Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BR4339

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
04/804048-11 en 04/860027-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5832, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag, poging tot zware mishandeling en mishandeling. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Zeven jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/804048-11 en 04/860027-11 TTZGEV

Parketnummer : 04/860013-09 (tul)

Datum uitspraak : 9 augustus 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen [verdachte],

geboren te [geboortedatum en -plaats],

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2011.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Belfeld, in elk geval in de gemeente Venlo, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] met een mes in de borst, in elk geval in het lichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Belfeld, in elk geval in de gemeente Venlo, aan [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk genoemde [slachtoffer 1] met een mes in de borst, in elk geval in het lichaam te steken, terwijl het feit de dood van genoemde [slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, genoemde [slachtoffer 2] met een mes in de borst althans schouder(streek), in elk geval in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer 2] met een mes in de borst althans schouder(streek), in elk geval in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans indien ter zake al het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 2] met een mes in de borst althans schouder(streek), in elk geval in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tenlastelegging bij gevoegde strafzaak met parketnummer: 04/860027-11

hij in of omstreeks de periode van 10 tot en met 11 januari 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend zijn levensgezellin, althans een persoon, te weten [slachtoffer 3], meermalen, althans eenmaal, gewelddadig aan de haren heeft getrokken en/of heeft geslagen, waardoor genoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 26 juli 2011 gevorderd dat

de ten laste gelegde feiten 1 primair en 2 primair onder parketnummer 04/804048-11 en het onder parketnummer 04/860027-11 ten laste gelegde feit bewezen zullen worden verklaard.

Met betrekking tot feit 1 primair onder parketnummer 04/804048-11 stelt de officier van justitie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1]. De officier van justitie onderbouwt zijn standpunt met de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Deze getuigen verklaren alle drie dat er door toedoen van verdachte op 14 en 15 februari 2011 een ruzieachtige sfeer heerste in de woning van [getuige 1]. [getuige 1] verklaart dat verdachte op het slachtoffer afsprong en [getuige 2] ziet dat verdachte met zijn hoofd 30 tot 40 centimeter van het hoofd van [slachtoffer 1 is verwijderd, terwijl [slachtoffer 1] nog steeds op de bank zit. De officier van justitie voert daarbij tevens aan dat verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie het gebaar van een stekende beweging maakte. Het verhaal van verdachte dat het een ongeluk, ‘spielerei’ was, acht de officier van justitie volstrekt onaannemelijk.

Wat betreft feit 2 onder parketnummer 04/804048-11 stelt de officier van justitie dat sprake is van een poging moord op het slachtoffer [slachtoffer 2]. De officier van justitie voert aan dat de Hoge Raad het voor het aannemen van voorbedachte raad voldoende acht dat de verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op zijn besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan, dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daar rekenschap van heeft gegeven. De officier van justitie onderbouwt zijn standpunt dat verdachte die gelegenheid heeft gehad met de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Verdachte kwam uit de keuken met een mes in zijn handen en vroeg of hij [slachtoffer 2] moest steken. Over de wijze van steken stelt de officier van justitie dat het mes in de rechterschouder is gestoken, rechtstandig van boven naar beneden ter hoogte van het sleutelbeen. Een steek iets meer richting hals zou volgens de officier van justitie ongetwijfeld de halsslagader hebben geraakt. Het toedienen van een dergelijke messteek brengt daarom levensbedreigende risico’s met zich mee. De officier van justitie is van mening dat de steek was bedoeld om [slachtoffer 2] te doden en dat verdachte door zijn handelen in ieder geval welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.

Met betrekking tot het feit onder parketnummer 04/860027-11 stelt de officier van justitie dat verdachte [slachtoffer 3] heeft mishandeld. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte, de aanvullende verklaring van het slachtoffer en de bekennende verklaring van verdachte zelf.

De verdediging heeft zich met betrekking tot parketnummer 04/804048-11 op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten 1 primair en 2 primair en subsidiair. Het onder feit 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen. Ook het feit dat is ten laste gelegd onder parketnummer 04/860027-11 kan wettig en overtuigend worden bewezen verklaard.

