Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BR3508

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
04/610025-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gewoonte maken van het witwassen van door middel van valsheid in geschrift in Duitsland verkregen (dure) personenauto's en meerdere malen medeplegen van valsheid in geschrifte. Verdachte heeft personenauto's, waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren, door gebruikmaking van de naam en papieren van een bedrijf te Stevensweert en met behulp van een garagebedrijf uit Roosteren witgewassen door deze auto's met valse documenten te verkopen en in te ruilen tegen legale auto's. Beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van de redelijke termijn verworpen. Oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden en een geldboete. In verband met de schending van de redelijke termijn wordt de helft van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/610025-07

Datum uitspraak: 26 juli 2011

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres]

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 januari 2011 en 12 juli 2011.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van maart 2006 tot en met 31 juli 2007 in het arrondissement Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten

a) een personenauto, merk Audi (type A6 avant 4.2 Quattro) (zaakdossier 1)

en/of

b) een personenauto, merk BMW (type M3, Cabrio) (zaaksdossier 2)

en/of

c) een personenauto, merk Daimler Chrysler (type SLK 280) (zaaksdossier 3)

en/of

d) een camper, merk Fiat (type Frankia A 650 BD) (zaaksdossier 5)

en/of

e) een personenauto, merk Mercedes (type E 55 AMG Kombi) (zaaksdossier 6)

en/of

f) een personenauto, merk Dodge Ram Van (type SRT 10) (zaaksdossier 10)

en/of

g) een personenauto, merk BMW (type 530d Touring) (zaaksdossier 11),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

(artikel 420ter i.v.m.420bis van het Wetboek van Strafrect)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van maart 2006 tot en met 31 juli 2007 in het arrondissement Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten

a) een personenauto, merk Audi (type A6 avant 4.2 Quattro) (zaakdossier 1)

en/of

b) een personenauto, merk BMW (type M3, Cabrio) (zaaksdossier 2)

en/of

c) een personenauto, merk Daimler Chrysler (type SLK 280) (zaaksdossier 3)

en/of

d) een camper, Fiat (type Frankia A 650 BD) (zaaksdossier 5)

en/of

e) een personenauto, merk Mercedes (type E 55 AMG Kombi) (zaaksdossier 6)

en/of

f) een personenauto, merk Dodge Ram Van (type SRT 10) (zaaksdossier 10)

en/of

g) een personenauto, merk BMW (type 530d Touring) (zaaksdossier 11),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

(artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 31 januari 2007, in elk geval in het jaar 2007, in het arrondissement Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (zogenaamde) volmacht d.d. 31.01.2007 van het bedrijf [naam] gericht aan [bedrijf] (blad 1368)

en/of een rekening van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf] d.d. 31.01.2007 (blad 1367),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, - zakelijk weergegeven - valselijk in of op die volmacht (in de Duitse taal) vermeld dat [medeverdachte 1] door het bedrijf [naam] gevolmachtigd was een Range-Rover in ontvangst te nemen en de rest van de zaken af te wikkelen

en/of

valselijk in of op die rekening (in de Duitse taal) vermeld dat [naam] Handelsonderneming aan of bij [bedrijf] in rekening bracht of had verkocht of ingeruild een Audi A6 Avant 4.2. quattro voor de prijs van Euro 35.000.-

en/of

(vervolgens) die rekening valselijk heeft ondertekend,

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(zaaksdossier 1)

(artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 04 oktober 2006 tot en met 24 november 2006, in elk geval in het jaar 2006, in het arrondissement Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A (zaaksdossier 2)

een (zogenaamde) volmacht d.d. 24.11.2006 van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf] (blad 1833)

en/of

een rekening van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf] d.d. 24.11.2006 (blad 1831)

en/of

B (zaaksdossier 3)

een (zogenaamde) volmacht d.d. 04.10.2006 van Handelsonderneming [naam] gericht aan of bestemd voor [bedrijf] (blad 2108)

en/of

een rekening van Handelsonderneming [naam] gericht aan [bedrijf] d.d. 04.10.2006 (blad 2112)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, - zakelijk weergegeven - valselijk in of op die volmacht(en) (in de Duitse taal) vermeld dat [medeverdachte 1] door Handelsonderneming [naam] gevolmachtigd was de in of op die volmacht(en) vermelde (personen)auto('s) in ontvangst te nemen en af te rekenen of alle verdere handelingen af te wikkelen

en/of

valselijk in of op die rekening(en) (in de Duitse taal) vermeld dat Handelsonderneming

[naam] aan of bij (respectievelijk) [bedrijf] en/of [bedrijf] in rekening bracht of had verkocht of ingeruild een op die rekening vermelde (personen)auto('s) voor de op die rekening(en) overeengekomen prijs,

en/of

(vervolgens) die rekening(en) valselijk heeft ondertekend,

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 04 oktober 2006 tot en met 24 november 2006, in elk geval in het jaar 2006, in het arrondissement Roermond, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), te weten

A (zaaksdossier 2)

een (zogenaamde) volmacht d.d. 24.11.2006 van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf] (blad 1833)

en/of

een rekening van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf] d.d. 24.11.2006 (blad 1831)

en/of

B (zaaksdossier 3)

een (zogenaamde) volmacht d.d. 04.10.2006 van Handelsonderneming [naam] gericht aan of bestemd voor [bedrijf] (blad 2108)

en/of

een rekening van Handelsonderneming [naam] gericht aan [bedrijf] d.d. 04.10.2006 (blad 2112)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij (telkens) echt en onvervalst,

immers heeft verdachte die volmacht(en) en/of rekening(en) (telkens) overhandigd aan of ter beschikking gesteld van [medeverdachte 1]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

valselijk in of op die volmacht(en) (in de Duitse taal) was vermeld dat [medeverdachte 1] door Handelsonderneming [naam] gevolmachtigd was de in of op die volmacht(en) vermelde (personen)auto('s) in ontvangst te nemen en af te rekenen of alle verdere handelingen af te wikkelen

en/of

valselijk in of op die rekening(en) (in de Duitse taal) was vermeld dat

Handelsonderneming [naam] aan of bij (respectievelijk) [bedrijf] en/of [bedrijf] in rekening bracht of had verkocht of ingeruild een op die rekening vermelde (personen)auto('s) voor de op die rekening(en) overeengekomen prijs

en/of

(vervolgens) die rekening(en) valselijk was/waren ondertekend;

(artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de maand september 2006, in elk geval in het jaar 2006, in het arrondissement Roermond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een (zogenaamde) volmacht d.d. 07 september 2006 van Handelsonderneming [naam] (blad 2615)

en/of

een (zogenaamde) afspraakbevestiging van Handelsonderneming [naam] gericht aan [naam] (blad 2614)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, - zakelijk weergegeven - valselijk

in of op die volmacht (in de Duitse taal) vermeld dat [naam] door de firma [naam] gevolmachtigd was om bij [bedrijf] in (plaats) een Range-Rover Stormer in ontvangst te nemen en alle financiële handelingen af te wikkelen

en/of

in of op die afspraakbevestiging (in de Duitse taal) vermeld dat door Handelsonderneming [naam] in verband met de koop van een Range Rover Stormer de bescheiden van een Mercedes werden gefaxt,

