Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BU2028

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
106283 / HA ZA 11-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling en verrekening.

Partijen hebben in de loop der tijd meerdere woningen gekocht waarbij (latere) woningen gefinancierd werden door middel van de opbrengsten van de eerdere woning, hypothecaire geldlening en/of eigen vermogen. De woningen waren gemeenschappelijk eigendom met uitzondering van de huidige woning welke uitsluitend eigendom van de vrouw is.

Niet voor verrekening in aanmerking komende schenkingen en erfenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 106283 / HA ZA 11-63

Vonnis van 26 oktober 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.L. Brokking-van Alphen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Bisscheroux.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest. Het huwelijk is op

4 februari 2010 ontbonden door middel van inschrijving van de beschikking betreffende echtscheiding van 23 december 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

3. Het geschil

3.1. De man vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren samengevat - de verrekening en verdeling vast te stellen met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

3.2. De vrouw voert verweer tegen de wijze waarop volgens de man de verrekening en verdeling zou moeten plaats vinden.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven aan de in artikel zes van de huwelijkse voorwaarden opgenomen verplichting tot periodieke verrekening. Derhalve dient bij het einde van het huwelijk alsnog verrekening plaats te vinden op de voet van de regels neergelegd in de artikelen 1:141 en 1:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Partijen zijn het er verder over eens dat ingevolge het bepaalde in artikel zes, derde lid, van de huwelijkse voorwaarden als peildatum voor de verrekening uitgegaan dient te worden van juli 2009.

4.2. Woningen

4.2.1. Partijen hebben ongeveer een jaar na de datum van sluiten van het huwelijk een woning gekocht gelegen aan het adres [eerste woning] (eerste woning). De woning was gemeenschappelijk eigendom van beide partijen. Vervolgens hebben partijen de woning verkocht en een nieuwe woning gekocht gelegen aan de [tweede woning] (tweede woning). Deze woning was wederom gemeenschappelijk eigendom van partijen. Deze woning is in 2006 verkocht. Vervolgens is door partijen op een door de vrouw samen met haar broer uit de erfenis van haar ouders verkregen stuk grond nadat de daarop staande woning was gesloopt en de broer was uitgekocht een nieuwe woning gebouwd. Het onroerend goed is uitsluitend eigendom van de vrouw (derde woning).

De woningen zijn gefinancierd door middel van hypothecaire geldleningen en/of beschikbaar vermogen en/of netto opbrengsten uit eerdere woningen.

4.2.2. De vrouw heeft gesteld dat het voor de financiering van de woningen naast de hypothecaire geldleningen en netto opbrengsten uit verkoop van eerdere woningen benodigde vermogen alsmede de aflossing van de hypothecaire geldlening verbonden aan de eerste woning afkomstig was van door haar ontvangen erfenissen en giften van haar ouders, zodat dat vermogen niet voor verrekening in aanmerking komt. De man heeft (uiteindelijk) niet betwist dat de vrouw schenkingen en erfenissen heeft ontvangen. Wel heeft hij de hoogte daarvan alsmede het doel van de besteding betwist.

De rechtbank overweegt dat uit de bij de producties 4 en 9 bij conclusie van antwoord en productie 12 bij de conclusie van dupliek door de vrouw overgelegde aangiften van schenking en rekeningafschriften blijkt dat de vrouw bedragen aan schenkingen en erfenissen heeft ontvangen waarvan de totale hoogte uitstijgt boven de hoogte van de in het kader van de financiering van de woningen gefourneerde bedragen. Weliswaar blijkt uit die producties slechts van een bedrag aan schenkingen van 53.000 gulden ten tijde van de aankoop van de eerste woning in 1982 in plaats van de gefourneerde 67.500 gulden en blijkt uit de producties niet het doel van de besteding, echter de vrouw heeft in de conclusie van antwoord aangegeven dat zij niet in staat is om haar stellingen op dit punt volledig te onderbouwen omdat de man de betreffende bankafschriften heeft vernietigd. De man heeft dit bij conclusie van repliek niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan.

