Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BR4244

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
05-08-2011
Zaaknummer
AWB 10/1535
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW1573, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college heeft aan initiatiefnemer vrijstelling verleend voor het starten van toeristisch-recreatieve voorzieningen op zijn perceel. Initiatiefnemer heeft tot 2003 een kalkoenhouderij geëxploiteerd. Eisers perceel grenst aan het perceel van initiatiefnemer. Eiser exploiteert thans een kalkoenhouderij. De door hem aangevoerde gronden hebben – onder meer – betrekking op de lucht- en geuraspecten van de vrijstelling.

Deze twee beroepsgronden slagen, het beroep is dan ook gegrond. Ten eerste had verweerder in de ruimtelijke onderbouwing aandacht moeten besteden aan de vraag of ten gevolge van de uitstoot van fijn stof door eiser op het perceel van initiatiefnemer nog sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit geval is een luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk.

Ten tweede heeft verweerder ten onrechte de vaste afstand van artikel 3, tweede lid, van de Wgv gehanteerd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10 / 1535

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2011 in de zaak tussen

[eiser], te Beesel, eiser

(gemachtigde: A.A.T. Stoffels),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Beesel, verweerder

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder], te Beesel

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2010 heeft verweerder vrijstelling verleend aan

[vergunninghouder] ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

[vergunninghouder] (hierna: initiatiefnemer) is in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.W. Engelen en ing. R.M.M. Lange. Initiatiefnemer is niet verschenen.

Overwegingen

1. Op 14 februari 2008 heeft initiatiefnemer een aanvraag ingediend om vrijstelling te verkrijgen van het bestemmingsplan “Buitengebied” op het perceel kadastraal bekend gemeente Beesel, [kadastraalnummer], plaatselijk bekend gemeente Beesel, [straatnaam] te Beesel ten behoeve van het realiseren van toeristisch-recreatieve voorzieningen. Dit perceel heeft als bestemmingen ‘agrarisch gebied met landschappelijke waarden’ en ‘agrarisch bouwblok’. De toeristisch-recreatieve voorzieningen zijn in strijd met deze bestemmingen. Initiatiefnemer exploiteert sinds 2005 – na een principebesluit van verweerder – een bed & breakfast op het perceel. Er zijn twee kamers en er is ruimte voor maximaal vier personen. Initiatiefnemer is van plan om als vertrekpunt te fungeren voor gethematiseerde wandel- en fietsroutes en om op kleinschalig niveau workshops te organiseren onder het motto ‘creatief en actief, in en met de natuur’. De kunstenaars die deze workshops geven, krijgen de gelegenheid om hun objecten te exposeren op het perceel van initiatiefnemer. Ten behoeve van deze plannen zal initiatiefnemer twintig parkeerplaatsen aanleggen, toiletvoorzieningen inrichten en kleinschalige terras- en horecafaciliteiten aanbieden. Ook zal initiatiefnemer negen kampeerplaatsen inrichten.

2. Verweerder heeft een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hierin is gerefereerd aan het toeristisch beleidsplan van de gemeente Beesel, in welk plan is neergelegd dat het agrotoerisme wordt gestimuleerd. Tevens is het beleid gericht op het verbeteren van routegebonden recreatie en het koppelen van bestaande voorzieningen aan het knooppuntennetwerk voor fietsen. Het initiatief zou hierbij goed aansluiten. De agrarische activiteiten op het perceel zijn afgenomen en er zijn gebouwen leeg komen te staan. De geplande activiteiten passen – zo is geconcludeerd in de ruimtelijke onderbouwing – binnen het bestaande bouwblok en binnen de bestaande bebouwing.

3. Op 4 maart 2010 heeft verweerder een ontwerpbesluit genomen, waarin het voornemen is neergelegd om conform de aanvraag vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Hierover heeft eiser een zienswijze ingediend. Eiser is de buurman van initiatiefnemer en exploiteert een intensieve kalkoenhouderij. Verweerder heeft een standpunt ingenomen op de zienswijzen, hetgeen niet heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerpbesluit. Op 24 augustus 2010 hebben Gedeputeerde Staten verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Vervolgens heeft verweerder op 13 september 2010, op 20 september 2010 verzonden aan eisers gemachtigde, vrijstelling verleend aan initiatiefnemer.