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(zaaksdossier 6)

(artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 07 september 2006, in elk geval in of omstreeks de maand september 2006 in het arrondissement Roermond, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een valse of vervalste

(zogenaamde) volmacht d.d. 07 september 2006 van Handelsonderneming [naam] (blad 2615)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen-, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

immers heeft verdachte die volmacht overhandigd aan of ter beschikking gesteld van [naam]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

valselijk in of op die volmacht (in de Duitse taal) was vermeld dat [naam] door de firma [naam] gevolmachtigd was om bij [bedrijf] in [plaats] een Range-Rover Stormer in ontvangst te nemen en alle financiële handelingen af te wikkelen

en/of

die volmacht valselijk was ondertekend. (zaaksdossier 6)

(artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft met een verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 9 november 2004, LJN AR3050, aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk behoort te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad stelt in dit arrest dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn waarbinnen de strafzaak wordt behandeld, wat betreft de berechting in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. In deze zaak is de termijn aangevangen door de inverzekeringstelling van verdachte op 28 februari 2007. Sindsdien zijn reeds ruim vier jaar verstreken, hetgeen niet aan verdachte of de verdediging valt te verwijten. Verdachte heeft zich weliswaar onttrokken aan een verhoor, maar namens hem heeft de verdediging aangeboden dat hij, onder de garantie dat hij na het verhoor zou kunnen terugkeren naar Duitsland, zou willen verschijnen. Over dit vrijgeleide is met het openbaar ministerie geen overeenstemming verkregen.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is aangevangen door de inverzekeringstelling van verdachte op 28 februari 2007 en dat sedertdien een onredelijk lange termijn is verstreken. Anders dan de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat dit in het onderhavige geval niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de opgelegde straf. De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep van de raadsman.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 juli 2011 gevorderd dat het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair onder d is ten laste gelegd.

Uit het dossier blijkt dat verdachte weliswaar in het bezit is geweest van papieren die betrekking hebben gehad op de in de tenlastelegging vermelde camper, merk Fiat, type Frankia A 650 BD, maar niet dat hij de camper zelf daadwerkelijk heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen. De bijzonderheid dat nou net verdachte’s advocaat bij de politie navraag doet of voormelde Fiat camper zorgeloos aangekocht zou kunnen worden kan niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte de camper voorhanden heeft gehad.

De verdachte moet daarom van dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Samenvatting van de bewijsmiddelen

Algemeen

[naam] heeft verklaard dat hij wel eens voor [medeverdachte 2] in de garage te [plaats] heeft gewerkt. Dat deed hij sinds maart 2006. [medeverdachte 2] had hem verteld dat hij een auto voor [verdachte] moest verkopen. [verdachte] verkocht de auto zelf niet omdat [medeverdachte 2] een autobedrijf had en als [medeverdachte 2] de auto verkocht dan was dat meer vertrouwd dan als [verdachte] de auto als particulier zou verkopen. [medeverdachte 2] kon ook facturen maken van het bedrijf, dus dan leek het echt. Het gebeurde vaker dat [medeverdachte 2] auto’s voor [verdachte] verkocht. De auto’s kwamen uit het buitenland en waren daar gehaald door [verdachte]. Vervolgens verkocht [medeverdachte 2] of [verdachte] deze auto’s weer naar Duitsland. Het waren meestal duurdere auto’s die [verdachte] bracht. Ook de schoonzoon van [verdachte], die in [plaats] woont, kwam vaker auto’s brengen. De werkwijze was dat [verdachte] een “slechte” auto in het buitenland ging halen dan wel liet halen en deze dan weer inruilde in Duitsland voor een “eerlijke”. Met slechte auto bedoelt hij een auto waar men niet eerlijk aangekomen was. Achteraf heeft hij gehoord dat [verdachte] deze slechte auto’s kocht middels niet gedekte of valse cheques. Dit heeft hij gehoord van [naam]. Die vertelde hem dat ze dat op zo een manier deden. Dat gebeurde in de periode van maart 2006 tot het moment dat [medeverdachte 2] door de politie werd aangehouden.

Met betrekking tot de onderneming [naam] :

- Door [naam] werd van een persoon, genaamd [naam], een pand gehuurd aan [adres]. De onderneming werd op 14 juli 2005 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Doel van de onderneming was: detailhandel in gebruikte bouwmaterialen en reinigen van auto’s en plezierjachten. Op 20 september 2005 werd de bedrijfsomschrijving gewijzigd in: Handel in tweedehands auto’s en tweedehands automaterialen. Op 1 november 2005 werd het vestigingsadres gewijzigd in: [adres]

- [naam] heeft verklaard dat hij samen met [naam] naar de Nederlandse Kamer van Koophandel in Roermond is gegaan. [naam] gaf daar aan dat [naam] een bedrijf wilde laten inschrijven dat zich bezig zou houden met het reinigen van plezierjachten en tweedehands auto-onderdelen. Dit bedrijf zou gevestigd worden op het adres [adres]. Dit was een idee van [naam] of van [verdachte]. [naam] heeft het inschrijfgeld betaald en een kopie van het legitimatiebewijs van [naam] aan de Kamer van Koophandel overhandigd. [naam] heeft geen werkzaamheden in de onderneming verricht. Voordat hij naar de Kamer van Koophandel ging heeft hij zijn legitimatiebewijs aan [naam] gegeven om daar kopieën van te maken. In een tankstation werden vijf kopieën gemaakt. Die heeft hij allemaal aan [naam] gegeven. [naam] wilde meerdere kopieën hebben omdat hij deze misschien nog vaker nodig zou hebben.

- [naam] , wonende te [adres], heeft verklaard dat [verdachte] hem gevraagd heeft om met [naam] naar de Kamer van Koophandel te gaan. De bedrijfsomschrijving “detailhandel in gebruikte bouwmaterialen, het reinigen van auto’s en plezierjachten” is door [verdachte] aan [naam] medegedeeld. Het was zijn idee. [verdachte] had [naam] geld beloofd indien [naam] op zijn naam een bedrijf zou laten inschrijven. [verdachte] wilde gebruik maken van dit bedrijf. [naam] heeft met de Kamer van Koophandel contact gehad om de doelstelling te wijzigen.

[verdachte] maakte gebruik van de onderneming en hij heeft [naam] verteld dat hij auto’s op naam van [naam] heeft gekocht. Hij kocht dan de auto’s BTW-vrij in Duitsland.

- [verdachte] heeft verklaard dat hij [naam] enkele jaren eerder geholpen heeft bij het opstarten van een bedrijf. Hij heeft [naam] jaren geleden leren kennen via [naam]. Hij heeft [naam] de raad gegeven dat hij zich moest laten inschrijven als handelsonderneming in tweedehands auto’s en onderdelen. Hij heeft hem het adres van [naam] voor de onderneming aan de hand gedaan. Het is mogelijk dat [naam] daar nog nooit geweest is.

