Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BT6263

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
03-10-2011
Zaaknummer
04/801055-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Bewijsoverweging overval recreatiepark gestoeld op enerzijds DNA-match van verdachte met touw waarmee slachtoffer is gekneveld en eigen waarneming rechtbank van door slachtoffer gegeven beschrijving ten aanzien van de specifieke kleur van het bij de overval gebruikte pistool, en anderzijds wisselende en oncontroleerbare verklaringen van verdachte hieromtrent.

- Geen vrijwillige terugtred ex artikel 46b Wetboek van Strafrecht; de door verdachte pas geruime tijd na het politieverhoor te berde gebrachte inkeer, indachtig zijn vriendin en hun gezamenlijke toekomst, acht de rechtbank ongeloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/801055-11

Datum uitspraak: 30 september 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [adres] op [datum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [pi]

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 16 september 2011.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 08 januari 2010 te Oostrum, in elk geval in de gemeente Venray, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of drie, in elk geval een of meerdere tassen met inhoud en/of een (portable) computer en/of een portefeuille met inhoud en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft/hebben gedrukt althans gehouden en/of (daarbij) tegen [slachtoffer 1] op dreigende toon heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, geld, liggen. Op de rug liggen." en/of "Niet kijken. Waar is geld." en/of "Armen zien, waar is geld, waar geld." en/of "Niet kijken, niet kijken." en/of "Geen gekke dingen doen, dan gebeurt er niets met jou." en/of "Kluis, kluis, waar is kluis." en/of "Opstaan, opstaan, open maken." en/of "Open, open maken, open maken." en/of "Als je geen gekke dingen doet, gebeurt er niets." en/of (vervolgens) de handen van [slachtoffer 1] met een touw heeft/hebben vastgebonden;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 30 december 2010 in de gemeente Deurne met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 30 december 2010 in de gemeente Deurne ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] weg te nemen wat van zijn gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met dat oogmerk een kozijndeur en/of een raamkozijn aan de voorzijde van die woning en/of een ruit en kozijn aan de achterzijde van die woning heeft geforceerd, althans vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 311 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 30 december 2010 in de gemeente Deurne opzettelijk en wederrechtelijk een kozijndeur en/of een raamkozijn aan de voorzijde van een woning gelegen aan [adres] en/of een ruit en kozijn aan de achterzijde van een woning gelegen aan [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 03 augustus 2009 tot en met 04 augustus 2009 in de gemeente Venray met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een televisie (flatscreen) en/of een playstation en/of een notebook en/of een spaarpot met inhoud en/of een aansteker, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 02 augustus 2006 tot en met 03 augustus 2006 in de gemeente Venray met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2005 tot en met 01 januari 2006 in de gemeente Venray, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een laptop, sieraden en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

6.

hij in of omstreeks de periode van 04 januari 2006 tot en met 05 januari 2006 in de gemeente Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen (een) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

7.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2005 tot en met 02 december 2005 in de gemeente Venray met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan [adres] heeft weggenomen een laptop, een of meerdere bankpas(sen), een hoeveelheid geld en/of een computer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 september 2011 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 primair en het onder 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het onder 1, 2 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten sub 1, 2 primair en 3, wegens – kort gezegd – onvoldoende bewijs. Ten aanzien van het feit sub 2 subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is geweest van een vrijwillige terugtred ex artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht en verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 3 is ten laste gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het enkele aantreffen van een kersenpit, waarop het DNA van verdachte is aangetroffen, onvoldoende is voor het bewijs. De verdachte moet van dit ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een voltooide inbraak.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.

De hierna vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1:

[slachtoffer 1] doet aangifte van een gewapende overval te[adres] te Oostrum op 8 januari 2010. Hij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Tussen 8 januari 2010 11.30 uur en 8 januari 2010 11.45 uur werd te Oostrum een gewapende overval gepleegd. Ik heb een vuurwapen tegen het hoofd gekregen, moest op de grond gaan liggen en ben vastgebonden geweest. Ik ben echt geschrokken en heel erg bang geweest. Ik voelde me erg bedreigd door het vuurwapen. De daders wilden geld hebben. Ik zei dat ik alleen wat geld in de kassa had. Ik ben echt bang geweest dat ze mij door mijn hoofd zouden schieten. Ik was op 8 januari 2010 werkzaam op de receptie van het recreatiepark [naam] te Oostrum, waarvan ik eigenaar ben. Omstreeks 11.30 uur zat ik achter de balie en zag twee personen buiten, voor de receptie. Op het moment dat deze personen binnen kwamen merkte ik direct dat het foute boel was. Ik zag dat het gezicht van deze personen helemaal bedekt was, op de ogen na. Ik zag dat een van de personen een vuurwapen trok. Deze twee personen kwamen direct in mijn richting; ze stonden binnen enkele seconden bij mij achter de receptie. Het vuurwapen werd op mij gericht, zo kwamen ze ook in mijn richting gelopen. Het vuurwapen was lichtkleurig. Ik heb zelf het idee dat het een beetje koperkleurig was, maar hier ben ik niet zeker van. Het vuurwapen was een pistool. Tevens hoorde ik dat er tegen mij geroepen werd: “geld, geld, geld, liggen. Op de rug liggen”. Het viel me op dat er Nederlands gesproken werd, met voor mijn gevoel een Turks/Marokkaans accent, in ieder geval een accent dat op straat veel gebruikt wordt. Ik ben op mijn buik gaan liggen. Ik hoorde dat ze tegen me riepen: “Niet kijken. Waar is geld”. Op het moment dat ik daar lag, voelde ik dat er iets tegen mijn hoofd werd gedrukt. Ik ging er vanuit dat dit het vuurwapen was en ik was bang. Ik hoorde toen: “armen zien, waar is geld, waar geld”. Ik zei toen tegen hun: “kassa, in de kassa”. Ik hoorde dat ze aan enkele lades begonnen te trekken. Ik hoorde dat er iemand tegen mij zei: “niet kijken, niet kijken”. Ik zei toen nog een keer “kassa” en wees hierbij in de richting van de kassa. Eén van beiden zei tegen mij: “Geen gekke dingen doen, dan gebeurt er niets met jou”. Ik hoorde ook nog dat een van beiden tegen mij zei: “kluis, kluis, waar is kluis”. Hierop wees ik in de richting van de kluis, die in het kantoorgedeelte van de receptie staat. Op een gegeven moment zei één van hen: “opstaan, opstaan, open maken”. Ik ben toen opgestaan en merkte dat ik de kassa open moest maken. Door alle stress kreeg ik de kassa niet open. De persoon die bij me stond bleef maar roepen: “open, open maken, open maken”. Uiteindelijk kreeg ik de kassa open. Nadat ik de kassa had geopend moest ik weer op de grond gaan liggen. Ik zag dat die persoon het geld uit de kassa in een zak schudde. Ik hoorde dat de andere persoon nog op het kantoor was en lades aan het open trekken was. Ik hoorde dat die persoon riep: “Bind hem vast”. Verder werd er nog een keer gezegd: “Als je geen gekke dingen doet, gebeurt er niets”. De jongen die bij me stond heeft me vervolgens vastgebonden. Ik moest de handen op mijn rug doen. Die jongen bond me vast met een touwtje. Dit is een touwtje geweest, dat hij zelf bij zich had. Het was in ieder geval geen touwtje dat in het kantoor lag. Het touwtje moet er nu nog liggen. Op het moment dat beide personen in de receptie binnen kwamen hadden ze al handschoenen aan. Van mijn vrouw heb ik gehoord dat er een aantal dingen weg zijn; dit betreft:

- geld uit de kassa, dit zal ongeveer € 500,-- zijn geweest;

- de tas van een personeelslid, [naam]; zij doet hier zelf aangifte van;

- groene tas van kunststof met daarin brood en fruit;

- laptop met laptoptas;

- mijn portefeuille, met daarin geld en veel pasjes;

- zwart, leren handtasje met inhoud.”

Bij het hiervoor vermelde proces-verbaal bevindt zich een lijst “bijlage goederen”, waarop onder meer voormelde goederen zijn genoemd. Hierop is tevens vermeld als gestolen goed: een fotocamera, merk HP, eigendom van [slachtoffer 1].

[slachtoffer 2] doet aangifte van diefstal van haar tas. Zij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op 8 januari 2010 ben ik naar mijn werk, camping “[naam]” te Oostrum gegaan. Om ongeveer 07.45 uur heb ik mijn tas in het kantoor van [naam], de eigenaar van de camping, neergelegd. Later hoorde ik dat [naam] was overvallen en dat ook mijn tas was meegenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.”

Bij het hiervoor vermelde proces-verbaal bevindt zich een lijst “bijlage goederen”, waarop onder meer is vermeld als gestolen goed: een bankpas, op naam van [naam], eigendom van [slachtoffer 2].

Op 8 januari 2010 heeft sporenonderzoek in het kantoor met receptie van het vakantiepark aan de [adres] te Oostrum plaatsgevonden. De verbalisant trof op de balie van de receptie een stuk vlastouw aan, dat hij heeft veiliggesteld ten behoeve van DNA-onderzoek (spoornummer AAAE4260NL).