4. Op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier relevant, kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling van het geldende bestemmingsplan worden verleend, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De rechtbank is niet gebleken dat niet aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlenen van een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan. Dit brengt mee dat verweerder (materieel) bevoegd was om de vrijstelling te verlenen, mits komt vast te staan dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Eiser heeft over de ruimtelijke onderbouwing vier beroepsgronden aangevoerd.

Agrarisch bedrijf

5. In de eerste plaats heeft eiser in beroep betoogd dat de ruimtelijke onderbouwing niet deugt, omdat ervan wordt uitgegaan dat initiatiefnemer een agrarisch bedrijf exploiteert. De teelt van enkele hectares landbouwgewas is dermate marginaal dat op basis daarvan – aldus eiser – niet kan worden staande gehouden dat er nog steeds sprake is van een agrarische activiteit, laat staan van een hoofdactiviteit. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangehaakt bij deze veronderstelde, bestaande agrarische activiteit. De vraag of sprake is van een agrarisch bedrijf is volgens eiser relevant, aangezien de kampeerplekken zijn toegestaan op basis van de geldende agrarische bestemming. Nu geen sprake is van een agrarisch bedrijf, ontbreekt ook de planologische grondslag voor het inrichten van de kampeerplekken, aldus eiser.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een gebiedsgerichte benadering maatgevend is. Aangezien initiatiefnemer een agrarisch bedrijf exploiteert, is het niet nodig om voor de kampeerplekken vrijstelling te verlenen. Het exploiteren van maximaal vijftien kampeerplekken is namelijk toegestaan als sprake is van een koppeling met het agrarisch bedrijf. In het verweerschrift heeft verweerder hierop aangevuld dat voor de vrijstelling een functionerend agrarisch bedrijf niet noodzakelijk is. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat wel degelijk sprake is van akkerbouwactiviteiten. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder stukken overgelegd van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie waaruit hij afleidt dat initiatiefnemer een agrarisch bedrijf exploiteert.

7. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt en overweegt daartoe als volgt. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat initiatiefnemer werkzaam is als agrariër. Dat hij zijn agrarische activiteiten de laatste jaren heeft afgebouwd en hierdoor zijn inkomsten uit agrarisch bedrijf zijn verminderd doet daar niet aan af.

Geluid

8. In de tweede plaats heeft eiser aangevoerd dat het aspect geluid onvoldoende is onderzocht en dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt ontoereikend is. Verweerder stelt weliswaar dat de voorgenomen activiteiten weinig invloed hebben op het omgevingsgeluid, maar heeft aan dit standpunt ten onrechte geen onderzoek ten grondslag gelegd. Verweerder geeft aan dat bij overschrijding van de normen handhaving kan plaatsvinden, maar verweerder geeft niet aan welke normen daarbij gehandhaafd worden, aldus eiser.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorgenomen activiteiten weinig invloed hebben op het omgevingsgeluid. In het verweerschrift heeft verweerder hierop aangevuld dat de geluidsnormen uit de melding in het kader van het Besluit landbouw nog van kracht zijn. Deze normen kunnen worden gehandhaafd. Voor de aangevraagde activiteiten kan worden volstaan met een melding in het kader van het Besluit algemene regels milieubeheer (Activiteitenbesluit). De geluidsvoorschriften van dit besluit zijn vergelijkbaar met die van het Besluit landbouw.

