Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BT6119

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
19-09-2011
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
AWb 10/1548
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting AWB 10 / 1548

Eiseres is eigenaar van een in het buitengebied gelegen recreatieplas met strand, een kiosk, toiletgebouwen, speeltoestellen, parkeerplaatsen, fietsenstallingen, aanlegsteigers en recreatieterrein. Ter discussie staat de categorie van de watersysteemheffing waarin het watergedeelte van het object moet worden ingedeeld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de plas moet worden ingedeeld in de categorie “overig ongebouwd”, waar eiseres van mening is dat de plas thuishoort in de categorie “natuurterrein”. Naar het oordeel van de rechtbank dient een open water op grond van de letterlijke tekst van artikel 116 van de Waterschapswet te worden aangemerkt als een natuurterrein. Voor verweerders standpunt dat plassen groter dan één hectare die een overwegend recreatieve functie hebben, niet onder de categorie “natuurterrein” vallen, ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten in de wetgeving en de totstandkoming ervan. De in de Memorie van Toelichting bij artikel 116 van de Waterschapswet opgenomen passage dat ook de feitelijke bestemming van de onroerende zaak van belang is, ziet immers, zoals blijkt uit de tekst van de Memorie van Toelichting, op onder meer stadsparken en plantsoenen met een overwegend recreatieve functie en niet op bossen en open water van meer dan één hectare. Deze zijn in de Memorie van Toelichting uitdrukkelijk aangemerkt als natuurterreinen zonder dat hierbij een duurzame inrichting en beheer als natuurgebied als vereiste is gesteld. De toelichting bij de Verordening maakt overigens een zelfde onderscheid en vermeldt expliciet dat zodra een bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, bij wijze van wetsduiding sprake is van een natuurterrein en in deze gevallen niet relevant is of de inrichting en het beheer van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Een andere uitleg zou overigens ook onlogisch zijn, gelet op de definitie van natuurterreinen in de Waterschapswet en de Verordening. Voor zover de stellingen van verweerder moeten begrepen worden als dat het de bedoeling is geweest bossen en open wateren, kleiner dan één hectare, uit te sluiten van de mogelijkheid als natuurterrein te worden aangemerkt, spoort dat niet met de tekst en had een geheel andere formulering voor de hand gelegen. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar en de daaraan ten grondslag liggende aanslag vernietigen wegens strijd met de Waterschapswet en de Verordening. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal zij verder bepalen dat verweerder de plas voor de watersysteemheffing indeelt in de categorie “natuurterrein” en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2415
Belastingblad 2011/1142
Belastingblad 2011/22.7
V-N 2012/12.27.37
FutD 2011-2357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10 / 1548

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2011 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde [gemachtigde]

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap Peel en Maasvallei, verweerder.

Procedureverloop¬¬

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 30 september 2010 voor het belastingjaar 2010 als eigenaar van het object (kadastraal bekend als gemeente Mook en Middelaar, sectie C, nummer 2064, groot 60.70.19 ha) een aanslag watersysteemheffing, categorie “ongebouwd” (met aanslagnummer 1019401393), opgelegd.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2010 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het object door verweerder niet langer is ingedeeld in de categorie “ongebouwd”, maar in de categorie “overig ongebouwd”.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde voornoemd en [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen H. Engelen en P. Jonkers, medewerkers van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen.

Overwegingen

1. Eiseres is eigenaar van het object. Het object betreft een in het buitengebied gelegen recreatieplas met strand, een kiosk, toiletgebouwen, speeltoestellen, parkeerplaatsen, fietsenstallingen, aanlegsteigers en recreatieterrein. De ter discussie staande aanslag heeft betrekking op het watergedeelte van het object, groot 60.70.19 ha (hierna: de plas).

2. De rechtbank overweegt dat ter discussie staat de categorie van de watersysteemheffing waarin de plas moet worden ingedeeld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de plas moet worden ingedeeld in de categorie “overig ongebouwd”, waar eiseres van mening is dat de plas thuishoort in de categorie “natuurterrein”. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

3. Ingevolge artikel 117, eerste lid, van de Waterschapswet wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:

a. ingezetenen zijn;

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;

d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.

4. Blijkens artikel 116, aanhef en onder c, van de Waterschapswet worden onder natuurterreinen verstaan: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare.