In het dossier bevindt zich een rapport “Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Oostrum op 8 januari 2010” d.d. 16 juni 2010. Dit rapport vermeldt onder meer het navolgende. Onderzoek naar biologische sporen: vlastouw AAAE4260NL. Het vlastouw bestaat uit een lus en twee uiteinden. De twee uiteinden zijn gezamenlijk bemonsterd en de lus is bemonsterd. Op deze plaatsen kunnen zich biologische contactsporen bevinden van diegene(n) die het vlastouw heeft/hebben gehanteerd. De bemonsteringen zijn als [AAAE4260NL]#01 (uiteinden) en [AAAE4260NL]#02 (lus) veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De bemonsteringen [AAAE4260NL]#01 en #02 van het vlastouw en het referentiemonster wangslijmvlies van [slachtoffer 1] [RAAL5640NL] zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek. Van het DNA in de bemonsteringen AAAE4260NL]#01 en #02 van het vlastouw en het referentiemonster wangslijmvlies van [slachtoffer 1] [RAAL5640NL] zijn DNA-(meng)profielen verkregen die met elkaar zijn vergeleken. Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Het DNA-profiel van [slachtoffer1] matcht met deze twee DNA-mengprofielen. Dit betekent dat [slachtoffer1] één van de celdonoren van het celmateriaal in de bemonsteringen [AAAE4260NL]#01 en #02 kan zijn en dat daarnaast deze bemonsteringen celmateriaal van minimaal één onbekende persoon bevatten. Onder de aanname dat het slachtoffer [slachtoffer 1] daadwerkelijk één van de celdonoren van het celmateriaal in de bemonstering [AAAE4260NL]#01 is, zijn DNA-kenmerken afgeleid van de onbekende man A. Deze afgeleide DNA-kenmerken zijn op 14 juni 2010 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en worden sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. De afgeleide DNA-kenmerken matchen met de DNA-profielen in DNA-profielcluster 5716. De berekende frequentie van de afgeleide DNA-kenmerken van het celmateriaal in de bemonstering [AAAE4260NL]#01 van het vlastouw is ongeveer één op 600 miljoen. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze afgeleide DNA-kenmerken is ongeveer één op 600 miljoen.

In het dossier bevindt zich een rapport “DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde” d.d. 1 februari 2011. Dit rapport vermeldt onder meer het navolgende. Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP5846NL van de veroordeelde [verdachte], geboren [adres] op [datum], is DNA-onderzoek verricht. Van dat DNA is een DNA-profiel verkregen, dat op 21 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn tot op heden 10 matches gevonden met andere DNA-profielen. Deze matchende profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geregistreerd onder DNA-profielcluster 5716. Het DNA in het sporenmateriaal met identiteitszegel AAAE4260NL#01 kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt aangegeven in de bijlage. In het deskundigenrapport 2010.05.20.016 van 16 juni 2010 is gerapporteerd dat de bemonstering AAAE4260NL#01 celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer1], vermengd met celmateriaal van onbekende man A. Onder de aanname dat [slachtoffer1] daadwerkelijk één van de celdonoren van het celmateriaal in de bemonstering AAAE4260NL#01 is, zijn DNA-kenmerken afgeleid van de onbekende man A. Het DNA-profiel van de veroordeelde [verdachte] RAAP5846NL matcht met deze afgeleide DNA-kenmerken. De berekende frequentie van de afgeleide DNA-kenmerken van het celmateriaal in de bemonstering AAAE4260NL#01 van het vlastouw, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide DNA-kenmerken, is ongeveer één op 600 miljoen.

Als bijlage bij voormeld rapport van het NFI is gevoegd “DNA-profielcluster 5716” , waarin onder meer het navolgende is vermeld:

- NFI-zaaknummer: 2010.05.20.016;

- omschrijving onderzoeksmateriaal: bemonstering van vlastouw;

- DNA-identiteitszegel: AAAE4260NL#01;

- delict: gewapende overval.

Op 28 maart 2011 werden de woningen [adres] (GBA-adres verdachte) en [adres] (verblijfsadres verdachte) doorzocht. Tijdens de doorzoeking op [adres] werden diverse goederen aangetroffen die in beslag zijn genomen. Tijdens de doorzoeking van de woning [adres] werd door collega [verbalisant], met zijn diensthond, een vuurwapen in de vorm van een pistool, merk Colt, met twee gaspatronen aangetroffen.

Gerelateerd wordt door de speurhondgeleider [verbalisant] dat deze op verzoek van de rechter-commissaris op 4 april 2011 een onderzoek heeft ingesteld met een gecertificeerde speurhond explosieven in het pand [adres] naar de mogelijke aanwezigheid van vuurwapens en/of munitie. De verbalisant zag dat de speurhond verhoogde interesse toonde links naast de ijskast in de keuken. De verbalisant zag vervolgens tussen een houten afscheidingsplaat en de ijskast een doek zitten. In deze doek trof de verbalisant een zilverkleurig pistool aan van het merk Colt. In het pistool bevonden zich twee gaspatronen.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie het betreffende pistool aan de rechtbank, de getuige [slachtoffer 1], verdachte en de raadsman getoond en op vragen van de rechtbank heeft de getuige [slachtoffer1] verklaard dat het getoonde wapen lijkt op het wapen dat hij ten tijde van de overval heeft gezien. Hij vindt het getoonde wapen, net als het wapen dat bij de overval is gebruikt, een groot wapen, dat vanaf een afstand een koperkleurige glans te zien geeft.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat het in beslag genomen, getoonde pistool, dat op de eerste blik lichtkleurig is, (bij beweging) een warme koperkleurige gloed heeft.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het getoonde wapen van hem is.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1:

Op 8 januari 2010 vindt een overval plaats in Oostrum, op recreatiepark [naam].