Wat betreft de dood van [slachtoffer 1] (feit 1, parketnummer 04/804048-11) stelt de raadsman dat de centrale vraag is of verdachte al dan niet in voorwaardelijke zin het opzet had om [slachtoffer 1] te doden. De raadsman stelt dat verdachte een goede verhouding had met getuige [getuige 2] en met [slachtoffer 1]. Er was geen ruzie en geen meningsverschil. Noch [getuige 2], noch getuige [getuige 1] heeft gehoord dat [slachtoffer 1] en verdachte ruzie kregen. Bovendien stelt de raadsman dat het uiterst moeilijk is om een objectieve reconstructie te maken aan de hand van de verklaringen van alle betrokkenen. Allen hadden veel bier gedronken en drugs gebruikt. Het is een feit van algemene bekendheid dat personen onder invloed van alcohol en drugs niet de meest betrouwbare getuigen zijn. De raadsman is van mening dat de opzet op de dood niet bestond, maar dat er sprake is van een ongeval, een dramatische samenloop van omstandigheden. Het overlijden van het slachtoffer is het gevolg van onvoorzichtig handelen van verdachte door het mes in de buurt te brengen van [slachtoffer 1]. Daarmee heeft verdachte zich willens en wetens bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar letsel zou kunnen oplopen met de dood als mogelijk gevolg. De raadsman concludeert daarom dat sprake is geweest van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met als gevolg de dood van [slachtoffer 1] (feit 1, subsidiair). Die conclusie wordt volgens de raadsman ondersteund door het feit dat het slachtoffer niet meteen is overleden door de messteek, maar door fors bloedverlies. Dat heeft geleid tot een opstapeling van bloed in het hartzakje, dat het hart heeft belemmerd om te kloppen. Deze harttamponade verklaart het overlijden.

Wat betreft het tweede feit onder parketnummer 04/804048-11 stelt de raadsman dat uit de gedragingen van verdachte niet kan worden geconcludeerd dat verdachte handelde met voorbedachte rade. Uit de verklaringen van zowel slachtoffer [slachtoffer 2] als getuige [slachtoffer 3] blijkt dat er geen sprake is van kalm beraad en rustig overleg. Voor getuige [slachtoffer 3] was het zelfs alsof verdachte in een vlaag van verstandsverbijstering handelde. Bovendien had verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer 2]. Er was namelijk sprake van een gerichte actie, het steken in de rechterarm/schouder van het slachtoffer. Daarbij heeft verdachte zich niet willens en wetens bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood van [slachtoffer 2] zou intreden. De handelwijze van verdachte kan volgens de raadsman daarom ook niet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag (feit 2 subsidiair). Er is geen medisch rapport waaruit blijkt dat [slachtoffer 2] de kans heeft gelopen om als gevolg van het steken te overlijden. Uit niets blijkt het (bijna) raken van vitale delen van het lichaam van [slachtoffer 2]. Gelet op de uiterlijke omstandigheden van dit geval is er slechts sprake geweest van een steekbeweging, waarbij de kans op de koop toe is genomen dat er ernstig letsel zou worden toegebracht

Over de mishandeling (parketnummer 04/860027-11) zegt de raadsman dat verdachte dit feit erkent.

7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 primair (poging tot moord) en subsidiair (poging tot doodslag) onder parketnummer 04/804048-11 is ten laste gelegd. De rechtbank acht op grond van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting niet bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad op de dood van slachtoffer [slachtoffer 2] en evenmin dat hij de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.

In zijn aangifte verklaart slachtoffer [slachtoffer 2] dat verdachte met een mes in zijn hand uit de keuken kwam. Het slachtoffer zat in een stoel en zag dat verdachte zijn arm gebogen had met de vuist richting de schouder en het mes met de steekzijde in zijn richting. Verdachte zei daarbij iets in de trant van ‘moet ik steken?’. Hij stond achter de stoel waarin het slachtoffer zat. Volgens het slachtoffer stak verdachte het hele lemmet blindelings in zijn schouder tot aan het heft. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bewust een bistromes heeft gepakt en [slachtoffer 2] bewust in de rechterschouder heeft gestoken. Hij wilde het slachtoffer bang maken en hem een waarschuwing geven. Verdachte was kwaad omdat het slachtoffer zich bemoeide met de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 3]. Verdachte verklaart met het mes in zijn linkerhand in de rechterschouder van [slachtoffer 2] te hebben gestoken omdat hij daar geen grote schade kon aanrichten. Verdachte geeft ter terechtzitting tevens aan dat hij had nagedacht en bewust een klein mes uit de besteklade had gekozen.

