Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU2971

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
111260 / JE RK 11-1321
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cultuurverschillen. Recht van moeder om dochter op te voeden volgens eigen waarden en normen. Recht van tiener om daar haar eigen levenswijze tegenover te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 111260 / JE RK 11-1321

Beschikking van 25 oktober 2011 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

op het verzoek van de

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond, mede kantoorhoudende te Weert

hierna te noemen de stichting,

in de zaak van

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoekster als belanghebbenden aan:

- [de moeder],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de moeder,

- [de vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierma te noemen de vader.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De voornoemde stichting heeft op 20 september 2011 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsmede tot verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar.

1.2. Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, alsmede het indicatiebesluit zijn bij het verzoekschrift overgelegd.

1.3. Op 25 oktober 2011 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige,

- de moeder, bijgestaan door mr. R. Delgado,

- [Tolk] als tolk in de Farçi-taal,

- [X], vertegenwoordiger van de stichting.

1.4. De minderjarige is gehoord buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden. Ter zitting heeft de kinderrechter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder.

De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Weert. De ondertoezichtstelling loopt tot 16 november 2011. Bij beschikking d.d. 16 juni 2011 verleende de kinderrechter reeds machtiging tot plaatsing van de minderjarige bij een pleegouder tot 15 november 2011.

2.2. Ter onderbouwing van haar verzoeken heeft de stichting zich op het standpunt gesteld dat een verlenging van de termijn voor de ondertoezichtstelling, alsmede verlenging van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zijn ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging. Gedurende de ondertoezichtstelling bleek dat van uithuisplaatsing noodzakelijk was om de bedreiging af te wenden. [de minderjarige] zelf gaf aan dat het steeds slechter met haar ging. Haar schoolprestaties werden minder en ze had sombere gevoelens. De moeder stond niet open voor opvoedingsondersteuning vanuit Rubicon. De gezinsvoogdes heeft elke 14 dagen gesprekken gevoerd met onder meer de moeder, haar partner en de minderjarige, waarbij vanaf maart 2011 op verzoek van de moeder ook een tolk aanwezig was. De moeder heeft stelselmatig de door de stichting aangeboden hulp geweigerd. Het is de gezinsvoogdes nog steeds niet duidelijk waarom de moeder dit weigert. Wel is duidelijk dat de moeder haar eigen aandeel in de conflictsituaties met haar dochter niet inziet. De situatie bij de moeder thuis is sinds de uithuisplaatsing niet gewijzigd.

Op dit moment gaat het goed met [de minderjarige]. Ze ervaart rust en ziet dat er een volwassene beschikbaar voor haar is. Ze komt nu tot een leeftijdsadequate sociaal-emotionele ontwikkeling en krijgt de gelegenheid om een leeftijdsgebonden autonomie te ontwikkelen. Aan [de minderjarige] worden leeftijdsadequate grenzen gesteld.

2.3. Namens de moeder is gesteld dat de stichting het ouderlijk gezag van de moeder niet erkent door de verhalen van [de minderjarige] en haar zus zonder meer voor waar aan te nemen. De moeder wordt afgeschilderd als labiele onbekwame en tegenwerkende moeder. Het enige dat de moeder wil is haar dochter(s) begrenzen, in die zin dat zij voor haar 16e jaar niet uit mag gaan en om 21.00 uur thuis moet zijn. De spanningen in het gezin komen voort uit deze begrenzingen. De moeder voelt zich niet serieus genomen, omdat de gezinsvoogdes niet eens middels een tolk met de moeder wenste te communiceren.

Daarbij worden de beschuldigingen tegen de moeder niet met voorbeelden gestaafd, waardoor het voor de moeder onmogelijk is zich te verdedigen. Zonder enige onderbouwing wordt door de gezinsvoogdes gesteld dat de moeder geen hulpverlening accepteert en dat de moeder zich onverantwoord gedraagt tegenover [de minderjarige]. Door de stichting wordt daarbij onvoldoende rekening gehouden met de culturele achtergrond van het gezin.