Verder overweegt de rechtbank dat de man niet heeft aangegeven waarvan de voor de financiering ontbrekende bedragen volgens hem dan zouden zijn voldaan indien de door de vrouw ontvangen schenkingen en erfenissen daarvoor niet zouden zijn aangewend. De man heeft nog wel aangevoerd dat de aflossing van de aan de eerste woning verbonden hypothecaire geldlening van 67.500 gulden door middel van een annuïteitenhypotheek zou hebben plaats gevonden. De man is op dit punt echter niet consequent in zijn stellingen. Immers de stelling van de man dat aflossing van de hypothecaire geldlening heeft plaats gevonden door middel van een annuïteiten hypotheek is niet te rijmen met zijn stelling dat de netto opbrengst van de eerste woning 113.000 gulden bedroeg bij een verkoopprijs van 180.000 gulden. De rechtbank zal dan ook aan de overigens ook niet onderbouwde stelling voorbij gaan.

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank het aannemelijk - mede gezien de omvang van de voor de financiering ontbrekende bedragen en de omvang van de door de vrouw ontvangen giften en erfenissen - dat die bedragen ter beschikking zijn gesteld vanuit de door de vrouw ontvangen schenkingen en erfenissen. Derhalve heeft de vrouw het vermoeden van artikel 1:141, derde lid BW voldoende ontzenuwd. De rechtbank zal er dan ook vanuit gaan dat de betreffende voor de financiering ontbrekende bedragen alsmede de aflossing van de hypothecaire geldlening van het eerste huis ten bedrage van 67.500 gulden door middel van door de vrouw ontvangen giften en erfenissen zijn voldaan. Ingevolge artikel 1:133 BW heeft de verrekening geen betrekking op vermogen dat krachtens erfopvolging, making of gift wordt verkregen. De rechtbank zal de betreffende ter financiering aangewende bedragen dan ook buiten de verrekening houden.

4.3. Eerste woning

4.3.1. De woning is in 1982 aangekocht voor 135.000 gulden. Een bedrag van 67.500 gulden is door middel van een hypothecaire geldlening gefinancierd. De vrouw stelt dat het resterend benodigde bedrag van 67.500 gulden door haar ter beschikking is gesteld uit door haar van haar ouders ontvangen gelden. De man is in de tekstuele verwoording van zijn standpunt ter zake niet heel duidelijk. Daar waar hij het voldoen door de vrouw van een bedrag van 67.500 gulden betwist legt de man een relatie met (het bedrag van) de hypothecaire geldlening, zodat de rechtbank de stellingen van de man zo begrijpt dat de man de door de vrouw gestelde bijdragen betwist voor zover het de aflossing van de hypothecaire geldlening betreft. Uit de door de man overgelegde berekening, productie 1 bij de conclusie van repliek, concludeert de rechtbank dat de man wel erkent dat een bedrag van 67.500 bij aankoop door de vrouw ter beschikking is gesteld. Overigens zou in het geval de man bedoeld heeft om ook die stelling te betwisten de rechtbank er onder verwijzing naar hetgeen onder 4.2.2. is overwogen vanuit gaan dat het betreffende bedrag van niet voor verrekening in aanmerking komend vermogen van de vrouw afkomstig is.

4.3.2. Verder staat tussen partijen vast dat de woning is verkocht voor 180.000 gulden. De vrouw heeft gesteld dat de woning op dat moment vrij van hypotheek was. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar productie 1B bij de conclusie van antwoord. Daarin is een brief van de man aan notarissen Hecke & Houben opgenomen waarin staat aangegeven dat de woning niet met hypotheek is bezwaard. Tevens is in die productie een afrekening van notarissen Hecke & Houben opgenomen waaruit blijkt dat de woning voor 180.000 gulden is verkocht alsmede dat geen aftrek in verband met nog resterende hypotheekschuld heeft plaats gevonden alsmede dat de opbrengst minus 4.179,19 ter zake van kosten 175.890,38 bedroeg. De rechtbank zal er derhalve vanuit gaan dat de hypothecaire geldlening van 67.500 gulden op dat moment geheel was afgelost.

Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.2.2. is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat de aflossing van de hypothecaire geldlening ten bedrage van 67.500 gulden heeft plaats gevonden door middel van niet voor verrekening in aanmerking komend vermogen van de vrouw. Met betrekking tot de eerste woning is verrekening dan ook niet aan de orde.

4.3.3. Aangezien de woning gemeenschappelijk eigendom betrof dient wel verdeling plaats te vinden. Partijen hebben ingevolge 3:166 BW ieder recht op de helft van het bedrag dat resteert na aftrek van bedragen ter zake van rechten op nominale vergoeding.