Hij heeft [naam] gevraagd of hij de bedrijfsgegevens mocht gebruiken om zodoende de BTW te omzeilen bij de aankoop van auto’s. Ook heeft hij uit naam van het bedrijf [naam] gehandeld. [naam] weet zelf niets van deze aankopen af. Hij heeft [naam] geld gegeven als die daar om vroeg. Hij heeft zich bij verschillende autobedrijven voorgedaan als medewerker van de firma [naam]. Hij heeft gebeld met de autobedrijven. Hij heeft briefpapier van [naam] gehad. Ook heeft hij van [naam] een kopie gehad van stukken van de Kamer van Koophandel en een kopie van zijn identiteitskaart.

Ten aanzien van feit 1a en feit 2 (Audi A6)

Op 13 november 2006 doet [naam] aangifte bij de Duitse politie te(plaats). Op 8 november 2006 levert [naam], wonende te [adres] een personenauto, merk Audi, type A6 Avant 4.2 Quattro, voorzien van het voertuigidentificatienummer [nummer], af aan [bedrijf] te [adres]. Dit naar aanleiding van een telefonische overeenkomst met [naam]. De koopprijs bedroeg

€ 54.900,-. Het takelbedrijf leverde de auto op de parkeerplaats van chauffeurscafé “[naam]” te [adres] af aan een onbekende man. [naam] werd bij de aflevering betaald met een cheque die met een bankgarantie gegarandeerd was. De cheque zat in een enveloppe van de Postbank. Achteraf bleek de cheque en de bankgarantie valselijk te zijn opgemaakt. [naam] ontving niet de afgesproken koopprijs.

Door de Duitse politie werd op 30 januari 2007 telefonisch doorgegeven dat op 26 januari een melding was binnengekomen van autohandelaar [naam] van [bedrijf] te [adres] dat zich bij dat bedrijf een Nederlandse autohandelaar had gemeld met de naam [naam], wonende [adres]. [naam] was geïnteresseerd in een Range Rover Sport ter waarde van € 57.990,-- en wilde hierbij een Audi A6, Avant 4.2 Quattro Kombi inruilen. Overeengekomen werd dat de Audi een waarde zou vertegenwoordigen van € 35.000 en dat de rest bijbetaald zou worden. Vervolgens werd een kopie van het kentekenbewijs van de Audi naar [naam] gefaxt. Bij controle bleek [naam] dat het chassisnummer van deze Audi gesignaleerd stond en [naam] waarschuwde de politie. [naam] zou op 31 januari 2007 om 08.30 uur met de Audi naar [adres] komen.

Die dag werden de bestuurder [naam] en de bijrijder [medeverdachte 1] van de autoambulance aangehouden.

[naam] verklaart dat hij op verzoek van een Duitse man de auto naar [adres] wilde brengen. Hij zou dat samen met [naam], de schoonzoon van die man doen. De Audi stond op het terrein van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] reed de auto op de autoambulance. Aldaar kreeg [naam] van die Duitse man een tasje.

[medeverdachte 1] verklaart dat hij op weg was om een auto in te ruilen. Hij had hiertoe bij het autobedrijf van [medeverdachte 2] opdracht gekregen van [verdachte], zijn schoonvader. Tevens had hij van [verdachte] een map gekregen met daarin een machtiging en een geldbedrag van ca. € 13.000,--.

[verdachte] verklaart dat hij [medeverdachte 1] heeft gevraagd om een Audi A6 Avant naar de [bedrijf] in [adres] te brengen en in te ruilen voor een Range Rover Sport. € 13.800,-- zou bijbetaald moeten worden. De € 13.800,-- en het bestelformulier heeft hij aan [medeverdachte 1] gegeven.

In het dossier bevindt zich een factuur van handelsonderneming [naam] aan [bedrijf] van 31 januari 2007 (DOC 01). Deze factuur houdt onder meer de volgende tekst in:

“- als briefhoofd: [naam] Handelsonderneming;

- als geadresseerde: [bedrijf], [adres]

- plaats en datum: [plaats], 31.01.2007;

- betreft: Rechnung

- Typ: Audi A6 Avant 4.2 Quattro

- Fahrgestell: [nummer];

- Netto Betrag: € 35.000,--

- Hochachtungsvoll, [naam].”

Het document is voorzien van een handtekening.

[naam] verklaart dat hij dit document nooit gezien heeft. Hij heeft het niet opgemaakt en de handtekening niet gezet.

[verdachte] verklaart dat de factuur betrekking heeft op de Audi A6. De factuur is opgemaakt bij [naam] in de woning. [verdachte] heeft die getypt op de typemachine. Bij de naam [naam] heeft hij getekend. Het formulier is de rekening voor de [bedrijf]. Hij heeft het op 31 januari 2007 aan [medeverdachte 1] meegegeven.

In het dossier bevindt zich een volmacht voor [medeverdachte 1] afkomstig van de onderneming [naam] (DOC 02). De volmacht houdt onder meer de volgende tekst in:

“Bedrijf: [naam], [adres]

Datum: 31.01.2007

Vollmacht für [medeverdachte 1].

Hiermit bevollmachtige Ich den [medeverdachte 1] um für mich im empfang zu nehmen ein Range-Rover, und die restliche geschäfte abzuwickeln. Betr.: Fahrzeug Range Rover TDF6HSE.

Hochachtungsvoll, [naam].”

Het document is voorzien van een handtekening.

[medeverdachte 1] verklaart dat hij een machtiging meekreeg van zijn schoonvader [verdachte]. De machtiging was van de firma [naam] en daarop stond dat hij namens die firma gemachtigd was voor het afhalen van een auto en voor het geld.

[verdachte] verklaart dat de volmacht er betrekking op had dat [medeverdachte 1] dit mocht regelen. Hij heeft de volmacht opgemaakt om [medeverdachte 1] te “volmachtigingen”. Hij heeft dit getekend en meegegeven aan [medeverdachte 1]. Dat heeft hij in de woning van [naam] gedaan. Hij heeft die opgemaakt op 30 januari 2007.

[naam] verklaart dat hij dit document nooit gezien heeft. Hij heeft het niet opgemaakt en de handtekening niet gezet. Hij kent geen [medeverdachte 1].

Ten aanzien van feit 1b en feit 3A (BMW M3).

Op 16 november 2006 doet [slachtoffer 3] te [adres] aangifte ter zake van oplichting door middel van een valse cheque. [slachtoffer 3] bood zijn personenauto, BMW type M3 Cabrio, via internet te koop aan. Op 2 november 2006 werd de auto door [naam] voor een bedrag van € 53.500,-- gekocht. Dit bedrag zou via een cheque, die door middel van een bankgarantie gegarandeerd zou zijn, betaald worden. Op 9 november 2006 werd door een transporteur aan [slachtoffer 3] de cheque overhandigd. Op 16 november 2006 kreeg [slachtoffer 3] van zijn bank bericht dat de cheque niet in orde was.

Uit van de Duitse politie ontvangen stukken blijkt dat op 30 april 2007 voor de BMW M3 het Duitse kenteken [kenteken] was afgegeven, dat op naam stond van [naam]. Diens zoon [naam] had de auto gekocht bij [bedrijf]) voor € 49.000,--.