De rechtbank concludeert dat het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm niet was gericht op het doden van [slachtoffer 2]. In het dossier bevindt zich een foto waarop de positie van het litteken - dat volgens [slachtoffer 2] is veroorzaakt door het steekincident waarvan hij aangifte heeft gedaan - op de rechterschouder is te zien. Deze plek bevindt zich op de plaats waar het sleutelbeen aan de schouder vastzit. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet zo dicht bij vitale delen in het lichaam dat er sprake kan zijn van een aanmerkelijke kans op de dood. Verdachte dient daarom van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder parketnummer 04/804048-11 ten laste gelegde feit 1 primair en 2 meer subsidiair en het onder parketnummer 04/860027-11 ten laste gelegde feit heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Feit 1 onder parketnummer 804048-11, de doodslag op [slachtoffer 1]

Op dinsdag 15 februari 2011 rond 1.30 uur krijgen verbalisanten van de noodhulpsurveillance in het district Venlo van de regionale meldkamer de oproep om naar het adres [adres getuige 1] te gaan. Vanaf dit adres had de ambulancedienst een persoon aan de 112-telefoon die aangaf dat er iemand was neergestoken. Rond 1.40 uur komen de verbalisanten gelijktijdig met de ambulance ter plaatse. In de woonkamer treffen zij op de grond een gewonde man aan. De bewoner van het adres, getuige [getuige 1], zegt dat het slachtoffer [slachtoffer 1] heet. De politiemensen en het ambulancepersoneel verlenen hulp aan het slachtoffer en trachten hem te reanimeren. Omstreeks 2.00 uur moeten de ambulancebroeders melden dat het slachtoffer kennelijk is overleden. Rond 2.40 uur stelt de forensisch arts vast dat het slachtoffer is overleden. Op 17 februari 2011 delen de ouders van [slachtoffer 1] de politie mee dat zij het lichaam van hun zoon hebben herkend.

Dr. P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak van de dood van [slachtoffer 1]. Zijn sectierapport d.d. 31 maart 2011 wijst uit dat rechts aan de borst van het slachtoffer een letsel is aangetroffen, recent bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld, zoals op te lopen door steken met een mes. Bij sectie werden aanwijzingen gevonden dat het veroorzakend voorwerp eenzijdig snijdend is, bijvoorbeeld een eenzijdig snijdend mes. Er is een steekkanaal van maximaal circa 10 cm. lengte dat door de borstholte heen reikt tot door de lichaamsslagader. Dit steekkanaal heeft geleid tot fors bloedverlies. De opstapeling van bloed in het hartzakje heeft het hart belemmerd te kloppen, wat ook wel een harttamponade wordt genoemd en het overlijden zondermeer verklaart.

Getuige [getuige 2] wordt door de politie als getuige gehoord en verklaart onder meer:

“Op maandag 14 februari 2011 ben ik rond 22.30 uur naar de woning van [getuige 1] aan de [adres getuige 1] gegaan. Ik kwam daar samen met [slachtoffer 1] en [verdachte]. We hadden zelf wat bier meegenomen, ik schat dat we allemaal ongeveer vijf à zes halve liters blikbier gedronken hebben. [verdachte] was opgefokt. Dat was hij de hele dag al. Zowel [slachtoffer 1] als ik hadden al twee dagen met [verdachte] opgetrokken en toen deed [verdachte] heel normaal, maar de maandag 14 februari was hij al de hele dag gestrest. Met [slachtoffer 1] heeft hij die middag een paar keer liggen bekvechten. Toen wij ’s avonds bij [getuige 1) zaten, deed [verdachte] dus weer zo opgefokt. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat [verdachte] zich zat te ergeren over het feit dat [slachtoffer 1] met zijn telefoon aan het spelen was. [slachtoffer 1] zei toen dat hij dat zelf wel zou uitmaken. Ik ben daar toen tussengekomen. Ik heb ze gezegd dat ze zich moesten gedragen. [verdachte] ging echter gewoon door. Op een gegeven moment ben ik naar de wc gegaan. Toen ik terugkwam, seinde [getuige 1 mij dat het niet goed was. Ik heb vervolgens [verdachte] vriendschappelijk om de nek gepakt en hem gevraagd wat er aan de hand was en waarom het toch zo nodig was om zo de hele dag al te reageren. Terwijl [getuige 1 en ik naar de computer keken en met de rug naar [slachtoffer 1] en [verdachte] zaten, hoorde ik plotseling dat [verdachte] zei: ‘Dit doe je me dus nooit meer.’ Dit zei hij op een hele agressieve en dreigende toon. Hij sprak redelijk luid en op een hoge toon. Ik draaide mij om. Ik zag toen dat [verdachte] met zijn bovenlichaam een paar centimeter boven [slachtoffer 1] was. Hun hoofden waren toen nog naar schatting 30 tot 40 centimeter van elkaar verwijderd. Ik zag dat [verdachte] nog met zijn voeten achter de salontafel stond en dat de tafel nog tussen hen in stond. [slachtoffer 1] zat nog steeds op de bank. Ik zag dat [verdachte] met zijn lichaam omhoog kwam. Ik hoorde toen een harde plof op de salontafel en ik zag dat er een mes op lag. Ik zag dat [slachtoffer 1] onder het bloed zag. Het mes lag open op tafel.”

[getuige 1] wordt door de politie als getuige gehoord. Hij verklaart onder meer:

[getuige 2), “ [verdachte] en [slachtoffer 2] kwamen maandag 14 februari 2011 weer op bezoek. Toen [getuige 2], [verdachte] en [slachtoffer 1] binnenkwamen, merkte ik al dat er een beetje spanning hing. [verdachte] was [slachtoffer 1] aan het kleineren. Ik zat later op de avond achter de computer. Ik hoorde dat [verdachte] tegen [slachtoffer 1] schreeuwde, wat weet ik niet. Ik keek op dat moment om en zag dat [verdachte] over de salontafel heen vloog en [slachtoffer 1] bij zijn keel pakte. Ik zag dat [getuige 2] naar de twee toerende en aan de zijde waar eerder [verdachte] zat ging staan. [getuige 2] probeerde [verdachte] bij [slachtoffer 1] weg te trekken. Ik zag dat [verdachte] op dat moment weer terug aan zijn kant van de tafel stond. Ik keek naar [slachtoffer 1] en ik zag bloed op zijn borst. Toen de politie er was, zag ik een mes op mijn salontafel liggen en dat er bloed aan het mes zat.”

De rechtbank concludeert op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dat niet is komen vast te staan dat verdachte in de nacht van 14 op 15 februari 2011 de bedoeling had om [slachtoffer 1] te doden. Wel staat vast dat verdachte is opgestaan en met een mes op het slachtoffer is afgegaan. De beweegredenen van verdachte blijven echter onduidelijk. De rechtbank concludeert aan de hand van de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting dat verdachte niet weet waarom hij op het slachtoffer afging. Verdachte zoekt zelf naar mogelijke verklaringen voor de fatale gebeurtenis en probeert zijn handelen achteraf uit te leggen of betekenis te geven. Verdachte geeft ter zitting aan dat hij het zelf ook niet weet, aan het zoeken is en dat de vraag naar het waarom van zijn handelen misschien altijd onbeantwoord zal blijven. Hij vertelt dat hij niet onder woorden kan brengen wat hij wel en wat hij niet heeft gedaan en daarvoor moet afgaan op de verklaringen van anderen. Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat niet is vast te stellen dat verdachte het volle opzet had op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank echter wel dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood van het slachtoffer. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] beschrijven beiden dat er die avond een geprikkelde sfeer hing en dat verdachte een ‘opgefokte houding’ had. Getuige [getuige 2] heeft verdachte daar op aangesproken. Onder de gegeven omstandigheden, te weten die opgefokte houding en een agressieve en dreigende toon in de richting van het slachtoffer, is verdachte van zijn stoel opgesprongen en met een mes op [slachtoffer 1] afgegaan die tegenover hem op de bank zat. De rechtbank merkt op dat beide getuigen weliswaar verschillend verklaren over de vraag of verdachte over of om de salontafel heen op het slachtoffer afvloog, maar de beantwoording van die vraag is niet relevant. Vaststaat immers dat verdachte opsprong, met een mes op de zittende [slachtoffer 1] afging, hem ermee in de borst heeft gestoken en dat [slachtoffer 1] aan de gevolgen daarvan is overleden. De rechtbank concludeert dat door zo te handelen verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden en dat de gedraging van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer was gericht op de dood van [slachtoffer 1] dat verdachte die aanmerkelijke kans op het overlijden ook heeft aanvaard. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij zou zijn gestruikeld. Die verklaring wordt immers weersproken door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Bovendien is deze lezing van het gebeuren te beschouwen als een verklaring achteraf van verdachte in een poging uit te leggen wat er eigenlijk is voorgevallen, omdat verdachte zelf - zoals hij ter zitting heeft verklaard - ook niet meer weet wat er precies is gebeurd.