De vrouw heeft recht op nominale vergoeding van het door haar gefourneerde bedrag van totaal 135.000 gulden. De helft van het resterende bedrag bedraagt 20.445,19 gulden (de helft van 175.890,38 minus 135.000). Derhalve kwam van de opbrengst van 175.890,38 gulden aan de vrouw een bedrag van 155.445,19 gulden, zijnde EUR 70.537,95, en aan de man een bedrag van 20.445,19 gulden, zijnde EUR 9.277,62 toe.

4.4. Tweede woning

4.4.1. Vervolgens is de tweede woning gekocht. De woning was gemeenschappelijk eigendom van partijen. De koopprijs bedroeg 325.000 gulden. De woning is gefinancierd door middel van de opbrengst van de eerste woning en een hypothecaire geldlening van oorspronkelijk 100.000 gulden. Het resterende bedrag van 49.109,62 gulden (325.000 minus 175.890,38 minus 100.000) werd uit eigen middelen voldaan. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.2.2. is overwogen zal de rechtbank ervan uitgaan dat het bedrag van 49.109,62 gulden, zijnde EUR 22.285,00, afkomstig is van niet voor verrekening in aanmerking komend vermogen van de vrouw.

4.4.2. Tussen partijen is nog in geschil of de hypothecaire geldlening in verband met een verbouwing uiteindelijk is verhoogd naar 135.000 gulden (de vrouw) dan wel 160.000 gulden (de man). De rechtbank overweegt dat de vrouw een bedrag van 35.000 gulden aan verbouwingskosten heeft onderbouwd met productie 2 van de conclusie van antwoord. De man heeft erkend (sub 11 conclusie van repliek) dat uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de verbouwingskosten 35.000 gulden bedroegen. Vervolgens geeft de man aan dat hij dan ook uitgaat van een totale hypothecaire geldlening van 160.000 gulden. De rechtbank kan de man in die gedachtegang niet volgen.

Verder overweegt de rechtbank dat de door de vrouw gestelde hoogte van de hypothecaire geldlening in overeenstemming is met de tussen partijen vaststaande oorspronkelijke hoogte van de lening van 100.000 gulden en de verbouwingskosten van 35.000 gulden. Tevens zou er in de versie van de man sprake zijn geweest van een door de man niet verklaarde overfinanciering. De man heeft zijn stelling dat de hypothecaire geldlening desalniettemin 160.000 gulden zou zijn ook niet onderbouwd. Op grond van vorenstaande zal de rechtbank aan die stelling dan ook voorbij gaan en uitgaan van een hypothecaire geldlening van 135.000 gulden, zijnde EUR 61.260,33.

4.4.3. Tussen partijen staat vast dat de woning is verkocht voor EUR 324.500 en het toen nog resterende bedrag van de hypothecaire geldlening uit deze opbrengst is afgelost. De netto opbrengst bedroeg volgens de man EUR 252.000. De vrouw heeft wisselend de bedragen EUR 250.000 en EUR 252.000,00 genoemd. De rechtbank overweegt dat de man het door hem gestelde bedrag niet heeft onderbouwd. De vrouw heeft verwezen naar het schrijven van Van Hecke & Houben notarissen van 19 oktober 2010 (productie 1B bij de conclusie van antwoord). Daaruit blijkt dat de netto opbrengst EUR 250.000 bedroeg. Tevens sluit een opbrengst van EUR 250.000, zoals hierna zal blijken, naadloos aan bij het financieringsplaatje met betrekking tot de derde woning. De rechtbank zal dan ook van een netto opbrengst van EUR 250.000 uitgaan.

4.4.4. Verder overweegt de rechtbank dat uitgaande van een netto opbrengst van

EUR 250.000,00 geconcludeerd moet worden dat tot aan het moment van verkoop niet op de hypothecaire geldlening is afgelost. Dit betekent dat verrekening met betrekking tot de tweede woning niet aan de orde is. Overigens zou in het geval dat verrekening wel aan de orde zou zijn dat niet tot een andere uitkomst leiden ten aanzien van de uit de netto opbrengst aan partijen afzonderlijk toekomende bedragen. Immers, aangezien de tweede woning gemeenschappelijke eigendom betrof, zal de verrekening erop neerkomen dat ieder aanspraak kan maken op de helft van het te verrekenen bedrag omdat voor beide echtgenoten over en weer een verrekeningsvordering van gelijke omvang ontstaat. Vervolgens dient het restant van de verkoopopbrengst na aftrek van voor nominale vergoeding in aanmerking komende bedragen en het te verrekenen bedrag tussen partijen verdeeld te worden waarbij ieder ingevolge 3:166 BW recht heeft op een gelijk deel daarvan. Partijen hebben dus zowel in het kader van de verrekening als van de verdeling ieder recht op hetzelfde bedrag. Feitelijk zou verrekening en verdeling met betrekking tot de tweede woning er dus op neerkomen dat ieder aanspraak kan maken op de helft van de opbrengst minus de bedragen waarvan nominale vergoeding plaats vindt.