10. De rechtbank is van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van het geluidsaspect voldoende is. Verweerder heeft met juistheid geconcludeerd dat de normen met betrekking tot geluid zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Uit het Activiteitenbesluit vloeit voor initiatiefnemer of verweerder niet de verplichting voort om een akoestisch onderzoek te overleggen. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 maart 2011, LJN: BP6315) dient de vraag of het project voldoet aan de krachtens het Activiteitenbesluit te stellen geluidsnormen te worden bezien in een procedure ingevolge de Wet milieubeheer. Thans kan slechts de vraag aan de orde zijn of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de vrijstelling niet kan worden verleend, omdat ernstig moet worden getwijfeld of initiatiefnemer kan voldoen aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsnormen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd vindt de rechtbank geen grond voor een dergelijk oordeel. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat verweerder op dit punt het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrijstelling onder de voorwaarde is verleend dat het gebruiken van apparaten enkel in de werkplaats kan plaatsvinden, inpandig met gesloten deuren en ramen, waarbij het gebruik beperkt dient te zijn van 10.00 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 15.00 uur. Indien initiatiefnemer zich niet zou houden aan deze voorwaarde, kan eiser een verzoek tot handhaving indienen bij verweerder en is verweerder in beginsel verplicht tegen de desbetreffende overtreding op te treden.

Luchtkwaliteit

11. In de derde plaats heeft eiser aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van de luchtkwaliteit eraan voorbij is gegaan dat de toeristische voorziening is geprojecteerd in de nabijheid van eisers intensieve veehouderij. Verweerder heeft, aldus eiser, ten onrechte het aspect van de milieuzonering niet betrokken in haar beoordeling. Eiser vreest dat er ook voor zijn bedrijf nadelige gevolgen zijn, aangezien door de vrijstelling delen van het perceel van vrijstellinghouder toegankelijk worden voor het algemene publiek. Dit kan beperkingen voor eisers bedrijfsvoering met zich meebrengen, zeker indien zou blijken dat ter plaatse van de nieuwe, voor fijn stof gevoelige objecten, de wettelijke normen worden overschreden.

12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van de aangevraagde activiteiten zelf er geen negatieve gevolgen zijn voor de luchtkwaliteit. De aangevraagde activiteiten hebben wel een verkeersaantrekkende werking, hetgeen een toename van de emissie van fijn stof en stikstofdioxide zou kunnen veroorzaken. Op basis van de uitgevoerde berekening heeft verweerder geconcludeerd dat er geen sprake is van overschrijding van een grenswaarde. Eisers vrees dat hij maatregelen zou moeten nemen als gevolg van de voorgenomen activiteiten op de locatie [straatnaam] is niet terecht. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de milieuzonering van eisers intensieve kalkoenhouderij wel degelijk in de beoordeling is meegenomen. Leidraad hierbij is de brochure “Bedrijven en milieuzonering” geweest, waarbij aansluiting is gezocht bij de categorie opfokkippen en mestkuikens. De bijbehorende afstand voor stof is dertig meter, hetgeen in de onderhavige situatie wordt gehaald. Volledigheidshalve heeft verweerder bij het verweerschrift een berekening van de uitstoot van fijn stof gemaakt van eisers bedrijf. Uit deze berekening blijkt dat wordt voldaan aan de norm voor fijn stof, aldus verweerder. Er dient niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer, omdat geen vergunningaanvraag voor een veehouderij aan de orde is. Een goed woon- en leefklimaat op de locatie van initiatiefnemer is gewaarborgd, zodat er planologische medewerking kan worden verleend, zo heeft verweerder geconcludeerd.

13. Eiser heeft op deze door verweerder overgelegde berekening gereageerd bij brief van 28 april 2011. Volgens eiser ontstaan door het initiatief diverse gevoelige objecten op het perceel. Op één van de gevoelige objecten wordt de jaargemiddelde norm van 40 microgram/m3 overschreden. Ook wordt het aantal toegestane overschrijdingsdagen fors overschreden. Eiser verwijst hierbij naar een rapport, opgesteld door Arvalis. Het door verweerder ingebrachte rapport is volgens eiser onjuist op diverse punten. Er is niet uitgegaan van de vergunde situatie, de gehanteerde maten zijn onjuist en de berekening van verweerder geeft, aldus eiser, geen inzicht in concentraties en overschrijdingsdagen.

14. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat op het perceel van initiatiefnemer geen activiteiten worden ontplooid die van invloed zijn op de luchtkwaliteit. De verkeersberekening is evenmin in geding. Partijen zijn verdeeld over de vraag in hoeverre verweerder rekening moet houden met het fijn stof dat wordt geproduceerd door eisers bedrijf.

15. Enkel in het besluit gevoelige bestemmingen kan worden afgeleid in welke gevallen de vestiging van een nieuwe bestemming wordt beperkt. Het doel van het besluit gevoelige bestemmingen is te voorkomen dat mensen met een verhoogde gevoeligheid in specifieke, nieuwe situaties worden geconfronteerd met een luchtkwaliteit die niet voldoet aan de grenswaarden. Het plan van initiatiefnemer valt niet onder het besluit gevoelige bestemmingen, hetgeen ook niet in geschil is. In zoverre is er dan ook geen expliciete, wettelijke verplichting waaruit volgt dat verweerder rekening dient te houden met de luchtkwaliteit.

16. Dit betekent echter niet dat verweerder bij het onderhavige project de luchtkwaliteit buiten beschouwing kan laten. Verweerder dient in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing aandacht te besteden aan de luchtkwaliteit op het perceel van initiatiefnemer, temeer nu eiser nadrukkelijk op dit punt heeft gewezen. Dit is nodig, zodat verweerder zich ervan kan verzekeren dat op het perceel van initiatiefnemer een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Door het bestreden besluit neemt het aantal objecten waarmee in het kader van de luchtkwaliteit rekening moet worden gehouden toe op het perceel van initiatiefnemer. De rechtbank zoekt hier aansluiting bij artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat op voor het publiek toegankelijke plekken de luchtkwaliteit moet worden beoordeeld. Als aannemelijk is dat op de nieuwe, voorheen uitgezonderde objecten de grenswaarden (mogelijk) worden overschreden, dan kan dit een reden zijn de vrijstelling te weigeren of enkel te verlenen onder bepaalde voorwaarden.

17. Het is aan verweerder om ook op dit punt zorg te dragen voor een goede ruimtelijke onderbouwing. Over de wijze waarop verweerder hieraan invulling geeft of de relevante aspecten onderzoekt, beschikt verweerder over een grote vrijheid.

18. De rechtbank constateert echter dat in de ruimtelijke onderbouwing geen aandacht is besteed aan dit punt. Verweerder is evenmin hierop ingegaan in het bestreden besluit of bij de bespreking van de zienswijzen. De rechtbank is van oordeel dat reeds hierom geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Verweerder was derhalve niet bevoegd om vrijstelling te verlenen.

19. De rechtbank zal vervolgens onderzoeken of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. In dat kader is hetgeen verweerder heeft opgemerkt in het verweerschrift van belang. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat wel degelijk rekening is gehouden met de milieuzonering van eisers bedrijf. Verweerder heeft hierbij aansluiting gezocht bij de normen uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Verweerder heeft hiermee niet volstaan, maar er eveneens voor gekozen om een luchtkwaliteitsberekening te maken. Hieruit volgt, aldus verweerder, dat wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit. Eiser komt echter tot een tegenovergestelde conclusie aan de hand van een door hem ingebracht luchtkwaliteitsonderzoek. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de vergunde situatie – waarvan eiser uitgaat in zijn berekening – achterhaald is ten opzichte van de feitelijke situatie, waarvan verweerder uitgaat. In de feitelijke situatie zijn de emissiepunten zodanig aangepast, dat deze voor minder uitstoot van fijn stof zouden zorgen.