Bij de overval is een stuk touw gebruikt om de aangever vast te binden. Daarop wordt, naast DNA matchend met dat van het slachtoffer, DNA aangetroffen dat matcht met dat van verdachte. Voorts is over het bij de overval gebruikte pistool het volgende gebleken. Het pistool was volgens aangever lichtkleurig, naar zijn idee een beetje koperkleurig. Bij verdachte is een pistool in beslag genomen, dat volgens de aangever lijkt op dat van de overval. Het koperkleurige van het wapen, een gegeven dat de rechtbank als een opmerkelijk detail beschouwt, wordt door de rechtbank ter zitting zelf waargenomen.

Verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij de overval.

Met betrekking tot het touw verklaart verdachte in eerste instantie tegenover de politie dat hij nooit touw gebruikt. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij een keer thuis touw heeft gebruikt bij het verplaatsen van een kast. Als hem door de verbalisanten een foto van een stuk “pakket”-touw wordt getoond, zegt hij dat dit niet het touw is dat hij thuis heeft gehad. Desgevraagd zegt verdachte dat hij nooit met zulk touw heeft gewerkt en dat hij aan het touw op de foto geen specifieke herinneringen heeft. Als verdachte wordt geconfronteerd met het feit dat zijn DNA op dat touw is gevonden en dat het touw is aangetroffen in de receptieruimte van [naam] en dat daarmee het slachtoffer is gekneveld en dat op dat touw eveneens DNA van het slachtoffer is gevonden, verklaart verdachte niet te weten hoe zijn DNA op dat touw is gekomen en dat hij het mogelijk ooit bij iemand eerder in de handen heeft gehad. Tijdens de “proforma behandeling” van zijn zaak verklaarde verdachte dat hij wel eens in de bouw heeft gewerkt, waar touw gebruikt wordt en dat het aangetroffen touw daar mogelijk van afkomstig is. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zulk touw ook heeft gebruikt bij het beunen.

Over zijn pistool verklaart verdachte dat hij dat geruime tijd na de overval van iemand heeft gekocht, van wie hij, daar ook ter zitting nog uitdrukkelijk naar gevraagd, de naam niet wil zeggen.

De verklaringen van verdachte zijn zodanig wisselend, tegenstrijdig en oncontroleerbaar dat zij naar het oordeel van de rechtbank als onaannemelijk en ongeloofwaardig moeten worden beschouwd, waarmee de ontkenning van verdachte op geen enkele wijze wordt geschraagd. Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen en overweging, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich (mede) schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde overval onder 1.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 subsidiair:

[slachtoffer 3] doet aangifte van inbraak in haar woning. Zij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op 30 december 2010, omstreeks 04.25 uur, kreeg ik op mijn vakantieadres van de alarmmaatschappij telefonisch bericht dat het alarm van onze woning, [adres] af ging. Onze buurvrouw is op mijn verzoek naar onze woning gaan kijken. Zij zag dat de deur open stond en heeft toen de politie gebeld. Toen ik op 6 februari 2011 terug kwam van vakantie bleek de schade aan de woning tijdelijk hersteld te zijn. Ik omschrijf de schade aan de woning als volgt:

- dubbele kozijndeur ontzet;

- kozijn van het raam aan de voorzijde van de woning ontzet;

- ruit en kozijn aan de achterzijde van de woning vernield.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.”

Op 31 december 2010 werd op het adres [adres] een sporenonderzoek ingesteld naar aanleiding van een diefstal met braak. Tijdens dit onderzoek werd een bloedspoor aangetroffen op de rechterdeur van een dubbele tuindeur. Dit bloedspoor zat aan de buitenzijde van de ruit van de tuindeur. Het bloedspoor werd in beslag genomen, veilig gesteld en voorzien van het SIN AACD3661NL.

In het dossier bevindt zich een rapport “DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde” d.d. 1 februari 2011. Dit rapport vermeldt onder meer het navolgende. Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP5846NL van de veroordeelde [verdachte], geboren [adres] op [datum], is DNA-onderzoek verricht. Van dat DNA is een DNA-profiel verkregen, dat op 21 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn tot op heden 10 matches gevonden met andere DNA-profielen. Deze matchende profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geregistreerd onder DNA-profielcluster 5716. Het DNA in het sporenmateriaal met identiteitszegel AACD3661NL#01 kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt aangegeven in de bijlage.

Als bijlage bij voormeld rapport van het NFI is gevoegd “DNA-profielcluster 5716” , waarin onder meer het navolgende is vermeld:

- omschrijving onderzoeksmateriaal: een bloedspoor;

- DNA-identiteitszegel: AACD3661NL#01;

- delict: inbraak;

- berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Tegenover de politie verklaart verdachte als hij wordt geconfronteerd met het feit dat zijn bloed bij de inbraak in een woning aan de [adres] is aangetroffen – zakelijk weergegeven – als volgt: “Het was een vrijstaande woning. Ik kan me herinneren dat ik daar ben geweest. Ik weet dat het ’s nachts was. Ik weet dat ik daar aan een raam heb staan klooien, maar ik kan me niet herinneren dat ik daar binnen ben geweest. Volgens mij ben ik geschrokken van iets en ben ik daarop weggegaan.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 4:

Namens [slachtoffer5], doet [naam] aangifte van inbraak. Hij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “De inbraak heeft plaatsgevonden in diverse kantoren op het [terrein], gelegen aan [adres]. De gebouwen staan met elkaar in verbinding. Op 2 augustus 2006, omstreeks 21.30 uur, was alles in en aan het pand intact en afgesloten. Op 3 augustus 2006, omstreeks 07.30 uur werd ontdekt dat er was ingebroken. Men heeft zich de toegang tot het pand kennelijk verschaft door het inslaan van de ruit van een kantoorruimte. Daar heeft men twee bureaulades opengebroken. Via de gang is men in een ander kantoor terechtgekomen. Daar heeft men een deur naar een andere ruimte ingetrapt. Ook een andere ruit van een raam was ingeslagen. Verder ontdekte ik dat er nog een ruit was ingeslagen. In het gordijn zijn bloedsporen aangetroffen. Vervolgens is men nog meer ruimten binnengegaan en zijn nog meer ruiten ingeslagen. Voor zover bekend zijn uit het pand geld en sigaretten weggenomen. Het betreft in totaal een geldbedrag van ongeveer € 177,50. De weggenomen goederen zijn eigendom van (naam). Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.”

Op 19 september 2006 is op [adres] onderzoek gedaan naar sporen. Op een wit gordijn is bloed aangetroffen dat is veiliggesteld. Het DNA-zegelnummer is DNA169.

In het dossier bevindt zich een rapport “DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde” d.d. 1 februari 2011. Dit rapport vermeldt onder meer het navolgende. Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP5846NL van de veroordeelde [verdachte], geboren [adres] op [datum], is DNA-onderzoek verricht. Van dat DNA is een DNA-profiel verkregen, dat op 21 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn tot op heden 10 matches gevonden met andere DNA-profielen. Deze matchende profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geregistreerd onder DNA-profielcluster 5716. Het DNA in het sporenmateriaal met identiteitszegel DNA169#01 kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt aangegeven in de bijlage.

Als bijlage bij voormeld rapport van het NFI is gevoegd “DNA-profielcluster 5716” , waarin onder meer het navolgende is vermeld:

- omschrijving onderzoeksmateriaal: een bloedspoor;

- DNA-identiteitszegel: DNA169#01;

- delict: inbraak;

- berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Verdachte verklaart tegenover de politie bekennend. Hij verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt: “Het aangetroffen bloed is van mij. Ik heb er nog een litteken aan over gehouden. Ik heb mijn hand toen opengehaald aan glas, dat ik toen kapot moest maken.” Ter terechtzitting verklaarde hij aanvullend nog de vernielingen te hebben aangericht omdat hij alles zo snel mogelijk wilde openen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 5:

[slachtoffer 6] doet aangifte van diefstal uit zijn woning. Hij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op 29 december 2005, 11.00 uur, was alles in en aan de woning [adres] intact en afgesloten. Op 1 januari 2006, 07.40 uur, ontdekte ik dat er was ingebroken. Een raam van de kinderkamer was geforceerd. Uit de woning zijn weggenomen: een laptop, sieraden en een fotocamera. De weggenomen goederen zijn mijn eigendom. Ik gaf aan niemand het recht of toestemming tot het plegen van dit feit.”

Op 1 januari 2006 is onderzoek gedaan op het adres [adres], naar aanleiding van diefstal uit een woning. Er werd in de gang van de woning een peuk aangetroffen. Deze is veiliggesteld en voorzien van het DNA-zegelnummer CWA098.

In het dossier bevindt zich een rapport “DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde” d.d. 1 februari 2011. Dit rapport vermeldt onder meer het navolgende. Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP5846NL van de veroordeelde [verdachte], geboren [adres] op [datum], is DNA-onderzoek verricht. Van dat DNA is een DNA-profiel verkregen, dat op 21 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn tot op heden 10 matches gevonden met andere DNA-profielen. Deze matchende profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geregistreerd onder DNA-profielcluster 5716. Het DNA in het sporenmateriaal met identiteitszegel CWA098#01 kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt aangegeven in de bijlage.

Als bijlage bij voormeld rapport van het NFI is gevoegd “DNA-profielcluster 5716” , waarin onder meer het navolgende is vermeld:

- omschrijving onderzoeksmateriaal: een peuk;

- DNA-identiteitszegel: CWA098#01;

- delict: inbraak;

- berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Tegenover de politie verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt: “Het zou goed kunnen dat ik een jaar of 6 geleden in Venray heb ingebroken.” Als verdachte wordt geconfronteerd met aangetroffen DNA van verdachte op een peuk, verklaart hij – zakelijk weergegeven: “Ik denk dat ik even een peuk heb opgestoken. Als mijn DNA daar is gevonden, zal ik die inbraak gewoon gepleegd hebben. Ik kan het me vaag herinneren.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 6:

[slachtoffer 7] doet aangifte van inbtraak in haar woning aan[adres]. Zij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op 4 januari 2006 te 23.00 uur heb ik mijn woning volledig en in goede orde en onbeschadigd achtergelaten. Op 5 januari 2006 te 06.30 uur zag ik dat er in mijn woning was ingebroken. Ik zag dat het raam naast de achterdeur met een schroevendraaier ontzet was. Ik zag dat er in het kozijn moeten zaten van ongeveer 5 mm. Ik zag vervolgens dat het bovenlicht van het kozijn van de dakkapel was ontzet. Men nam goederen weg uit de woonkamer. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.”