Feit 2 onder parketnummer 04/804048-11, de zaak [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft bij de politie aangifte gedaan in verband met een steekpartij op 12 maart 2010 in de woning van [slachtoffer 3] in Venlo. Hij verklaart:

“Op 12 maart 2010 gaf ik [verdachte] voor de eerste keer commentaar. [verdachte] en (slachtoffer 3) hadden weer ruzie. [verdachte] ging meteen door het lint. Hij stond op en rende naar de keuken. Ik zag en hoorde de lade van het keukenbestek op de grond vallen. [verdachte] kwam terug met een mes. Ik zat in de stoel en zag dat [verdachte] zijn arm gebogen had met de vuist richting de schouder en het mes met de steekzijde in mijn richting. [verdachte] zei iets tegen mij in de trant van: ‘moet ik steken?’ Hij stak het hele lemmet blindelings in mijn schouder tot aan het heft.

Ter terechtzitting heeft verdachte de volgende verklaring afgelegd:

“Het was de zoveelste keer dat [slachtoffer 2] zich bemoeide met de relatie die ik met mijn vriendin heb. Ik wilde hem daarom bang maken en waarschuwen. Ik heb doelbewust een bistromes gepakt en heb hem met het mes in mijn linkerhand in zijn rechterschouder gestoken. Daar kon ik geen grote schade aanrichten.”

Met betrekking tot het wapen bevindt zich een proces-verbaal met foto in het dossier:

Dit betreft een soortgelijk mes als tijdens het steekincident op 12 maart 2010 is gebruikt. Op de foto is te zien dat het een gekarteld, zogenaamd ‘bistromes’ betreft met een lemmet van ongeveer 12 centimeter.

In het dossier bevindt zich een medische verklaring van de GGD Limburg Noord over het letsel van slachtoffer [slachtoffer 2]:

Het gaat om een steekverwonding aan de voorzijde van de rechterschouder van ongeveer 2 centimeter ter hoogte van het sleutelbeen.

In haar vrijspraakoverwegingen hierboven heeft de rechtbank reeds geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder dit feit primair en subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde, de poging om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft immers een gekarteld mes met een lemmet van circa 12 centimeter in de schouder van het slachtoffer gestoken. Daarmee heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Feit 1 onder parketnummer 04/860027-11, de mishandeling van [slachtoffer 3]

Gelet op de aangifte van [slachtoffer 3] bij de politie , de aanvullende verklaring van aangeefster , de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 juli 2011 en de medische verklaring omtrent het letsel van het slachtoffer acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met die uitzondering dat de rechtbank partieel vrijspreekt van het bestanddeel ‘levensgezellin’ in de tenlastelegging. De rechtbank verwijst daarbij naar de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] die over verdachte spreekt als haar ex-vriend ten tijde van de mishandeling.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

parketnummer 04/804048-11

1. primair

hij op 15 februari 2011 te Belfeld opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] met een mes in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. meer subsidair

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 2] met een mes in de schouder heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 04/860027-11

hij in de periode van 10 tot en met 11 januari 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] eenmaal gewelddadig aan de haren heeft getrokken en meermalen heeft geslagen, waardoor genoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

t.a.v. 04/804048-11 feit 1 primair:

doodslag;

t.a.v. 04/804048-11 feit 2 meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

t.a.v. 04/860027-11 feit 1:

mishandeling.