20. Ter zitting hebben partijen de rechtbank uitdrukkelijk verzocht om een oordeel te geven over de vraag of een luchtkwaliteitsberekening nodig is. Daargelaten of een luchtkwaliteitsonderzoek altijd nodig is bij een vrijstelling als thans in het geding, is het in de onderhavige zaak noodzakelijk. Thans liggen er immers luchtkwaliteitsonderzoeken voor, waarvan de conclusies tegenstrijdig zijn. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om na te gaan welke van de twee rapporten juist is. De rechtbank beschikt niet over de vergunning, noch over gegevens met betrekking tot de feitelijke situatie en niet over de terzake benodigde specifieke deskundigheid. In het kader van de finale geschilbeslechting zou het toepassen van een bestuurlijke lus – zodat verweerder zijn besluit nader kan motiveren – of het inschakelen van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening een logische stap zijn. Partijen hebben echter ter zitting naar voren gebracht dat, als een nieuw luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk zou zijn, ze er de voorkeur aan geven om met elkaar om de tafel te gaan zitten. De rechtbank zal derhalve het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om – met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen – een nieuw besluit te nemen.

Geur

21. In de vierde plaats heeft eiser aangevoerd dat verweerder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) op onjuiste wijze toepast. Verweerder hanteert ten onrechte een vaste afstand van vijftig meter. Uit artikel 3, tweede lid, van de Wgv volgt immers dat de vaste afstand van vijftig meter alleen geldt als het geurgevoelige object deel heeft uitgemaakt van de veehouderij. Daarvan is in het geval van vrijstellinghouder geen sprake nu de veehouderij al lang is beëindigd terwijl de toeristisch-recreatieve activiteiten nog moeten worden opgestart. Artikel 14, leden 2 en 3, van de Wgv zijn volgens eiser evenmin van toepassing. Dit artikel hangt namelijk samen met de sloop van voormalige veestallen, maar initiatiefnemer gaat juist de oude stallen gebruiken voor een ander doel. De normale geurberekening van artikel 3, eerste lid, van de Wgv moet worden uitgevoerd. Naast het aspect van de omgevingskwaliteit op de locatie van initiatiefnemer, vreest eiser beperkingen voor zijn bedrijfsvoering als delen van gebouwen verworden tot geurgevoelige objecten. Eiser heeft een geurberekening overgelegd waaruit hij afleidt dat de wettelijke norm ruimschoots wordt overschreden.

22. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten niet vallen binnen de geurcontour van het naastgelegen agrarische bedrijf. De voormalige kalkoenstallen op het perceel van initiatiefnemer zijn inderdaad geurgevoelige objecten in het kader van de Wgv. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wgv dient de afstand tussen eisers bedrijf en een geurgevoelig object ten minste vijftig meter te bedragen. Op

19 maart 2000 was sprake van een veehouderij op de locatie van initiatiefnemer, zodat uit artikel 3, tweede lid, van de Wgv volgt dat een vaste afstand van vijftig meter mag worden gehanteerd.

23. Tussen partijen is hiermee in geschil of verweerder de vaste afstand van artikel 3, tweede lid, van de Wgv heeft mogen hanteren.

Artikel 3, tweede lid, van de Wgv luidde in het wetsontwerp in eerste instantie als volgt:

In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij:

a. binnen de bebouwde kom ten minste 100 meter;

b. buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter.

In de Memorie van Toelichting (Twee Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30453, nr. 3) bij voornoemd artikel is hierover het volgende opgenomen:

“De beperkte bescherming van de objecten is gekoppeld aan hun aanwezigheid op de veehouderij. Dat betekent dat indien de objecten geen onderdeel meer uitmaken van de veehouderij, het algemene beschermingsniveau uit artikel 3, van toepassing is, voorzover uiteraard de gemeenteraad voor het gebied geen andere waarde heeft gesteld.”

24. Vervolgens heeft Van der Vlies een amendement ingediend (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30453, nr. 20), waarin hij heeft voorgesteld om artikel 3, tweede lid, aan te passen. Dit amendement is aangenomen, waardoor artikel 3, tweede lid, van de Wgv thans luidt als volgt:

In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:

a. binnen de bebouwde kom ten minste 100 meter;

b. buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter.