Op 6 januari 2006 wordt door de politie een onderzoek[adres]. De verbalisant trof aan de achterzijde van de woning op het openslaande raam van de keuken verschillende indrukken aan, die waarschijnlijk afkomstig waren van een schroevendraaier. Naast het raam had men een drinkpak “Goedemorgen” aangetroffen. De verbalisant heeft de drinkopening van dit pak bemonsterd op speeksel en de bemonstering veiliggesteld, gewaarmerkt en genummerd T-001 (DNA-identiteitszegel CSA550).

In het dossier bevindt zich een rapport “DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde” d.d. 1 februari 2011. Dit rapport vermeldt onder meer het navolgende. Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP5846NL van de veroordeelde [verdachte], geboren [adres] op [datum], is DNA-onderzoek verricht. Van dat DNA is een DNA-profiel verkregen, dat op 21 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn tot op heden 10 matches gevonden met andere DNA-profielen. Deze matchende profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geregistreerd onder DNA-profielcluster 5716. Het DNA in het sporenmateriaal met identiteitszegel CSA550#01 kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt aangegeven in de bijlage.

Als bijlage bij voormeld rapport van het NFI is gevoegd “DNA-profielcluster 5716” , waarin onder meer het navolgende is vermeld:

- omschrijving onderzoeksmateriaal: een bemonstering;

- DNA-identiteitszegel: CSA550#01;

- delict: inbraak;

- berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij een tijdje in [plaats] heeft gewoond, ook bij zijn zus. Met betrekking tot het bij de woning [adres] aangetroffen drinkpak heeft verdachte verklaard dat hij vaker “Goedemorgen” dronk. Verder heeft hij ter zitting verklaard dat hij zich vaag herinnert dat hij via een dakkapel de woning is binnengekomen.

Tegenover de politie verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt: “De inbraak was in de periode dat ik in Rotterdam woonde. Ik kan de inbraken van die nacht niet uit elkaar houden, maar als daar toen mijn DNA gevonden is, dan klopt dat wel en moet dat die 5e Rotterdamse zaak zijn geweest.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 7:

Namens (slachtoffer 8), doet [naam] aangifte van diefstal uit een bedrijf. Hij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op 1 december 2005, 17.00 uur was alles in en aan het pand [adres], (van de arbeidstherapie en de polikliniek met kantoren van de casemanagers begeleid wonen) intact en afgesloten. Op 2 december 2005 te 04.55 uur ontdekte iemand van de beveiliging dat er was ingebroken in het gebouw van de arbeidstherapie. De ruit van de kantine van de houtbewerkingafdeling was vernield. In het gebouw zijn twee deuren opengebroken en een ruit van een deur is vernield. Verder waren er enkele kasten en een bureau opengebroken. Uit een geldkist werd € 60,-- ontvreemd. Uit de kantine van de houtbewerking werd een computer ontvreemd. Deze computer was eigendom van [naam]. Op 2 december 2005 te 07.30 uur werd ontdekt dat was ingebroken in de kantoren van de casemanagers begeleid wonen. Het raam van de ruimte op de begane grond is kennelijk vooraf ontsloten en afgelopen nacht van buitenaf opengeduwd. Op de kantoren werden 5 bureaulades opengebroken. Vanuit deze kantoren werden een laptop, twee bankpassen en de inhoud van twee geldkistjes, ongeveer € 30,--, ontvreemd. De goederen waren eigendom van genoemde benadeelden ([namen]). De benadeelden gaven aan niemand het recht of toestemming tot het plegen van dit feit.” De verbalisant relateert in het proces-verbaal van aangifte dat men toegang heeft verkregen door het inslaan van een ruit en diverse binnenbraken en voorts dat er een appel was gegeten. Op foto nummer 11 is te zien dat er een afgekloven appel ligt op een tafel of bureau.

Op 5 december 2005 wordt onderzoek gedaan op [adres] naar sporen. Er is een appel aangetroffen, met daarop als spoor speeksel. Dit is veiliggesteld. Het DNA-zegelnummer is AHM798.

In het dossier bevindt zich een rapport “DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde” d.d. 1 februari 2011. Dit rapport vermeldt onder meer het navolgende. Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP5846NL van de veroordeelde [verdachte], geboren [adres] op [datum], is DNA-onderzoek verricht. Van dat DNA is een DNA-profiel verkregen, dat op 21 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn tot op heden 10 matches gevonden met andere DNA-profielen. Deze matchende profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geregistreerd onder DNA-profielcluster 5716. Het DNA in het sporenmateriaal met identiteitszegel AHM798#01kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt aangegeven in de bijlage.