5. In de Memorie van Toelichting bij artikel 116 van de Waterschapswet is het volgende vermeld:

“Dit artikel geeft een definitie van de begrippen ingezetenen, woonruimte, bedrijfsruimte en natuurterreinen. Deze begrippen, met uitzondering van natuurterreinen, zijn thans gedefinieerd in het huidige artikel 118. Nieuw is het begrip natuurterrein. Natuurterreinen zijn gedefinieerd als ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Hierbij zijn ook de feitelijke of de uiteindelijke bestemming van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt (en waar inmiddels veel groen en ander leven aanwezig is), maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein in de zin van de wet worden aangemerkt. In de regel zullen ook stadsparken, plantsoenen, e.d. vanwege hun overwegende recreatieve functie niet als een natuurgebied kunnen worden betiteld. Er is niet gekozen voor een limitatieve opsomming van terreinen zoals bijvoorbeeld o.a. duinen en heidevelden. Een dergelijke opsomming kan immers nooit volledig zijn. Daarom wordt een kwalitatieve omschrijving van het begrip natuurterrein voorgesteld. Hiermee ligt de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als natuurgebied. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare. Om praktische redenen is gekozen voor bossen en open wateren van enige omvang. Voorkomen moet worden dat elke vierkante meter «groen of blauw» als natuurterrein wordt aangemerkt.”

6. In de Verordening op de watersysteemheffing 2009 van het Waterschap Peel en Maasvallei is de definitie van natuurterreinen van artikel 116 van de Waterschapswet letterlijk overgenomen. Eiseres heeft in de loop van de procedure gewezen op de tekst van de artikelsgewijze toelichting bij de Verordening (raadpleegbaar onder meer via de site van het waterschap). In de (artikelsgewijze) toelichting bij de Verordening is ten aanzien van de definiëring van natuurterreinen het volgende opgenomen:

“De omschrijving van het begrip natuurterrein is ontleend aan artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als natuurgebied ligt.

Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing aan de zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden. Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake van een natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel of nagenoeg geheel staat trouwens voor 90% of meer.”

7. De rechtbank overweegt dat eiseres eigenaar en beheerder is van een open water dat groter is dan één hectare. Naar het oordeel van de rechtbank dient een open water op grond van de letterlijke tekst van voormeld artikel 116 van de Waterschapswet te worden aangemerkt als een natuurterrein. Voor verweerders standpunt dat plassen groter dan één hectare die een overwegend recreatieve functie hebben, niet onder de categorie “natuurterrein” vallen, ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten in voormelde wetgeving en de totstandkoming ervan. De in de Memorie van Toelichting bij artikel 116 van de Waterschapswet opgenomen passage dat ook de feitelijke bestemming van de onroerende zaak van belang is, ziet immers, zoals blijkt uit de tekst van de Memorie van Toelichting, op onder meer stadsparken en plantsoenen met een overwegend recreatieve functie en niet op bossen en open water van meer dan één hectare. Deze zijn in de Memorie van Toelichting uitdrukkelijk aangemerkt als natuurterreinen zonder dat hierbij een duurzame inrichting en beheer als natuurgebied als vereiste is gesteld. De toelichting bij de Verordening maakt overigens een zelfde onderscheid en vermeldt expliciet dat zodra een bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, bij wijze van wetsduiding sprake is van een natuurterrein en in deze gevallen niet relevant is of de inrichting en het beheer van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Een andere uitleg zou overigens ook onlogisch zijn, gelet op de definitie van natuurterreinen in de Waterschapswet en de Verordening. Voor zover de stellingen van verweerder moeten begrepen worden als dat het de bedoeling is geweest bossen en open wateren, kleiner dan één hectare, uit te sluiten van de mogelijkheid als natuurterrein te worden aangemerkt, spoort dat niet met de tekst en had een geheel andere formulering voor de hand gelegen. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar en de daaraan ten grondslag liggende aanslag vernietigen wegens strijd met de Waterschapswet en de Verordening. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal zij verder bepalen dat verweerder de plas voor de watersysteemheffing indeelt in de categorie “natuurterrein” en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

8. Niet gebleken is van proceskosten die op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang bezien met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking komen.

9. De rechtbank overweegt vervolgens dat op grond van artikel 8:74 van de Awb bij een gegrondverklaring van het beroep aan de indiener van het beroepschrift het betaalde griffierecht dient te worden vergoed. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 298,= aan eiseres dient te vergoeden.

10. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar en de daaraan ten grondslag liggende aanslag;

bepaalt dat verweerder het object (kadastraal bekend als gemeente Mook en Middelaar, sectie C, nummer 2064) voor de watersysteemheffing indeelt in de categorie “natuurterrein” en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

gelast dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 298,= vergoedt aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2011.

w.g. mr. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift,

de (wnd.) griffier,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 september 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.