In verband met de inbreng van de netto opbrengst van de verkoop van de eerste woning heeft de vrouw recht op nominale vergoeding van een bedrag van EUR 70.537,95 en de man op een bedrag van EUR 9.277,62. Vervolgens heeft ieder nog recht op de helft van EUR 170.184,40 (EUR 250.000 minus EUR 70.537,95 minus EUR 9.277,62) = EUR 85.092,20. De vrouw kon dus totaal aanspraak maken op EUR 155.630,15 en de man op

EUR 94.369,82.

4.5. Derde woning

4.5.1. De woning gelegen aan de [derde woning] werd gebouwd op grond toebehorende aan de overleden ouders van de vrouw. De vrouw en haar broer verkregen deze uit de nalatenschap van hun ouders. De totale waarde van de grond en de daarop staande woning bedroeg EUR 195.000. De broer werd uitgekocht door betaling aan hem van een bedrag van EUR 97.500,00. De betreffende woning werd afgebroken en een nieuw huis werd gebouwd. In het betreffende onroerende goed is totaal een bedrag van

EUR 627.500,00 geïnvesteerd inclusief het aan de broer betaalde bedrag van EUR 97.500,00. De netto opbrengst van de tweede woning ten bedrage van EUR 250.000,00 is aangewend ter financiering van dit onroerend goed. Verder hebben partijen een hypothecaire lening afgesloten van EUR 280.000,00. Het totale onroerend goed stond uitsluitend op naam van de vrouw. De man heeft gesteld dat het onroerend goed op naam van de vrouw is gezet in verband met het vermijden van overdrachtsbelasting en dat partijen de afspraak hadden om een en ander op een later tijdstip recht te zetten. Nog daargelaten dat de man niet aangeeft wat het ‘recht zetten’ dan zou inhouden overweegt de rechtbank dat de man zijn door de vrouw weersproken stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij zal gaan. Aangezien het onroerend goed uitsluitend eigendom van de vrouw betreft is verdeling niet aan de orde.

4.5.2. Verder begrijpt de rechtbank uit de stellingen van de man onder 12 van de dagvaarding en van de vrouw op pagina 7 van de conclusie van antwoord en pagina 8 van de conclusie van dupliek dat het bedrag van de hypothecaire geldlening nog steeds

EUR 280.000,00 bedraagt, zodat op de hypotheek niet is afgelost. Derhalve is ook verrekening niet aan de orde. Weliswaar is er sprake van een aan de hypothecaire lening verbonden spaarzekerverzekering Interpolis onder polisnummer 4029682, echter partijen zijn het erover eens dat de waarde van die polis per peildatum juli 2009 van EUR 21.772,54 bij helfte wordt gedeeld, zodat de waarde van die polis niet ook weer kan worden meegenomen in een eventuele verrekening met betrekking tot de woning. Aangezien ter zake van de woning verrekening en verdeling niet aan de orde zijn zal de rechtbank bij gebrek aan relevantie niet meer ingaan op het geschil tussen partijen ter zake van de waarde van de woning en de in dat verband te hanteren peildatum alsmede de bij de waarde te betrekken waardeaandelen (zoals de grond).

4.5.3. Concluderend zijn in verband met de derde woning verdeling en verrekening niet aan de orde. De man heeft in verband met het aanwenden van de netto opbrengst van de tweede woning ten behoeve van de financiering van de derde woning recht op nominale vergoeding van het door hem op die wijze ingebrachte bedrag van EUR 94.369,82. De rechtbank zal de vrouw veroordelen om dat bedrag aan de man te betalen.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de hypothecaire geldlening voor haar rekening neemt. Tevens dient de vrouw er, voor zover mogelijk, zorg voor te dragen dat de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening wordt ontslagen.