Het misdrijf onder feit 1 is strafbaar gesteld bij artikel 287 Wetboek van Strafrecht, het misdrijf onder feit 2 bij artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht en het misdrijf onder feit 3 bij artikel 300 Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Psychiater H.E.M. van Beek heeft omtrent de geestvermogens van verdachte op 18 mei 2011 een rapportage uitgebracht. De deskundige geeft hierin aan dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van ADHD (overwegend onoplettendheid type) , alcohol- en amfetamineafhankelijkheid en aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis. Deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens was er ook ten tijde van het plegen van alle tenlasteleggingen en beïnvloedden de gedragskeuzes van verdachte en gedragingen ten tijde van de tenlasteleggingen zodanig dat zij daaruit mede kunnen worden verklaard. Door zijn ADHD is verdachte rusteloos en impulsief, wat versterkt wordt door zijn stemmingsschommelingen en behoefte aan externe structuur behorend bij de borderline persoonlijkheidsstoornis. Bij het levensdelict (feit 1) speelden alcohol en amfetamine een rol en bij feit 2 speelden alcohol, speed en heroïne een rol, waardoor een verdere ontremming van verdachte kon plaatsvinden. De deskundige adviseert om verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten.

Psycholoog A.F.J.M. Zwegers heeft op 16 juni 2011 omtrent de geestvermogens van verdachte gerapporteerd. De deskundige geeft aan dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van ADHD, afhankelijkheid van alcohol en amfetamine en van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit was eveneens aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling waren zodanig van invloed dat het ten laste gelegde daaruit gedeeltelijk kan worden verklaard. Wat de ten laste gelegde mishandeling betreft, is het aannemelijk dat de impulsiviteit vanuit ADHD van oorzakelijke betekenis was. Vanuit de borderline persoonlijkheidsstoornis kampt verdachte met stemmingslabiliteit en is hij sterk omgevingsafhankelijk. Wat betreft het levensdelict is het eveneens aannemelijk dat verdachte’s impulsiviteit vanuit ADHD mede zijn gedrag heeft bepaald. Het gebrek aan innerlijke stabiliteit en de gebrekkige mogelijkheden om zichzelf te begrenzen, zullen ook medebepalend zijn geweest. Verder is het aannemelijk dat alcohol en amfetamine een belangrijke rol hebben gespeeld. Deze overwegingen gelden ook ten aanzien van feit 2. De deskundige adviseert om verdachte in relatie tot de ten laste gelegde feiten te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

Beide deskundigen komen niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 26 juli 2011 met betrekking tot de op te leggen straf en maatregel bij een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 primair onder parketnummer 04/804048-11 en het feit onder parketnummer 04/860027-11 gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en daarnaast oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De officier van justitie geeft aan de maatregel te baseren op de rapportages van de deskundigen die verdachte verminderd toerekeningsvatbaar achten en TBS met dwangverpleging adviseren.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde gevangenisstraf aangevoerd dat hij uitgaat van een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en dat hij 10 jaar gevangenisstraf buitensporig vindt. De raadsman vindt dat de vordering tot het opleggen van de maatregel TBS met dwangverpleging moet worden afgewezen en dat bekeken dient te worden of een TBS met voorwaarden tot de reële mogelijkheden behoort. Volgens de raadsman zou een behandeling onder voorwaarden die binnen afzienbare tijd aanvangt, passend zijn. Meer subsidiair bepleit de raadsman een aanzienlijk lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft gevorderd met een voorwaardelijk deel waarin de behandeling in een forensische psychiatrische kliniek wordt geïncorporeerd.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Met één messteek heeft verdachte een eind gemaakt aan het leven van de slechts 24-jarige [slachtoffer 1], die op het moment van het delict nagenoeg weerloos was. Op geen enkele manier is duidelijk geworden of verdachte een reden voor deze daad had. Ook verdachte zelf, bij uitstek degene die het had kunnen weten, heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij op [slachtoffer 1] is afgegaan. De dood van [slachtoffer 1] is het gevolg geweest van een willekeurige en zinloze actie van verdachte. Verdachte heeft met zijn impulsieve daad niet alleen de dood van [slachtoffer 1] veroorzaakt, maar ook de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar veel leed en verdriet aangedaan. De moeder van [slachtoffer 1] heeft tijdens de terechtzitting verwoord hoe haar gezin heeft toegeleefd naar de dag van de zitting die mogelijk zicht zou geven op de laatste momenten van het leven van hun zoon en broer en hun vragen zou beantwoorden. Sommige vragen zullen echter nooit worden beantwoord. Zij heeft naar voren gebracht hoe haar gezin in de eerste periode na het overlijden van [slachtoffer 1] diepe pijn, verslagenheid en machteloosheid voelde. Nu proberen zij de draad weer op te pakken. De nabestaanden zullen moeten leven met het moeilijk te accepteren gegeven dat [slachtoffer 1] op deze manier om het leven is gekomen. De doodslag op het slachtoffer, die zoals ter terechtzitting is gebleken verdachte ook niet onberoerd heeft gelaten, heeft daarnaast een schok teweeggebracht in de (lokale) gemeenschap.