[naam] van [bedrijf] heeft verklaard dat de BMW M3 bij een koop van een BMW 535 Diesel Touring was ingeruild. De BMW M3 werd vervolgens verkocht aan [naam] . De BMW 535 werd door [bedrijf] verkocht aan [naam]. Het contact was via internet tot stand gekomen en verliep verder per telefoon. [naam] stuurde twee mannen. Zij brachten de BMW M3 naar [bedrijf] in (plaats) en namen de BMW 535 mee.

Door [bedrijf] werden de volgende documenten ter beschikking gesteld:

-een rekening m.b.t. de levering van de BMW 535 aan [naam] t.b.v. € 53.000 d.d. 24-11-2006;

-een overnameformulier van de BMW 535D Touring (DOC 670);

-een kopie van het rijbewijs van [medeverdachte 1];

-een bestelformulier m.b.t. de BMW 535 door [naam] d.d. 23-11-2006; (DOC 672);

-een faxbericht van [bedrijf] voor [naam] met faxnummer [nummer] van Shell-Tankstation te [plaats];

-een rekening van [naam] aan [bedrijf] m.b.t. de BMW M3 Cabrio ad € 38.000 d.d. 24-11-2006 (DOC 667);

-een volmacht van [naam] voor [naam] (DOC 669).

De rekening van [naam] aan [bedrijf] (DOC 667) houdt onder meer in:

-“als briefhoofd: [naam] Handelsonderneming, [adres];

-als geadresseerde: [bedrijf], [adres]

-plaats en datum: [plaats], 24.11.2006;

-betreft: Rechnung für:

-BMW-M3 Cabrio sportpaket

-KFZ. Idnr. [nummer]

-Baujahr: 06.2005

-Wie vereinbart für den preis von: Netto Betrag: € 38.000,--

-Hochachtungsvoll, Geschäftsfuhrer [naam].”

[naam] heeft verklaard dat hij dit geschrift nog nooit gezien heeft. Het document is valselijk opgemaakt.

De volmacht van [naam] voor [medeverdachte 1] (DOC 669) houdt onder meer in:

-“Als briefhoofd: [naam] Handelsonderneming, [adres]

-Datum: 24.11.2006

-Betreft: Vollmacht

-Hiermit bevollmachtigen wir den [medeverdachte 1]. um für uns im empfang zu nehmen und alle weitere handlungen abzuwickeln, das nachvolgendes Fahrzeug: BMW 535 Touring, Silber Matalic.

-Hochachtungsvoll, Geschäftsführer [naam].”

Het geschrift is voorzien van een handtekening.

[naam] verklaart dat hij dit document nog nooit gezien heeft. Hij kent geen [medeverdachte 1]. Hij heeft dit document niet opgemaakt en niet ondertekend. Het document is valselijk opgemaakt.

[naam] verklaart ten aanzien van het bestelformulier (DOC 672) voorts dat hij nooit een BMW 535d Touring heeft besteld. Hij kent het bedrijf [bedrijf] niet. Hij heeft dit document nog nooit gezien. Hij heeft het document niet opgemaakt en niet ondertekend. Het is valselijk opgemaakt.

Op 31 januari 2007 werden twee mannen nabij de grensovergang Maalbroek aangehouden. Zij reden in een autoambulance die beladen was met een personenauto Audi A6 die in Duitsland door middel van bedrog was verkregen. De bestuurder betrof [naam] en de bijrijder [medeverdachte 1].

De autoambulance was uitgerust met navigatieapparatuur, merk TomTom Go 500. In de TomTom was het adres [adres] ingevoerd. Het apparaat was eigendom van [naam]. Deze verklaarde dat hij het apparaat wel eens uitleende aan [naam], [medeverdachte 2], [verdachte] en [naam]

[medeverdachte 1] verklaart dat hij vier keer voor [verdachte] (de rechtbank leest [verdachte]) een transport heeft uitgevoerd. Als hij daar binnen kwam, moest hij zijn legitimatiebewijs en zijn paspoort afgeven en hij moest dan het geld betalen dat hij had meegekregen. Dat zat in een map die hij altijd van zijn schoonvader [verdachte] had gekregen. Als hij terugkwam waren daar altijd [medeverdachte 2], zijn schoonvader [verdachte], [naam] die als chauffeur meereed en hij. [medeverdachte 1] verklaart voorts dat hij altijd gemachtigd was om de auto te kopen of in te ruilen en dat de firma of de naam [naam] op de machtiging stond. Verder verklaart hij dat hij de machtigingen bij de garagebedrijven moest achterlaten.

[naam] was bij zijn aanhouding in het bezit van een briefje met “[bedrijf], [adres], [nummer], [naam]”.

Bij [medeverdachte 1] is een notitie met “[naam]” en het telefoonnummer “[nummer]” aangetroffen. Dit telefoonnummer werd ook opgegeven door degene die de BMW 535 bestelde bij [bedrijf].

Ten aanzien van feit 1 c en feit 3 B (Daimler Chrysler SLK280)

[slachtoffer 4] , wonende [adres], doet op 2 oktober 2006 aangifte van oplichting door middel van een valse cheque. Haar zoon [naam] had zijn personenauto, Daimler Chrysler SLK 280 via internet te koop aangeboden. Op 19 september 2006 had zich een man gemeld, genaamd [naam] uit [plaats]. Telefonisch werd de koop gesloten en een prijs afgesproken van € 42.300. Dit bedrag zou via een cheque met bankgarantie betaald worden. Op de zaterdag daarop (23 september 2006) werd de auto opgehaald. De cheque en de bankgarantie bleken vals te zijn.

Op 15 november 2006 bleken voor de Daimler Chrysler onderdelen te zijn besteld door de firma “[naam]” te [plaats]. Deze firma had de onderdelen besteld voor garage [naam] uit [plaats]. Bij nader onderzoek bleken de onderdelen besteld door het bedrijf “[bedrijf] te [plaats]. [plaats] bleek de auto te hebben gekocht van de firma [naam]. De Daimler Chrysler was ingeruild voor een bedrag van € 26.500,-- met bijbetaling van € 16.500,-- op een Jaguar XJ 2,7 D. De Daimler werd ingeruild door een medewerker van de firma [naam] genaamd [medeverdachte 1].

Door de heer [naam] van [bedrijf] werden de volgende bescheiden beschikbaar gesteld:

-een rekening van ‘Handelsonderneming [naam] aan [bedrijf] voor de Daimler Chrysler SLK 280, bedrag € 26.500,-- (DOC 605);

-een uittreksel KvK van [naam] (DOC 680);

-een kopie van een Belgische identiteitskaart van [naam] (DOC 681);

-een kopie van het paspoort van [medeverdachte 1] (DOC 609).

De rekening van ‘Handelsonderneming [naam] aan [bedrijf] voor de Daimler Chrysler SLK 280, bedrag 26.500,-- (DOC 605) houdt onder meer in:

-“als briefhoofd: Handelsonderneming [naam], [adres];

-als geadresseerde: [bedrijf], [adres] ;

-Datum: 04.10.2006;

-Rechnung:

-1x Daimlerchrysler (D)

-Model: SLK 280

-Farbe: Schwarz

-Fahrzeug id.nr.: [nummer]

-Vereinbarte preis: Netto Betrag: € 26.500,--.”