4.6. Spaarzekerverzekering Interpolis

4.6.1. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de polis nummer 4029682 per peildatum juli 2009 van EUR 21.772,54 bij helfte wordt gedeeld. Aangezien de verzekering is verbonden aan de hypothecaire geldlening zal de rechtbank verzekering toedelen aan de vrouw en de vrouw veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van EUR 10.886,27.

4.7. Bankrekeningen

4.7.1. Partijen zijn het erover eens dat ieder de eigen rekeningen behoudt. De rechtbank merkt op dat de man onder andere rekeningnummer 11.96.01.389 als door de vrouw te behouden rekening op naam van de vrouw heeft genoemd. Dit betreft echter een rekening op beider naam. Aangezien de vrouw akkoord is gegaan met het voorstel van de man zal de rechtbank de stellingen van partijen zo begrijpen dat deze rekening aan de vrouw wordt toebedeeld.

De man heeft nog een gezamenlijke rekening 31.02.1271 genoemd. De vrouw heeft echter aangegeven dat die rekening niet meer bestaat. De man heeft dit bij conclusie van repliek niet betwist, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat die rekening niet meer bestaat.

4.7.2. Verder zijn partijen het erover eens dat de man in verband met de bankrekeningen nog aanspraak kan maken op een bedrag van EUR 750,00. De vrouw heeft echter aangegeven dat dit zou moeten worden verrekend met opnames ten bedrage van totaal

EUR 5.352,29 die door de man van rekening 14.41.29.030 zouden zijn gedaan. De man heeft de opnames betwist. De rechtbank overweegt dat de vrouw heeft volstaan met een blote stelling, zodat de rechtbank aan de niet onderbouwde stelling voorbij zal gaan. Derhalve zijn opnames door de man niet komen vast te staan.

Verder zijn partijen het erover eens dat een bedrag aan rente in verband met de groenbeleggingsrekening van de vrouw van EUR 1250,00 bij helft gedeeld wordt.

De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot betaling aan de man van EUR 1.375,00 (EUR 750,00 + EUR 625,00).

4.8. Uitgaven

4.8.1. De man heeft nog betaling door de vrouw gevorderd van de helft van een bedrag van EUR 11.056,07 in verband met door hem na zijn vertrek uit de woning gedane uitgaven (productie 9b bij dagvaarding). De rechtbank overweegt het volgende:

a) Seat en Saab: de Seat is in gebruik bij de vrouw en de Saab is in gebruik bij de man. De rechtbank acht het redelijk dat ieder de kosten in verband met de bij hem of haar in gebruik zijnde auto voor zijn of haar rekening neemt. De rechtbank constateert dat in genoemde productie met betrekking tot een gedeelte van die kosten één totaalbedrag namelijk EUR 1.476,42 is opgenomen. Uit de achterliggende bankafschriften blijkt echter dat de kosten voor de Seat ongeveer de helft bedragen van de kosten voor de Saab. Derhalve zal de rechtbank ervan uitgaan dat 1/3 van het bedrag van EUR 1476,42 is terug te voeren op de Seat en 2/3 op de Saab. Derhalve dient de vrouw EUR 492,14 voor haar rekening te nemen.

Daarnaast is er sprake van motorrijtuigenbelasting met betrekking tot de Seat van

EUR 230,00. De vrouw heeft haar stelling dat de kosten door haar zouden zijn voldaan op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank zal aan die stelling dan ook voorbijgaan. De man heeft de door hem gestelde betalingen onderbouwd door middel van bankafschriften (productie 9b bij conclusie van repliek).

Het bedrag van de lening ter zake van de Saab zal hierna bij de verdeling van de auto’s door middel van verdiscontering in de waarde worden betrokken, zodat deze post niet apart voor vergoeding in aanmerking komt.

De rechtbank zal de vrouw dan ook veroordelen tot betaling van een bedrag van

EUR 722,14 (EUR 492,14 plus EUR 230,00) aan de man.

b) Partijen zijn het erover eens dat de man nog aanspraak heeft op betaling door de vrouw van de helft van EUR 634,60 (telefoonkosten), EUR 324,00 (energiekosten) en

EUR 64,20 (internet en kabel-tv), zijnde EUR 511,40 (EUR 1.022,80 : 2). De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot betaling van het bedrag van EUR 511,40 aan de man.