Bij dit amendement heeft Van der Vlies de volgende toelichting gegeven:

“De voorgestelde regeling voorziet erin dat geurgevoelige objecten zoals agrarische bedrijfswoningen en recreatiefaciliteiten die onderdeel zijn geweest van veehouderijbedrijven geen zwaardere bescherming krijgen doordat de veehouderijactiviteiten worden beëindigd. Ter bevordering van een eenduidige regeling wordt aangesloten bij de regelgeving dienaangaande voor de reconstructiegebieden. Hierdoor wordt bereikt dat ontwikkeling van veehouderijbedrijven niet wordt beperkt door bedrijfsbeëindiging van nabijgelegen veehouderijbedrijven. De bedrijfsbeëindiging is immers niet toe te rekenen aan een naburig veehouderijbedrijf. Bovendien zal door de betreffende bedrijfsbeëindiging de geurbelasting in het gebied doorgaans verminderen.”

“In artikel 3 van het wetsvoorstel is reeds geregeld dat een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij een lager beschermingsniveau heeft. Aan deze bepaling kan eenvoudig en eenduidig worden toegevoegd dat een dergelijk geurgevoelig object dat lage beschermingsniveau behoudt wanneer het een zogenoemde burgerwoning wordt of na 19 maart 2000 een burgerwoning is geworden.”

Tijdens de Kamerbehandeling van de Wgv (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30453, nr. 23) heeft Van der Vlies het volgende gezegd over zijn amendement:

“In artikel 3 van de nieuwe Wet geurhinder en veehouderij krijgt een bedrijfswoning geurbescherming door een vaste afstand van 50 m, maar wanneer die woning een burgerwoning wordt, geldt deze vaste afstand niet meer en wordt deze een gewoon geurgevoelig object. Dit heeft tot gevolg dat vrijwel iedere veehouder bezwaar zou moeten maken tegen een eventuele functieverandering van zijn buurmanveehouder, omdat zijn uitbreidingsmogelijkheden in het geding kunnen zijn. Dat is een zeer ongewenste ontwikkeling. Functieverandering is immers aan de orde van de dag. (…) Met dit wetsvoorstel lijkt het Pact van Brakkestein door het kabinet niet voldoende te worden gerespecteerd. Indertijd heeft de regering de harde toezegging gedaan dat woningen die in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling worden gebouwd, of zouden worden afgesplitst van agrarische bedrijven, niet voor extra geurgevoeligheid zouden gaan zorgen. In het wetsvoorstel gebeurt dat nog niet, althans zeker niet voldoende. Daarom heeft mijn fractie op de valreep nog een amendement ingediend (…)”

25. De rechtbank is van oordeel dat in de tekst van artikel 3, tweede lid, van de Wgv geen aanknopingspunt te vinden is voor de uitleg van verweerder. De wettekst luidt immers “opgehouden deel uit te maken”. De kalkoenstallen hebben deel uitgemaakt van het bedrijf, maar waren toen geen geurgevoelig object. Eiser heeft er met juistheid op gewezen dat de recreatieve functie nimmer deel heeft uitgemaakt van de kalkoenhouderij, zodat ook niet kan worden gesteld dat de recreatieve activiteiten hebben “opgehouden deel uit te maken” van de kalkoenhouderij.

26. Van der Vlies heeft in de Tweede Kamer als toelichting bij zijn amendement gegeven dat het nodig was om het Pact van Brakkestein voldoende te respecteren. Met het Pact van Brakkestein hebben diverse partijen afspraken gemaakt over de kwaliteitsverbetering en revitalisering van het platteland. Hoewel wellicht betoogd zou kunnen worden dat verweerder in de geest van dit Pact – revitalisering van het platteland – heeft gehandeld, bieden zowel de tekst van de bepaling als de totstandkomingsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke, door verweerder voorgestane, ruime uitleg van de bepaling.

27. Gelet op vorenstaande overwegingen is de ruimtelijke onderbouwing ook op dit punt niet voldoende. Bij het nemen van een nieuw besluit, dient verweerder aannemelijk te maken dat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, zonder daarbij de vaste afstanden van artikel 3, tweede lid, van de Wgv te hanteren.

28. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

29. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op , hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

3 augustus 2011.

w.g. mr.mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier w.g. mr. K.M.P. Jacobs,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 augustus 2011.

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.