zouden moeten worden. De rechtbank ziet geen feitelijke of juridische gronden om meer of andere waarborgen te creëren dan nu reeds in de Onteigeningswet en de daarop gebaseerde rechtspraktijk zijn gegeven.

2.7.4. De slotsom is dat de rechtbank in deze procedure niet meer of andere inhoudelijke of procedurele voorschriften zal geven dan normaliter in onteigeningszaken plegen te gelden.

2.8. Ingevolge het bepaalde in artikel 27 Onteigeningswet zal de rechtbank deskundigen benoemen teneinde de schadeloosstelling van gedaagde te begroten, waarbij tevens benoeming van een rechter-commissaris zal plaats hebben. Aangezien het deskundigen betreft die door de rechtbank regelmatig in onteigeningszaken worden benoemd, gaat de rechtbank er van uit dat partijen met benoeming van deze deskundigen instemmen, tenzij binnen 14 dagen na heden gemotiveerde bezwaren kenbaar worden gemaakt.

2.9. De rechtbank zal het door de gemeente te betalen voorschot op de schadeloosstelling aan [gedaagde] bepalen op 90% van het door de gemeente daartoe aangeboden bedrag, derhalve op EUR 532.503,--. Voor de resterende 10% van het aangeboden bedrag dient de gemeente zekerheid te stellen middels een bankgarantie.

2.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. spreekt uit ten name van de gemeente en in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting de vervroegde onteigening, vrij van alle lasten en rechten daarop rustende, van:

1. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 00.17.30 ha, grondplannummer 1,

2. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 02.28.10 ha, grondplannummer 2,

3. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 01.38.90 ha, grondplannummer 3,

4. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [..], nummer [nummer], groot 00.33.30 ha, grondplannummer 4,

3.2. bepaalt het door de gemeente aan [gedaagde] te betalen voorschot op de schadeloosstelling op EUR 532.503,--,

3.3. stelt het door de gemeente middels een bankgarantie te stellen zekerheid voor de voldoening van de aan [gedaagde] verschuldigde schadeloosstelling vast op EUR 59.167,--,

3.4. benoemt tot deskundigen om de schade te begroten, welke door de onteigening aan gedaagde zal worden toegebracht:

1. mr. J. Berkvens,

Jonker c.s. Advocaten,

De Lairessestraat 73,

1071 NV Amsterdam,

2. mr. ing J.A. Jansens van Gellicum,

't Schoutenhuis B.V.,

Postbus 13,

3930 EA Woudenberg,

3. ing. T.A. van Sambeek,

Adviesbureau Grondzaken Limburg B.V.,

Dr. Nolenslaan 157,

6136 GM Sittard,

3.5. benoemt mr. N.J.J. Derks-Voncken om, vergezeld van de griffier, als rechter-commissaris bij de opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van het onteigende tegenwoordig te zijn,

3.6. verwijst de zaak in verband met de opneming door de deskundigen van de ligging en gesteldheid van het onteigende naar de rol van 16 november 2011 voor opgave verhinderdata zijdens partijen en de deskundigen,

3.7. verstaat dat de deskundigen door de zorg van de onteigenende partij, uiterlijk 14 dagen vóór de opneming van het onteigende, in het bezit worden gesteld van de gedingstukken,

3.8. wijst aan als nieuwsblad, waarin dit vonnis bij uittreksel binnen acht dagen nadat het gezag van gewijsde heeft gekregen en de aankondiging als bedoeld in artikel 28 van de Onteigeningswet door de zorg van de griffier zullen worden geplaatst, "Dagblad De Limburger", editie midden,

3.9. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R. Kluin, I.R.A. Timmermans-Vermeer en N.J.J. Derks-Voncken en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.?