c. Partijen zijn het er verder over eens dat de vrouw de kosten ten bedrage van

EUR 310,36 (lidmaatschap diëtistenvereniging), EUR 189,92 (waterleiding), EUR 906,90 (gemeentelijke belastingen) en EUR 1.205,67 (opstal- en inboedelverzekering) voor haar rekening dient te nemen. De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot betaling van

EUR 2.612,85 aan de man.

d. De man heeft nog betaling door de vrouw gevorderd van de helft van EUR 1.750,00 ter zake van aanvullingen negatief saldo. De vrouw heeft haar aansprakelijkheid met betrekking tot deze aanvullingen niet betwist. Wel heeft zij aangegeven dat de aanvullingen haar niet bekend zijn. De rechtbank overweegt dat de man de aanvullingen heeft onderbouwd door middel van bankafschriften (productie 9b bij conclusie van repliek). De rechtbank zal de vrouw dan ook veroordelen tot betaling van EUR 875,00 (EUR 1.750 : 2) aan de man.

4.8.2. Concluderend dient de vrouw aan de man EUR 4.721,39 te betalen.

4.9. Stortingen

4.9.1. De man vordert nog een bedrag van EUR 2.002,00 ter zake van door hem over de periode 1 maart 2009 tot en met december 2010 gedane stortingen ter voldoening van de premie van de aan de hypothecaire geldlening verbonden verzekeringspremie en van de aan de hypothecaire geldlening verbonden rente. De man heeft de stortingen onderbouwd door middel van de producties 5a tot en met b en 8 a tot en met b bij de conclusie van repliek. De vrouw heeft de aanspraak van de man op genoemd bedrag erkend. Zij heeft echter gesteld dat dit bedrag verrekend dient te worden met opnames ten bedrage van totaal EUR 5.352,29 die door de man van rekening 14.41.29.030 zouden zijn gedaan. De man heeft de opnames betwist. Zoals de rechtbank onder 4.7.2. heeft overwogen heeft de vrouw ter zake volstaan met een blote stelling, zodat de rechtbank aan de niet onderbouwde stelling voorbij zal gaan. Derhalve zijn opnames door de man niet komen vast te staan.

De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot betaling aan de man van EUR 2.002,00.

4.10. Saab en Seat.

4.10.1. Niet in geschil is dat de Seat aan de vrouw en de Saab aan de man kan worden toebedeeld. Verder bestaat er overeenstemming over de waarde van de Seat van

EUR 4.900,00 en de waarde van de Saab van EUR 12.900,00 alsmede dat in het kader van de verrekening van de waarde van de Saab nog het bedrag van de lening moet worden afgetrokken. Volgens de man bedraagt de lening nog EUR 3.575,00 en volgens de vrouw EUR 3.011,09. Zowel de man als de vrouw hebben nagelaten de door hen gestelde bedragen te onderbouwen. De rechtbank zal voor het bedrag van de lening dan ook uitgaan van

EUR 3.293,00 (de helft van EUR 3.575,00 plus EUR 3.011,09). De toedeling komt dan ook neer op een overbedeling van de man tot een bedrag van EUR 4.707,00. De man dient de helft van dat bedrag, zijnde EUR 2.353,50, aan de vrouw te betalen.

4.11. Inboedel

4.11.1. Partijen zijn het eens over toedeling van de goederen aan de man en de vrouw zoals aangegeven in de lijst opgenomen als productie 6 bij de dagvaarding met uitzondering van het tuingereedschap, de linkshandige snoeischaar, de elektrische grasmaaier en gereedschappen. Daarenboven hebben partijen overeenstemming over toedeling aan de man van de modelspoorlijn en de in zijn bezit zijnde 3 gitaren en gitaar effectpaneel. De rechtbank zal de goederen overeenkomstig de overeenstemming van partijen toedelen. Met betrekking tot de overblijvende niet toegedeelde goederen, met uitzondering van de goederen op de lijst voorkomende als toekomende aan [de zoon], zal de rechtbank bepalen dat partijen tot verdeling van die goederen dienen over te gaan door middel van het om beurten uitkiezen van een goed.