Ten onrechte wordt er aan voorbijgegaan dat de moeder haar eigen waarden en normen patroon heeft, dat cultureel bepaald is. De moeder heeft het recht haar kinderen volgens dat patroon op te voeden. De gezinsvoogdes gaat aan dat recht van de moeder voorbij en weigert rekening te houden met de culturele achtergrond van de moeder.

Ook heeft de moeder haar zorgen over het huidige pleeggezin waarin [de minderjarige] verblijft. [de minderjarige] mag tot laat uitgaan van de pleegmoeder, mag naar schoolfeesten, draagt kleding op feesten en bij het zwemmen die uitdagend is en krijgt (te) weinig grenzen opgelegd. Ondanks de ondertoezichtstelling blijken de doelen niet gehaald te zijn. De stichting heeft dan ook geen goed werk geleverd en het nut van voortzetting van de maatregelen wordt niet meer gezien door de moeder zolang [de minderjarige] bij haar huidige pleegmoeder verblijft. De moeder vindt dat er nu sprake is van een grotere ontwikkelingsbedreiging dan toen [de minderjarige] nog bij haar woonde.

2.4. De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij zich niet gehoord voelt door de stichting en dat zij het vertrouwen heeft verloren in de stichting, omdat zij [de minderjarige] gelooft terwijl [de minderjarige] al haar hele leven alleen maar liegt.

2.5. De kinderrechter overweegt allereerst dat hij te beoordelen heeft of er thans nog sprake is van een ontwikkelingsbedreiging en of de uithuisplaatsing nog in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is.

Ten aanzien van de ontwikkelingsbereiding stelt de kinderrechter dat deze er nog steeds is, hetgeen ook niet wordt betwist door de moeder. De kinderrechter stelt voorts vast dat de thuissituatie, alsmede de houding van de moeder ten opzichte van de hulpverlening onveranderd is. De stelling van moeders advocaat dat dit niet is onderbouwd door de stichting volgt de kinderrechter niet. De gezinsvoogd heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij het afgelopen jaar vele gesprekken heeft gevoerd, waarin de moeder diverse malen hulp is aangeboden in de vorm van opvoedingsondersteuning. De moeder heeft deze stelling op geen enkele wijze weersproken.

Dat de moeder het recht heeft de minderjarige op te voeden naar haar normen en waarden is in beginsel juist. Daarbij kan echter niet worden voorbijgegaan aan de ontwikkeling die de minderjarige in de Nederlandse samenleving doormaakt. De belangen van de minderjarige, welke onder andere zijn verankerd in artikel 3 IVRK, dienen daarbij te prevaleren. [de minderjarige] vraagt nadrukkelijk om zich binnen de Nederlandse samenleving net als haar leeftijdgenoten te mogen ontwikkelen. Daarbij horen voor een bijna 16 jarige tiener ook deelname aan schoolfeesten en het dragen van kleding die in Nederland door meiden van haar leeftijd op feesten of aan het strand gedragen wordt.

De beschuldiging van de moeder, dat [de minderjarige] stelselmatig liegt en bedriegt, is op geen enkele wijze onderbouwd en wordt ook nergens in de rapportage en het besprokene bevestigd. De kinderrechter vindt deze beschuldiging buitengewoon pijnlijk voor de minderjarige, nu de kinderrechter een kind ziet dat vecht voor haar erkenning, maar ook loyaliteit voelt naar de moeder en daarmee worstelt.

De minderjarige ervaart op dit moment de rust en structuur die zij nodig heeft en die de moeder op dit moment niet kan bieden in de thuissituatie.

2.6. Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling met één jaar dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

2.7. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing als verzocht in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is.

2.8. Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, conform de daarvoor geldende regeling.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. verlengt de termijn waarvoor de minderjarige voornoemd onder toezicht is gesteld van voormelde stichting, met één jaar, ingaande 15 november 2011;

3.2. verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij een pleegouder, tot 15 november 2012;

3.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is uitgesproken ter terechtzitting van 25 oktober 2011 door

mr. J.J.M. Wassenberg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en op schrift gesteld en ondertekend op 2 november 2011 door de kinderrechter voornoemd.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.