[naam] verklaart dat hij dit document voor het eerst ziet. Hij heeft het document niet opgemaakt of verstrekt. Het document is vals. Hij heeft nooit iets gestuurd naar dit bedrijf.

[naam] was verzocht voor zijn verhoor alle facturen, die betrekking hadden op auto’s die verkocht waren bij [medeverdachte 2], mee te nemen. Hij toonde een verkoopfactuur, afkomstig van handelsonderneming [naam], m.b.t. de Jaguar XJ V6 2.7 D Executive, d.d. 18 oktober 2006, verkoopbedrag € 47.000,--. (DOC 682) .

[naam] verklaart dat [verdachte] hem hierover belde en de volgende dag is hij naar het bedrijf van [medeverdachte 2] gegaan en heeft hij de Jaguar bekeken. [verdachte] was daar bij. Hij heeft de auto gekocht. Alle papieren en de sleutels waren aanwezig. Hij heeft de Jaguar contant betaald, waarbij hij uit handen van [verdachte] een factuur heeft gekregen van Handelsonderneming [naam]. Hij heeft de auto vervolgens verkocht aan [bedrijf]

Bij een fotoconfrontatie herkent [naam] op foto 6 de persoon die hij [verdachte] noemde. Op foto 6 staat afgebeeld [verdachte], geb. [datum] te [plaats].

[naam] verklaart dat hij de rekening (DOC 682) nog nooit gezien heeft. Hij heeft het niet opgemaakt, gebruikt of versterkt. Het document is vals. Hij ziet dat er een stempel op staat. Hij heeft nooit een stempel van het bedrijf gehad, gezien of gebruikt. Hij ziet er een paraaf op staan. Hij zet nooit een paraaf.

[naam] , verkoper bij [bedrijf] , verklaart dat het eerste contact via de heer [naam] liep. [naam] kreeg later contact omdat hij bij de verkoopafwikkeling betrokken was. Eerst liep alles via de fax. De koopovereenkomst kwam ook per fax en vervolgens werd een overdrachtdatum afgesproken. Er kwam een persoon van de firma [naam] met een volmacht. De persoon kon zich legitimeren en betaalde het resterende bedrag contant. Hij kreeg de Jaguar en liet de Daimler Chrysler bij hen staan.

[naam] legde over :

-een volmacht voor [medeverdachte 1] van handelsonderneming [naam] te [adres], om een Jaguar XJ 2.7 diesel af te halen. (DOC 380);

-een rekening van [bedrijf] voor een zilverkleurige Jaguar, type XJ, 2.7 diesel voor 43.000,-- euro, aan de firma [naam] te [plaats]. (DOC 381).

De volmacht van Handelsonderneming [naam] voor [medeverdachte 1] (DOC 380) houdt onder meer in:

-“als briefhoofd: Handelsonderneming [naam], [adres]

-Datum: 04.10.2006

-Betr.: Vollmacht für den [medeverdachte 1]

-Hiermit bevollmachtige Ich [medeverdachte 1] um bei [bedrijf] GMBH. das nachfolgende Fahrzeug im empfang zu nehmen und abzurechnen.

-Betr.: Jaguar XJ 2.70 Diesel.

-Hochachtungsvoll, [naam].“

Het geschrift is voorzien van een handtekening.

[naam] verklaart dat hij dit document nooit gezien heeft en dat hij geen [medeverdachte 1] kent. Hij heeft dit document niet opgemaakt, getekend of verstrekt. Het document is vals.

[medeverdachte 1] verklaart dat hij altijd gemachtigd was om de auto te kopen of in te ruilen en dat de firma of de naam [naam] op de machtiging stond. Voorts verklaart hij dat de garagebedrijven de machtigingen nog moeten hebben want die moest hij daar achter laten.Over de transporten die hij voor [verdachte] heeft uitgevoerd weet hij geen bijzonderheden. Totaal heeft hij vier keer een transport uitgevoerd. Als hij daar binnen kwam, moest hij zijn legitimatie en zijn paspoort afgeven en hij moest dan het geld betalen dat hij had meegekregen. Dat zat in een map die hij altijd van zijn schoonvader [verdachte] had gekregen. Als hij terugkwam waren daar altijd [medeverdachte 2], zijn schoonvader [verdachte], [naam] die als chauffeur meereed en hij.

Ten aanzien van feit 1e en feit 4 (Mercedes Benz en Range Rover)

[slachtoffer 5] doet [naam]uli 2006 namens [bedrijf] gevestigd te [adres] aangifte ter zake van oplichting door middel van een valse cheque. [naam] bood zijn auto, Mercedes type E55 AMG Kombi, VIN-nummer. [nummer], te koop aan. [naam] van hotel [naam] te [plaats] meldde zich hiervoor. De overeengekomen verkoopprijs bedroeg € 68.000,--. De koop werd bevestigd door middel van een geschrift met briefhoofd met de gegevens van het hotel. Een koerier zou naar Köln komen en deze zou een gegarandeerde cheque overhandigen. Op 14 juli 2006 werd de auto afgehaald en op 19 juli 2006 werd bericht ontvangen dat de cheque niet kon worden ingewisseld. Bij de Postbank werd medegedeeld dat de cheque niet een cheque was maar een stortingsbewijs. De koopsom werd niet betaald.

In het uit Düsseldorf ontvangen Duits dossier stond de melding van een persoon, genaamd [naam], dat bij hem op 29 augustus 2006 een Mercedes met voormeld VIN-nummer was aangeboden. Door de aanbieder werd een kopie van het serviceboekje gefaxt. [naam] vroeg nadere gegevens bij de importeur van Mercedes en daaruit bleek dat de auto op 14 juli 2006 ontvreemd was. [naam] meldde zich bij de politie en overhandigde DOC 683.

Dit geschrift, genummerd DOC 683 , betreft een handgeschreven afspraakbevestiging aan dhr. [naam], afkomstig van Handelsonderneming [naam]. De afspraakbevestiging staat op briefpapier van [naam] te [plaats] en heeft betrekking op de aankoop van een Audi Q7 waarbij een Mercedes E55 AMG zal worden ingeruild.

[naam] verklaart dat hij dit niet geschreven heeft en dat hij nooit met [naam] gesproken heeft. Hij heeft niets met deze zaak te doen en het document is vals.

Op 23 september 2006 werd de Mercedes E55 AMG bij de inreis in Zwitserland in beslag genomen. Het voertuig stond op naam van [naam]. Deze verklaarde dat hij de auto gekocht had van [bedrijf] in [plaats].

In het dossier bevinden zich de volgende documenten , zijnde faxberichten met aan het hoofd vermeld: [bedrijf]:

-“als briefhoofd: Handelsonderneming [naam], [adres]

-Datum: 04.10.2006

-een inkoopformulier van [bedrijf] met betrekking tot de Mercedes d.d. 7-9-2006. Verkoper is Handelsonderneming [naam].

