Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BR5746

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/917
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopig oordelend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat indien en voor zover de oriëntatie van de te vestigen winkel met in elk geval de hoofdingang is gericht op, in dit geval, de Steenstraat, het tevens hebben van een achteringang niet betekent dat daarmee sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 2011 / 917

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank in de zaak tussen

[verzoekers], te Horst, verzoekers

(gemachtigde: mr. R. Keuken)

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghoudster], te [plaatsnaam].

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft verweerder aan [vergunninghoudster], te [plaatsnaam], hierna te noemen vergunninghoudster, een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en aanpassen van winkelruimten op de percelen kadastraal bekend als Horst sectie D nummers 5336, 5392, 5393, 5467, 5381 en 5468, plaatselijk bekend als Steenstraat 9, 11 en 13 te Horst, alsmede een ontheffing aangaande parkeren op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, van de gemeentelijke bouwverordening.

Tegen dit besluit is namens verzoekers bij schrijven van 22 juni 2011 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Bij brief van 18 juli 2011 hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers en aan vergunninghoudster gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 augustus 2011, waar van verzoekers [naam vennoot], als vennoot van de [naam V.O.F.], in persoon is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.A.L. in ’t Zandt. Namens vergunninghoudster is [naam bestuurder], bestuurder, verschenen.

Overwegingen

1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De rechter ziet geen beletselen het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen te ontvangen. De vraag of alle verzoekers afzonderlijk ontvankelijk zijn laat de rechter thans onbeantwoord nu in elk geval een aantal van hen met zekerheid kunnen worden ontvangen. Ook acht de rechter de onverwijlde spoed met de start dan wel voortgang van de bouwwerkzaamheden genoegzaam aangetoond.

3. Nu een bepaald spoedeisend belang aanwezig is, bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoekers bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder en van vergunninghoudster bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak. Voor zover de toetsing aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren als dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

5. Op 27 april 2011 heeft vergunninghoudster vergunning gevraagd voor het uitbreiden en aanpassen van winkelpand Steenstraat nr. 13 en voor het aanpassen van winkelpand Steenstraat 11. Op de betreffende percelen rust ingevolge het bestemmingsplan “Kom Horst” de bestemming “centrumgebied” waarvoor primair geldt het behoud en het versterken van de verblijfsfunctie en van het voorzieningenniveau. Ter plekke van de winkelpanden Steenstraat 11 en 13 geldt als ruimtelijke karakteristiek een gesloten straatwand met situering van de voorgevel van de hoofdgebouwen in de op de kaart aangeduide straatwand, in casu de Steenstraat. Op grond van artikel 4 van de bestemmingsplanvoorschriften geldt voor detailhandel dat winkels enkel zijn toegestaan op de beganegrondlaag van een hoofdgebouw en zijn georiënteerd op een der straten of pleinen in het onderhavige gebied.

6. Bij besluit van 10 mei 2011 ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en aanpassen van winkelruimten op de percelen aan de Steenstraat 9, 11 en 13 te Horst. Ter zitting is aan de hand van de tekeningen, gelegd naast de aanvraag, gebleken dat opname van huisnummer 9 in de omgevingsvergunning abuis is, zodat de rechter de vergunning leest als te zijn afgegeven voor de huisnummers 11 en 13. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de bepalingen van het geldende bestemmingsplan nu de oriëntatie van de in de winkelpanden te vestigen supermarkt, ondanks de achteruitgang op de achtergelegen parkeerplaats, is gericht op de Steenstraat. Verzoekers betogen dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de bepalingen van het bestemmingsplan voor zover de in de winkelpanden 11 en 13 te vestigen supermarkt een uitgang heeft op het achtergelegen parkeerterrein, althans dat in het verleden iedere andere ondernemer zijn verzoek om een achteruitgang afgewezen zag op de grond dat dit strijdig is met het bestemmingsplan.

7. Artikel 4 van de geldende bestemmingsplanbepalingen bepaalt dat de winkels ter plekke, in een gesloten straatwand, georiënteerd moeten zijn op de Steenstraat. In die bepalingen is niet strikt voorgeschreven dat dit ook meebrengt dat een achteruitgang verboden is. Voorlopig oordelend komt de voorzieningenrechter dan ook tot de conclusie dat indien en voor zover de oriëntatie van de te vestigen winkel met in elk geval de hoofdingang is gericht op, in dit geval, de Steenstraat, het tevens hebben van een achteringang niet betekent dat daarmee sprake is van strijd met het bestemmingsplan. De oriëntatie van de te vestigen supermarkt blijkt uit de hoofdwinkelingang aan de Steenstraat in de vorm van een passage waarin ook (twee) andere winkels worden gevestigd, de winkelindeling van en de routing in de supermarkt, de zichtlocatie aan de Steenstraat en het ontbreken van zicht in de supermarkt vanaf de achterzijde van de winkelpanden.