Als bijlage bij voormeld rapport van het NFI is gevoegd “DNA-profielcluster 5716” , waarin onder meer het navolgende is vermeld:

- omschrijving onderzoeksmateriaal: een bemonstering;

- DNA-identiteitszegel: AHM798#01;

- delict: inbraak;

- berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij bij (slachtoffer 8) enkele laptops heeft meegenomen en ook dat er bankpasjes zijn meegenomen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij denkt dat een handlanger met de pasjes heeft gepind.

Tegenover de politie heeft verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard : “Ik zal het maar gelijk zeggen dat ik het gedaan heb. Ik vroeg me wel af waar mijn DNA dan op zat.” Als verdachte wordt gezegd dat zijn DNA op een appel zat, verklaart hij – zakelijk weergegeven – als volgt: “Als het gevonden is, zal dat zo zijn. Het is een paar jaar geleden geweest, ik meen dat het ’s nachts was. Ik denk dat ik daar door een raam naar binnen ben gegaan, dat kan open hebben gestaan of ik heb het kapot gemaakt.” Als verdachte gezegd wordt dat de ruimtes onder de noemer “medische ruimtes” kunnen vallen, verklaart hij – zakelijk weergegeven – als volgt: “Medische ruimtes, dat geeft me wel een vaag gevoel dat het me bekend voorkomt. Ik weet wel dat ik daar ingebroken heb.”

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1, 2 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 08 januari 2010 te Oostrum, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en drie tassen met inhoud en een (portable) computer en een portefeuille met inhoud en een fotocamera, toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededader, een vuurwapen op [slachtoffer 1] hebben gericht en dreigend een vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] hebben gedrukt en daarbij tegen [slachtoffer 1] op dreigende toon hebben gezegd: "Geld, geld, geld, liggen. Op de rug liggen." en "Niet kijken. Waar is geld." en "Armen zien, waar is geld, waar geld." en "Niet kijken, niet kijken." en "Geen gekke dingen doen, dan gebeurt er niets met jou." en "Kluis, kluis, waar is kluis." en "Opstaan, opstaan, open maken." en "Open, open maken, open maken." en "Als je geen gekke dingen doet, gebeurt er niets." en de handen van [slachtoffer 1] met een touw hebben vastgebonden;

2. subsidiair:

hij op 30 december 2010 in de gemeente Deurne ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] weg te nemen wat van zijn gading was, toebehorende aan [slachtoffer 3] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak en verbreking, met dat oogmerk een raamkozijn aan de voorzijde van die woning en/of een ruit aan de achterzijde van die woning heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in de periode van 02 augustus 2006 tot en met 03 augustus 2006 in de gemeente Venray met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand gelegen aan [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

5.

hij in de periode van 29 december 2005 tot en met 01 januari 2006 in de gemeente Venray, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een laptop, sieraden en een fotocamera, toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

6.

hij in de periode van 04 januari 2006 tot en met 05 januari 2006 in de gemeente Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen goederen, toebehorende aan [slachtoffer 7], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

7.

hij in de periode van 01 december 2005 tot en met 02 december 2005 in de gemeente Venray met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand gelegen aan [adres] heeft weggenomen een laptop, bankpassen, een hoeveelheid geld en een computer, toebehorende aan anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking.

T.a.v. feit 4:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

T.a.v. feit 5:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

T.a.v. feit 6:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

T.a.v. feit 7:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 2 subsidiair is strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 en 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De misdrijven sub 4, 5, 6 en 7 zijn telkens strafbaar gesteld bij 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van het feit sub 2 subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is geweest van een vrijwillige terugtred ex artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht en verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat verdachte bij de betreffende woning is geweest en dat hij daar een raam heeft vernield. Verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft meegenomen. Wel heeft verdachte verklaard dat hij aan het raam “heeft staan klooien”. Verdachte heeft aangegeven, dat hij zich niet kan herinneren dat hij in de woning is geweest. Verdachte heeft betrekkelijk kort na het gebeuren op 30 maart 2011 bij de politie verklaard dat hij volgens hem geschrokken was van iets en daarop is weggegaan. Van inkeer, indachtig zijn vriendin en hun toekomst, maakt hij dan nog geen enkele melding. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan zijn eerste verklaring en zal geen acht slaan op zijn latere verklaring, nu zij het ongeloofwaardig acht dat iets wezenlijks als inkeer, denkend aan vriendin en toekomst, hem zo kort na het gebeuren al ontschoten zou zijn. De rechtbank houdt het ervoor dat hij de inkeer later heeft bedacht. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een vrijwillige terugtred ex artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De verdachte is strafbaar voor het sub 1, 2 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 bewezenverklaarde nu ten aanzien van deze feiten niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 september 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde – kort gezegd – reclasseringstoezicht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat naar zijn mening slechts de feiten 4 tot en met 7 bewezen kunnen verklaard. Omdat deze vier inbraken gedateerd zijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, heeft de raadsman gepleit tot oplegging van een gedeeltelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het door verdachte ondergane voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld – kort gezegd – reclasseringstoezicht.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot het feit 1 overweegt de rechtbank als volgt. Bewezen verklaard is – kort gezegd – een gewapende overval op het kantoor van een recreatiepark. Verdachte en zijn mededader zijn de receptie, waar [slachtoffer 1] werkte, met bivakmutsen op, binnengekomen. Eén van hen trok een vuurwapen en richtte dat op [slachtoffer1]. Deze moest toen op de grond moest gaan liggen. [slachtoffer1] voelde dat er iets tegen zijn hoofd werd gedrukt, waarbij hij dacht dat dit het vuurwapen was. Hij was doodsbang en vreesde voor zijn leven. Beide daders riepen constant dreigende woorden richting [slachtoffer1]. Nadat de daders uiteindelijk geld uit de kassa hadden gepakt, is [slachtoffer1] gekneveld met een stuk touw.