-een rekening van [bedrijf] met betrekking tot een Range Rover, geadresseerd aan [naam].

-twee bestelformulieren m.b.t. de Range Rover door [naam] d.d. 5-9-2006.

-een handgeschreven afspraakbevestiging van [naam] aan de heer [naam] voorzien van een kopie van de voertuiggegevens van de Mercedes.

-een volmacht van [naam] bestemd voor [naam] om bij [bedrijf] een Range Rover in ontvangst te nemen, ondertekend door [naam] en voorzien van een kopie van een Belgische ID-kaart t.n.v. [naam].

De koopovereenkomst tussen [bedrijf] en handelsonderneming [naam] (DOC 684) vermeldt onder meer: Verkoper handelsonderneming [naam] d.d. 7-9-2006, inkoopprijs € 49.880,--. Een bedrag van € 20.000,-- dient bijbetaald te worden en een en ander wordt verrekend met de aankoop van een nieuwe auto Range Rover Sport.

[naam] verklaart dat hij dit document nooit gezien heeft. Hij heeft het niet getekend en de auto ook nooit gekocht. Het document werd vals opgemaakt.

De handgeschreven afspraakbevestiging aan dhr. [naam] afkomstig van Handelsonderneming [naam] (DOC 686) houdt onder meer in:

-“Als briefhoofd: Handelsonderneming [naam], [adres]

-[naam]

-Ivb Kauf Range Rover Stormer.

-Wie besprochen Fax wir die unterlagen Mercedes E55.AMG-Silber

-Tel. [nummer] [naam]

-Fax nr. [nummer].”

[naam] verklaart dat hij dit document nooit geschreven heeft. Het is niet zijn handschrift. Hij kent geen [naam]. Het telefoonnummer en het faxnummer kent hij niet. Het is een vals document.

De volmacht van handelsonderneming [naam] bestemd voor [naam] (DOC 687) houdt onder meer in:

-“als briefhoofd: Handelsonderneming [naam], [adres]

-Datum: 04.10.2006

-“Als briefhoofd: Handelsonderneming [naam], [adres]

-Datum: 07.09.2006

-Vollmacht

-Hiermit bevollmachtigt die Firma [naam] den Herr [naam] um bei [bedrijf] in [plaats] das Fahrzeug: Range Rover Stormer für uns im empfang zu nehmen und alle Finanziële handlungen im bezug auf dieses Fahrzeug abzuwickeln.

- Hochachtungsvoll, [naam].”

Het geschrift is voorzien van een handtekening.

[naam] verklaart dat hij het document nog nooit gezien heeft. Hij heeft het niet opgemaakt en heeft nooit iemand gemachtigd om deze auto op te halen. Het document is vals opgemaakt. Hij kent twee personen uit [plaats] met de naam (naam). De ene is ouder ca 40 jaar en de andere ca 22 jaar. Nadat hem een fotokopie van de ID-kaart (DOC 691) is getoond verklaart [naam] dat hij denkt dat dit de oudere is. Hij herkent het [adres] in [plaats] als het adres van de oudere [naam]

[naam] , wonende te [plaats] (B), verklaart dat deze volmacht in de enveloppe zat, die hem door [verdachte] werd verstrekt.

Ten aanzien van de verkoopfactuur van [naam] aan [naam] met betrekking tot de Range Rover (DOC 599) verklaart [naam] dat hij vanaf het bedrijfsterrein van [medeverdachte 2] diverse auto’s gekocht had. Een van deze auto’s betreft een Range Rover. Die had hij gekocht van een man die bij [medeverdachte 2] was en die [verdachte] heette. Hij heeft de auto van [verdachte] gekocht voor 66.000,--.

Bij een fotoconfrontatie herkent [naam] op foto 6 de persoon die hij [verdachte] noemde. Op foto 6 staat afgebeeld [verdachte], geb. [datum] te [plaats].

[naam] verklaart dat hij het geschrift nooit gezien heeft. Het is valselijk opgemaakt. De paraaf heeft hij niet gezet. Hij heeft het geld nooit ontvangen en hij heeft de auto nooit verkocht.

Ten aanzien van feit 1 f (Dodge Ram Van)

[slachtoffer 6] , wonende te [plaats] doet op 17 maart 2006 aangifte ter zake oplichting d.m.v. een valse cheque. Hij werd middels bedrog bewogen tot afgifte van zijn auto, merk Dodge Ram Van, type SRT10 ter waarde van € 59.500,--. Op 20 maart 2006 doet hij ook aangifte bij de politie Limburg Noord. [slachtoffer 6] had zijn auto via internet te koop aangeboden. Chassisnummer [nummer]. vraagprijs € 59.500,--.

Een man genaamd [naam] meldde zich. Zij kwamen overeen dat de auto opgehaald zou worden door een expeditiebedrijf. De auto zou betaald worden met een cheque met bankgarantie. Op 14 maart 2006 werd de auto door het bedrijf [bedrijf] uit [plaats] opgehaald en werd de cheque overhandigd. De auto werd afgeleverd bij het Kartcenter te Swalmen. En overgedragen aan twee personen. Op 17 maart 2006 bleek dat de bankgarantie en de cheque valselijk waren opgemaakt.

[slachtoffer 6] stelde een onderzoek in. Op aangeven van getuigen heeft hij op 26 maart 2006 zijn Dodge Ram Van bij garagebedrijf [naam] te [plaats] teruggevonden. De garagehouder [naam] verklaarde dat [medeverdachte 2], [adres] met dit voertuig bij hem aan de zaak was gekomen en hem had verzocht de keuring van de Dodge Ram Van in België te verzorgen aangezien [medeverdachte 2] niet over de benodigde Belgische handelaarplaten zou beschikken. De Dodge werd in beslag genomen en aan [slachtoffer 6] gegeven.

[slachtoffer 6] ging naar het bedrijfsterrein van [medeverdachte 2] in [plaats]. Als eerste arriveerde daarna een zilverkleurige Mercedes met kenteken(kenteken). De bestuurder reed zijn auto voor de garagedeur en sloot het toegangshek van het terrein af. Daarna reed hij weg in een zwarte Smart.

De onderneming [medeverdachte 2] wordt gedreven voor rekening van [medeverdachte 3]. Zij weet dat [verdachte] bij die Dodge betrokken was. Zij heeft vorig jaar in februari of maart gezien dat [verdachte] met die Dodge is komen aanrijden bij hun bedrijf in [plaats]. Zij weet er niets van dat [medeverdachte 2] die auto gekocht heeft. Er is geen geld van de zaak uit de kas gehaald om de auto te betalen.

Het kenteken (kenteken) was afgegeven voor een grijze Mercedes, type 320 CDI. Het kenteken was geschorst op 7 november 2006. Het stond op naam van [naam], de moeder van [verdachte]. Ambtshalve was de verbalisanten bekend dat [verdachte] gebruik maakte van auto’s die op naam van zijn moeder stonden.