Bij het bepalen van de straf betrekt de rechtbank ook de andere feiten, de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en de mishandeling van [slachtoffer 3]. In een schriftelijke verklaring die ter terechtzitting is voorgelezen door de voorzitter van de rechtbank beschrijft [slachtoffer 2] de gevolgen van het steekincident op zijn leven. Hij lijdt onder onrustige gedachten over hoe veel slechter het met hem had kunnen aflopen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op dergelijke agressieve wijze reageert, zoals de deskundigen ook aangeven, en er niet voor terugdeinst om mensen in zijn naaste omgeving iets aan te doen.

De rechtbank houdt ook rekening met hetgeen de deskundigen in hun rapportages naar voren hebben gebracht en waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de delicten. Er was sprake van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte. Verdachte lijdt aan ADHD, wat gepaard gaat met een gebrekkige impulsbeheersing. Daarnaast is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen concluderen dat de persoonlijkheidsstoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens nog steeds aanwezig zijn en nog niet zijn behandeld, evenals de verslavingsproblematiek van verdachte. Er is sprake van een gebrek aan probleeminzicht, van middelengebruik, impulsiviteit en vijandigheid en verdachte kan zich moeilijk inleven in anderen. Concluderend wordt gesproken van een verhoogd risico op gewelddadig gedrag. Beide deskundigen stellen dat als verdachte na een eventuele detentie onbehandeld in de samenleving terugkeert, het risico onverminderd groot is. Zij adviseren een klinische behandeling in het kader van TBS met dwangverpleging, aangezien de behandeling meerdere jaren zal kunnen gaan duren en dient plaats te vinden in een beveiligde omgeving. Bovendien zijn behandelingen in het verleden voor bijvoorbeeld ADHD onvoldoende van de grond gekomen. Volgens de deskundigen zal behandeling in een vrijwillig kader ook daarom weinig kans op succes hebben en is een gedwongen kader noodzakelijk.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank houdt tevens rekening met een reclasseringsadvies voor TBS met dwangverpleging. De rapporteur conformeert zich aan het advies van de psycholoog en de psychiater. De reclassering rapporteert dat verdachte in de periode voorafgaand aan het levensdelict geruime tijd hulp heeft gehad van verschillende instanties en onder toezicht van de reclassering stond. De reclassering schat het risico dat verdachte zich onttrekt aan voorwaarden hoog in, omdat verdachte in het verleden zijn afspraken niet nakwam. Hulp en toezicht hebben nieuwe delicten niet weten te voorkomen. Zonder een intensieve en langdurige begeleiding zal verdachte, aldus de reclassering, het tij niet weten te keren.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op vorenstaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar gepast is. De rechtbank acht een dergelijke sanctie geboden in het licht van het leed dat aan de nabestaanden is aangedaan en de schok die aan de lokale gemeenschap is toegebracht. De rechtbank legt een lagere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde tien jaar, omdat er sprake is van een andere bewezenverklaring. De officier van justitie ging uit van een poging tot moord op slachtoffer [slachtoffer 2], maar de rechtbank acht een poging tot zware mishandeling bewezen. Daarnaast speelt voor de rechtbank de omstandigheid dat verdachte in zowel de zaken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen boos opzet had, maar voorwaardelijk opzet.