Deze handelwijze van verdachte en zijn mededader is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest. Hierdoor is hij zeer ernstig in zijn veiligheidsgevoelens aangetast en hiervan kan hij gedurende lange tijd nadelige gevolgen ondervinden. De rechtbank acht in deze sprake van een bijzonder ernstig feit, waardoor ook het gevoel van veiligheid in de samenleving is aangetast. Dergelijk handelen, dat niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor de rechtsorde een zeer schokkend karakter draagt, rechtvaardigt zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur.

Met betrekking tot de feiten 2 subsidiair, 4, 5 , 6 en 7 overweegt de rechtbank dat sprake is van feiten, die eveneens ernstig zijn. Bij de poging en de twee voltooide woninginbraken (feiten 2 subsidiair, 5 en 6) is sprake van een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ook de beide bedrijfsinbraken, [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] (feiten 4 en 7), hebben gevoelens van onveiligheid voor het personeel en de cliënten teweeg gebracht. De inbraken hebben daarnaast veel schade tot gevolg gehad. De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat het merendeel van deze feiten al langere tijd geleden is begaan. Gelet op de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte zich reeds vele malen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. De rechtbank weegt deze omstandigheden nadrukkelijk mee in de strafoplegging, zulks deels ook ten voordele van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf. Daarnaast zal de rechtbank een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen, met daaraan gekoppeld een bijzondere voorwaarde, waarmede de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

10.4.Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten 1 wapen Colt, wapennummer D21525828, met zwarte kolf, 1 patroonhouder en 2 patronen, kal. 3 mm, en verdovende middelen, voorwerpnummer 198107, dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Het wapen is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met behulp van dat wapen het feit sub 1 is begaan, terwijl dat voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De verdovende middelen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien

genoemde, aan de verdachte toebehorende, voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, terwijl die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen.

10.5.Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer in beslag genomen zijn:

een zwarte tas, Belkin, met inhoud (voorwerpnummer 198080), een horloge Cerruti (voorwerpnummer 198116) en 1 koffer met daarin een handboog met pijlen.

Nu met betrekking tot de zwarte tas en het horloge niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene(n) aan wie deze toebehoren, zoals hierna in het dictum genoemd.

Met betrekking tot voormelde koffer met handboog en pijlen overweegt de rechtbank dat deze blijkens het dossier reeds is teruggegeven aan [naam], zodat hierover geen beslissing meer zal worden genomen.

10.6.De vorderingen van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 8], (hierna te noemen de Stichting) heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

De Stichting heeft de materiële schade op een bedrag van € 3.384,70 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit (artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte onvoldoende is weersproken, voor toewijzing vatbaar. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank echter alleszins redelijk en voldoende gespecificeerd, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 3.384,70, zoals gevorderd.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.384,70, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 43 dagen, te betalen ten behoeve van de Stichting voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 8], (hierna te noemen de Stichting) heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 7 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

De Stichting heeft de materiële schade op een bedrag van € 4.180,55 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 7 ten laste gelegde feit (artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte onvoldoende is weersproken, voor toewijzing vatbaar. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank echter alleszins redelijk en voldoende gespecificeerd, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 4.180,55, zoals gevorderd.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 4.180,55, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 51 dagen, te betalen ten behoeve van de Stichting voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 46b, 57, 63, 310, 311, 312.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 2 primair en het sub 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten sub 1, 2 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor onder 1, 2 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 42 maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart onttrokken aan het verkeer:

-1 wapen Colt, wapennummer D21525828, met zwarte kolf, 1 patroonhouder en 2 patronen, kal. 3 mm;

-verdovende middelen, voorwerpnummer 198107;

gelast de teruggave aan verdachte van een horloge Cerruti (voorwerpnummer 198116).

gelast de teruggave van een zwarte tas, Belkin, met inhoud (voorwerpnummer 198080) aan [naam];

wijst toe de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 4;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 8], te

betalen een bedrag van € 3.384,70;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.384,70 subsidiair 43 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 4 (artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht) genaamd [slachtoffer 8] voornoemd, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.384,70, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 7;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 8], te

betalen een bedrag van € 4.180,55;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 4.180,55 subsidiair 51 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 7 (artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht) genaamd [slachtoffer 8] voornoemd, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.180,55 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.B.T.G. Steeghs, A.K. Kleine en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. A.K. Kleine voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 september 2011.

Mr. W.A.H.J. Poppeliers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.