[medeverdachte 2] verklaart met betrekking tot het voertuig met kenteken(kenteken) dat de eigenaren van de Dodge bij zijn vrouw [naam] aan de deur in [plaats] zijn geweest. De eigenaren waren eerst agressief en waren vergezeld van beren van mannen. [naam] heeft hem opgebeld. Hij is er naartoe gegaan. Hij reed in de Mercedes van [verdachte], die zijn auto in verband met een vakantie bij zijn bedrijf had neergezet. Er moest nog wat aan de auto gedaan worden en hij heeft de auto gebruikt.

[medeverdachte 3] verklaart dat [verdachte] in maart 2006 met de Dodge Ram Van bij hun bedrijf was aangekomen. Hij had met [medeverdachte 2]l afgesproken dat [medeverdachte 2]l voor hem dit voertuig in België zou invoeren. Eerst heeft [medeverdachte 2]l enkele dagen met de auto gereden en daarna heeft hij de auto naar het bedrijf [naam] te [plaats] gebracht. Daarna kwamen Duitssprekende mannen bij haar aan de deur. De auto zou van deze mensen middels een valse cheque zijn aangekocht. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] te [plaats] werden diverse geschriften in kopie gevonden die betrekking hebben op de Dodge Ram Van.

[medeverdachte 2] verklaart over de aankoop dat hij in restaurant [naam] in [plaats] zat en daar ene [naam] trof. Hij vertelde dat hij een Dodge Ram te koop had c.q. dat hij er een te koop wist te staan. Een paar dagen daarna kwam hij bij [medeverdachte 2] op de zaak in [plaats]. [verdachte] kwam toen ook. [verdachte] heeft hem toen gezegd dat die auto in orde en vertrouwd was en dat hij de auto kon kopen. Hij meent dat de man € 32.000,-- vroeg en hij heeft € 29.500 geboden. De man ging hiermee akkoord. Hij heeft de man € 29.500,-- betaald. Hiervan is alleen een kwitantie opgemaakt.

[medeverdachte 2] verklaart dat hij het voertuig heeft aangekocht. Op 22 maart 2006 heeft hij de Dodge bij garage [naam] gebracht met het verzoek met dit voertuig naar de Belgische keuring te gaan. Voor het invoeren had hij een vriend gevraagd, genaamd [naam], wonende te [plaats]. Hij heeft de auto gekocht van een Belg, genaamd [naam]. Deze is op 14 maart 2006 met de auto naar [plaats] gekomen.

[medeverdachte 2] verklaart dat hij dit voertuig voor € 29.500,-- had gekocht van [naam]. Er werd geen overeenkomst opgesteld, alleen een kwitantie.

[naam] verklaart op 4 april 2006 dat op het kamp in [plaats] een man bij hem is gekomen die vroeg of hij in ruil voor auto-onderdelen een auto wilde invoeren in België. Die man gaf [naam] alle papieren. In [naam]s aanwezigheid had de man een Duitse koopovereenkomst ingevuld waaruit moest blijken dat [naam] de auto zou hebben gekocht. Eerst is [naam] naar [plaats] gegaan. Omdat het daar niet lukte is hij doorgereden naar Genk. Daar heeft hij de papieren afgegeven en werd de auto op zijn naam ingevoerd. Nadat hij de formaliteiten had ingevuld heeft hij met de man afgesproken aan het kruispunt Dilsen. Hij ontmoette hem op de dag van invoer om 10.00 uur. De man bekeek de papieren en zei dat hij in ruil voor zijn tussenkomst de bestelde onderdelen mocht hebben.

[naam] verklaart op 5 april 2006 dat hij terug is gegaan naar de plaats waar hij die persoon heeft ontmoet. Men heeft hem de weg naar de zogenaamde eigenaar van de Dodge uitgelegd. Aldaar trof hij de garagehouder. Die beweerde de eigenaar te zijn van de auto, hij kon dit staven met een factuur, de sleutels en de papieren van de auto. De auto werd gekocht door iemand die betaalde met een ongedekte cheque. De garage-uitbater uit [plaats] zou niet de opdrachtgever van de invoer van de auto zijn.

De verbalisanten [naam] en [naam] verklaren dat de in het verhoor aangegeven route naar [medeverdachte 2] te [plaats] leidt.

[medeverdachte 3] verklaart dat inkoopfacturen niet op naam mochten komen van [verdachte]. [verdachte] had geen bedrijf en deed alles zwart. Zij weet dat [verdachte] ‘zwart’ auto’s verkoopt.

Op zowel het [adres] [plaats], zijnde het verblijfadres van [medeverdachte 2], als het [adres], [plaats], zijnde het verblijfadres van [verdachte], zijn de volgende documenten (origineel dan wel een kopie) aangetroffen :

-een Duits kentekenbewijs van een Daimler Chrysler, Dodge Ram, kenteken [kenteken] op naam van [slachtoffer 6];

-een factuur van [bedrijf] gericht aan [medeverdachte 2] met betrekking tot een Dodge Ram;

-een kwitantie d.d. 14-03-2006 op naam van [medeverdachte 2] met betrekking tot een Dodge Ram;

-een Duitstalig koopcontract d.d. 10-03-06 met betrekking tot de Daimler Chrysler Dodge Ram;

-een Duitstalig schrijven van Landesambt für Bauen und Verkehr met betrekking tot de Daimler Chrysler;

-een Duits kentekenbewijs (Fahrzeugbrief) voor de Dodge Ram met Duits kenteken [kenteken] op naam van [slachtoffer 6].

Op het [adres], bewoond door verdachte, zijn voorts aangetroffen:

-een ingevuld formulier tot inschrijving van het voertuig van de Daimler Chrysler door [naam];

-Belgische belastingformulieren over de invoer van de Daimler Chrysler op naam van [naam];

-een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] te [plaats] d.d. 30-03-06.

De op het [adres] te Roosteren aangetroffen geschriften bevonden zich in een diplomatenkoffer. [medeverdachte 3] verklaart dat het koffertje van [medeverdachte 2] is en dat daar spullen van hem inzitten, waaronder documenten van het werk zoals buitenlandse kentekenbewijzen en andere papieren. [medeverdachte 2] neemt dat koffertje altijd mee naar het werk en ‘s avonds weer naar huis. Aangezien [medeverdachte 2] niet bij haar woonde was het koffertje nooit bij haar thuis. Zij en haar dochter gebruikten het nooit.

Ten aanzien van de factuur van [bedrijf] aan [medeverdachte 2] met betrekking tot de Dodge Ram Van (DOC 371 en DOC 1017) verklaart [naam] van [bedrijf] dat het formulier vals is, dat het niet overeenkomt met de lay-out van de formulieren die in het bedrijf gebruikt worden, dat het BTW-nummer niet wordt gebruikt door het bedrijf, dat het factuurnummer niet kan kloppen, dat [bedrijf] de Dodge Ram nooit heeft verkocht, dat [medeverdachte 2] geen klant is van hen en dat indien een klant betaalt, een stempel en handtekening op de factuur wordt gezet, wat hier niet is gebeurd.

[medeverdachte 2] verklaart dat hij de auto ingekocht heeft voor het op de rekening staande bedrag.