De bevindingen van de deskundigen over de problematiek van verdachte en de recidivekans, de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt, maken naar het oordeel van de rechtbank naast de gevangenisstraf de oplegging van TBS met dwangverpleging noodzakelijk. Tijdens de terechtzitting is de rechtbank gebleken dat verdachte geen enkel inzicht heeft in zijn beweegredenen. Hieruit leidt de rechtbank af dat het voor verdachte niet duidelijk is wanneer hij zich weer in de gevarenzone bevindt en een gevaar vormt voor de veiligheid van andere mensen. Verdachte kampt met een ziektebeeld op basis waarvan kan worden gesteld dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist en verdachte heeft strafbare feiten gepleegd, gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, die het opleggen van de maatregel toestaan.

Een TBS met voorwaarden zoals door de raadsman verzocht, is niet aan de orde. Niet alleen omdat daarmee niet voldoende waarborgen worden geboden voor de beveiliging van de samenleving en het welslagen van de noodzakelijke behandeling van verdachte, maar ook omdat de op te leggen gevangenisstraf hoger zal zijn dan de wettelijke toegestane vijf jaar in combinatie met voorwaardelijke TBS.

10.4. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De moeder van het slachtoffer, [naam benadeelde partij] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het ten laste gelegde feit geleden materiële schade. Haar echtgenoot,(naam benadeelde partij) , heeft zich bij die vordering aangesloten. De schade is gesteld op een bedrag van € 6.778,51 en de benadeelde partij wil de schade vergoed krijgen. Het betreft de kosten van de uitvaart van [slachtoffer 1] en de kosten die zijn gemaakt voor het aanbrengen van nieuwe sloten op de woning, omdat de sleutels die het slachtoffer van zijn ouderlijk huis had, zoek zijn geweest. De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 26 juli 2011 gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen met oplegging van de schademaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en 68 dagen vervangende hechtenis.

De verdediging geeft aan dat verdachte zich geheel refereert aan het oordeel van de rechtbank over de vordering, waarbij zij aantekent dat de schade als gevolg van het aanbrengen van nieuwe sloten niet is veroorzaakt door verdachte. Verdachte is immers niet verantwoordelijk voor het wegraken van de sleutels.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 6.778,51. Wat betreft de kosten van de sloten overweegt de rechtbank dat verdachte de sleutels weliswaar niet heeft meegenomen, maar dat de sleutels zijn kwijtgeraakt in de hectische situatie die is ontstaan als gevolg van het handelen van verdachte, zodat de kosten voor vervanging kunnen worden opgevat als rechtstreeks gevolg van zijn handelen. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Gelet op het vorenstaande zal de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 6.778,51.

Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over € 6.778,51 te rekenen vanaf 15 februari 2011 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan de verdachte de verplichting opleggen te betalen aan de Staat een bedrag van € 6.778,51 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 15 februari 2011 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag, te betalen ten behoeve van [naam benadeelde partij] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Srafrecht art. 9, 10, 27, 36f, 37a, 37b, 45, 287, 300, 302.

12. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van 152 uur voorwaardelijke werkstraf. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke werkstraf dient te worden afgewezen, nu deze werkstraf niet meer op zijn plaats is in de context van de op te leggen gevangenisstraf en maatregel.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 04/804048-11 ten laste gelegde feit 2 primair en subsidiair heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 04/804048-11 ten laste gelegde feit 1 en feit 2 meer subsidiair en het onder parketnummer 04/860027-11 ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaar;

beveelt dat de tijd door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel:

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] tot een bedrag van € 6.778,51;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [naam benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 6.778,51 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 15 februari 2011 tot de dag der algehele voldoening;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 6.778,51 subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [naam benadeelde partij], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 15 februari 2011 tot de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat de subsidiaire hechtenis ook van toepassing is op de vervallen rentetermijnen;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6778,51 ten behoeve van voornoemde benadeelde partij daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.B.T.G. Steeghs, W. Brouwer en P.M.S. Dijks, van wie

mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Feuth als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van rechtbank op 9 augustus 2011.