8. Voor zover verzoekers betogen dat verweerder in het verleden telkens overeenkomstige verzoeken om een andere ingang heeft afgewezen, heeft verweerders vertegenwoordigster ter zitting verklaard dat wellicht in het verleden de bestemmingsplanbepalingen te strikt zijn uitgelegd, waarvan thans mede in het kader van een revitaliseringsoperatie voor het centrum wordt teruggekomen. In zoverre ligt het op de weg van verweerder om in het besluit op bezwaar alsnog een op dit betoog gerichte motivering te geven. Nu de rechter voorlopig oordelend niet tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, is hierin geen grond gelegen voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor zover verzoekers met dit betoog een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel in die zin dat andere ondernemers onder dezelfde omstandigheden een achteruitgang is geweigerd, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat niet is aangetoond dat sprake is van identieke gevallen waarin naast uitdrukkelijke, en blijvende, oriëntatie met een hoofdingang aan de winkelstraat de betrokken ondernemer een tweede in- en uitgang wenste. Overigens is er geen reden om aan te nemen dat het gewijzigde standpunt van verweerder thans niet ook opgeld doet voor andere aanvragen.

De hierop gerichte grieven treffen geen doel in zoverre dat er geen grond is om een voorlopige voorziening te treffen.

9. In het besluit van 10 mei 2011 is een ontheffing verleend op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, van de gemeentelijke bouwverordening op de grond dat het bouwplan niet voorziet in de aanleg van voldoende, voor de exploitatie van een supermarkt benodigde, parkeerplaatsen. Ter uitvoering van die ontheffing hebben verweerders gemeente en vergunninghoudster een parkeerovereenkomst gesloten inhoudende dat vergunninghoudster aan verweerder een bedrag van € 6.458,00 betaalt per benodigde parkeerplaats die niet wordt gerealiseerd en dat verweerders gemeente die parkeerplaatsen binnen een termijn van tien jaren en binnen een straal van 500 meter realiseert. In die overeenkomst is opgenomen dat het gaat om ontheffing voor vijf parkeerplaatsen.

10. Het bestemmingsplan bevat voor de onderhavige locatie geen normen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. Derhalve geldt de aanvullende werking van de gemeentelijke bouwverordening. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van die bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening voor zover van belang kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid indien het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer of stallingruimte wordt voorzien.

11. Vooropgesteld dient te worden dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig vaste jurisprudentie alleen rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan en dat een reeds eerder bestaand tekort aan parkeerplaatsen bij de in geding zijnde ontheffing buiten beschouwing mag worden gelaten. Voorts dient te worden vastgesteld dat ten aanzien van dit bouwplan, gesitueerd midden in het centrum, geen mogelijkheid bestaat om te voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein.

12. De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig op grond van het vorenstaande dat verweerder bevoegd was om ontheffing te verlenen van artikel 2.5.30, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening. Voor zover het betreft de vraag of verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, overweegt de rechter dat de ter uitvoering van de ontheffing gesloten overeenkomst de rechterlijke toets in beginsel zal kunnen doorstaan. De vraag of met het in die overeenkomst opgenomen aantal van vijf parkeerplaatsen is voldaan aan de daarvoor geldende normen, laat de voorzieningenrechter thans onbeantwoord. Ook al komt verweerder in de bezwaarprocedure tot een ander aantal benodigde parkeerplaatsen, dan is hierin geen grond gelegen om een voorlopige voorziening te treffen, aangezien herstel van dat gebrek voorzien is met een financiële regeling en daarbij het spoedeisend belang dat is vereist om een voorlopige voorziening te treffen ontbreekt. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat uitvoering van de gesloten overeenkomst niet wordt gerealiseerd. In zoverre komt het verzoek evenmin voor toewijzing in aanmerking.

13. De rechter acht geen termen aanwezig om één der partijen te veroordelen in de proceskosten van een andere partij.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2011.

23 augustus 2011.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. A.W.P. Letschert,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 augustus 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.