4.11.2. De man heeft naar aanleiding van de door hem als productie 6 bij dagvaarding overgelegde lijst nog gesteld dat er aan de zijde van de vrouw sprake is van overbedeling ten bedrage van EUR 7.300,00. De vrouw heeft de door de man gestelde overbedeling gemotiveerd betwist door middel van het leggen van een relatie tussen het oorspronkelijke aankoopbedrag van een aantal met name genoemde goederen en de ouderdom van die goederen. De man heeft vervolgens ter onderbouwing verwezen naar advertenties op marktplaats (productie 2 bij conclusie van repliek). De rechtbank constateert dat die advertenties een vage indicatie geven omtrent de ouderdom van de daarin genoemde goederen. Merendeels wordt in die advertenties gesproken over ‘zo goed als nieuw’ of ‘nieuw’ of ‘recent uitgevoerd’. De daarin opgenomen bedragen kunnen dan ook niet zonder meer worden doorvertaald naar de aan de vrouw toe te delen goederen. Tevens heeft de man de door de vrouw gestelde ouderdom van de goederen en de hoogte van het aankoopbedrag niet betwist. Daarenboven komt uit de stukken naar voren dat de man de beschikking heeft over 3 gitaren en een gitaar effect paneel welke volgens partijen aan de man kunnen worden toebedeeld en welke nog niet in genoemde lijst zijn opgenomen. Verder zijn partijen het erover eens dat de modelspoorlijn aan de man kan worden toebedeeld, welke eveneens nog niet op genoemde lijst voorkomt. Op grond van bovenstaande zal de rechtbank de overbedeling op nihil stellen.

4.12. Rente

4.12.1. Ten aanzien van de door de man gevorderde wettelijke rente over het door hem van de vrouw ter zake van verrekening te ontvangen bedrag overweegt de rechtbank dat er geen sprake is van een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de debiteur in verzuim is (artikel 6:119 lid 1 BW) zolang niet is vastgesteld welk bedrag de vrouw in het kader van de verrekening aan de man dient te betalen. Gezien de omvang van het door de vrouw aan de man te betalen bedrag acht de rechtbank een termijn van 60 dagen redelijk. De rechtbank zal de wettelijke rente dan ook toewijzen vanaf 60 dagen na datum van dit vonnis.

4.13. proceskosten

Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt de vrouw ter zake van het onroerend goed gelegen aan de [derde woning] tot betaling aan de man van een bedrag van EUR 94.369,82,

5.2. bepaalt dat de vrouw de aan de onder 5.1. genoemde woning verbonden hypothecaire geldlening voor haar rekening neemt,

5.3. bepaalt dat de vrouw er, voor zover mogelijk, zorg voor dient te dragen dat de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de onder 5.2. genoemde hypothecaire geldlening wordt ontslagen,

5.4. deelt de Spaarverzekering Interpolis 4029682 toe aan de vrouw,

5.5. veroordeelt de vrouw ter zake van de onder 5.4. genoemde polis tot betaling aan de man van EUR 10.886,27,

5.6. deelt toe aan de vrouw de bankrekening nummer 119601389,

5.7. veroordeelt de vrouw ter zake van de bankrekeningen tot betaling aan de man van EUR 1.375,00,

5.8. veroordeelt de vrouw ter zake van door de man voldane kosten tot betaling aan de man van EUR 4.721,39,

5.9. veroordeelt de vrouw ter zake van door de man voldane met de hypothecaire geldlening samenhangende lasten over de periode maart 2009 tot en met december 2010 tot betaling aan de man van EUR 2002,00,

5.10. deelt de Seat toe aan de vrouw,

5.11. deelt de Saab toe aan de man,

5.12. veroordeelt de man ter zake van de Seat tot betaling aan de vrouw van

EUR 2.353,50,

5.13. bepaalt dat alle hiervoorgenoemde betalingen binnen 60 dagen na datum van dit vonnis dienen plaats te vinden,

5.14. deelt aan de man toe de goederen die op de lijst productie 6 bij de dagvaarding als aan hem toe te delen zijn genoemd met uitzondering van het tuingereedschap, de linkshandige snoeischaar, de elektrische grasmaaier en gereedschappen.

5.15. deelt aan de man toe de modelspoorlijn en de in zijn bezit zijnde 3 gitaren en het gitaar effectpaneel,

5.16. deelt aan de vrouw toe de goederen die op de lijst productie 6 bij de dagvaarding als aan haar toe te delen zijn genoemd,

5.17. bepaalt dat de verdeling van de overige na toedeling conform het onder 5.13. tot en met 5.15. bepaalde resterende goederen, met uitzondering van de op de lijst productie 6 bij dagvaarding als aan [de zoon] toekomende genoemde goederen, plaats vindt door middel van het door partijen om beurten kiezen van een goed,

5.18. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.19. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.20. wijst af het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.?