Ten aanzien van de kwitantie (DOC 372 en DOC 1023) verklaart [medeverdachte 3] dat zij het handschrift op de kwitantie herkent als dat van [medeverdachte 2].

[medeverdachte 2] verklaart dat hij de auto uit de kas heeft betaald. Hij heeft de kwitantie gekregen van een bekende van [verdachte], genaamd [naam]. Hij heeft de auto voor de verkoop gestald bij [naam] in België.

Ten aanzien van feit 1g (BMW 530d Touring)

[slachtoffer 7] deed op 24 augustus 2006 aangifte. Hij werd middels bedrog bewogen tot afgifte van zijn auto, merk BMW, type 530d, chassisnr. [nummer], ter waarde van € 46.800,--. [slachtoffer 7] had zijn auto te koop aangeboden. Een man, die zich als [naam] voorstelde, meldde zich en overeengekomen werd dat betaald zou worden met een cheque met bankgarantie. Op 19 augustus 2006 werd de auto opgehaald en de cheque overhandigd. Bij het inwisselen van de cheque bleek dat deze vals was.

Op 22 augustus 2006 werd door [medeverdachte 2] Autobedrijf het voertuig van het merk BMW met het VIN nr. [nummer] ter keuring aangeboden bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer.

In de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 2] werden onder meer de volgende documenten als echt en onvervalst opgenomen :

-DOC1028 blz 1: een kopie van een inkoopfactuur d.d. 24-08-2006 van [medeverdachte 2] met betrekking tot de BMW 530d, chassisnr. [nummer];

-DOC 1028 blz 2: een BTW-verklaring d.d. 24-08-06 van [naam] met betrekking tot dit voertuig;

-DOC 1028 blz 3: een kopie van een verkoopfactuur van Renault Specialist [naam], nr. 62398;

-DOC 1077: een origineel kasbewijs voor uitgaaf, nr. 1011 d.d. 24-08-06 voor uitgaaf van € 42.120 inzake [naam].

Op de inkoopfactuur DOC 1028 blz. 1 was met de hand geschreven “Voldaan”. Als crediteur was vermeld: [naam], [adres]

Bij telefonische navraag bij het bedrijf [naam]. te [plaats] werd namens dit bedrijf op 4 maart 2008 verklaard dat dit document vals was en dat de onderneming geen BMW aan [medeverdachte 2] had verkocht en dat het briefhoofd van DOC 1028, blz. 3 niet correct was.

[medeverdachte 3] verklaart dat deze auto van [verdachte] afkwam met het verzoek om de auto voor hem te verkopen. [medeverdachte 3] verklaart ook dat zij de (valse) verkoopfactuur van [naam] van [verdachte] had ontvangen. Aan de hand daarvan werden de gegevens in de administratie van [medeverdachte 2] ingevoerd. De auto is verkocht aan [naam] uit [plaats]. Het geld is op hun bankrekening binnen gekomen. Zij heeft het afgehaald van de bank, dat was minus BPM, en zij heeft dat [medeverdachte 2] verteld. [medeverdachte 2] heeft toen direct [verdachte] gebeld die direct is gekomen. Vervolgens zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] naar het kantoor gegaan en daar heeft [verdachte] het geld gegeven. Dit moet minus BPM zijn geweest, want dat moest zij nog betalen.

Wie [naam] is weet zij niet. Volgens haar hebben [verdachte] of [naam] dat verteld. Zij heeft toen de naam op de inkoopfactuur vermeld. “Voldaan” heeft zij op de inkoopfactuur geschreven.

[medeverdachte 2] verklaart dat hij de auto aan [naam] verkocht heeft en dat die auto door [verdachte] bij hem is neergezet. Op een zaterdag heeft [verdachte] die auto aan hem laten zien. Op een maandag heeft [verdachte] deze BMW 530 gebracht.

[medeverdachte 3] verklaart dat het kasbewijs DOC 1077 voor uitgaaf door haar was ingevuld.

Boekhoudkundig klopte het, alleen had natuurlijk [naam] nooit dat geld gekregen, dat was naar [verdachte] gegaan.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende.

Op 14 maart 2006 is [slachtoffer 6], wonende te [plaats] door middel van een valse cheque bewogen tot de afgifte van zijn Dodge Ram Van. Op 26 maart 2006 wordt de auto aangetroffen bij garagebedrijf [naam] te [plaats]. [medeverdachte 2], [adres], heeft het voertuig daar geplaatst met het verzoek de keuring van de Dodge Ram Van in België te verzorgen.

[naam] heeft verklaard dat een man bij hem is gekomen die vroeg of hij een auto wilde invoeren in België. Deze man gaf hem alle papieren. In zijn aanwezigheid had deze man een Duitse koopovereenkomst ingevuld waaruit moest blijken dat [naam] de auto zou hebben gekocht. Uit de verklaring van [naam] blijkt voorts dat [medeverdachte 2] bij de invoer betrokken was, maar dat [medeverdachte 2] niet de man was die hem gevraagd had de auto in België in te voeren. [medeverdachte 2] beweerde de eigenaar te zijn van de auto en dat de auto was gekocht door iemand die betaalde met een ongedekte cheque.

Volgens de verklaring van [medeverdachte 2] was de auto door [verdachte] bij [medeverdachte 2] afgeleverd.

In de woning van [verdachte] te [plaats] is een koopcontract aangetroffen dat blijkens de verklaring(naam) van [bedrijf] vals is. Voorts zijn in de woning documenten van [slachtoffer 6] aangetroffen alsmede documenten met betrekking tot de invoer van de auto in België door [naam].

De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] de opdrachtgever van de invoer was en dat hij wist dat het voertuig van misdrijf afkomstig was.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat Duitse eigenaren van personenauto’s op de volgende data door middel van een valse cheque bewogen zijn tot afgifte van de volgende personenauto’s:

- op 19 augustus 2006 een BMW 530D Touring;

- op 14 juli 2006 een Mercedes E55 AMG Kombi;

- op 23 september 2006 een Daimler Chrysler SLK 280;

- op 9 november 2006 een BMW M3 Cabrio;

- op 8 november 2006 een Audi A6 Avant 4.2 Quattro.

Ten aanzien van deze personenauto’s werden telkens enige tijd nadat de auto’s verdwenen waren door Handelsonderneming [naam], [verdachte], [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] handelingen verricht.

[verdachte] leverde de auto’s bij [medeverdachte 2] af met het verzoek deze voor hem te verkopen.

De werkwijze was daarbij telkens als volgt.

Door [verdachte] werden diverse geschriften valselijk opgemaakt. Hierbij werd door hem briefpapier gemaakt c.q. gebruikt voorzien van de gegevens van de handelsonderneming [naam] gevestigd [adres] en [verdachte] ondertekende deze alsof hij [naam] was. Handelsonderneming [naam] was daartoe onder regie van [verdachte] opgericht. Met gebruikmaking van handelsonderneming [naam] werden auto’s uit de duurdere prijsklasse gekocht bij (meestal Duitse) garagebedrijven en werden de van oplichting afkomstige auto’s als inruilauto’s aangeboden voor een prijs die ver onder de marktwaarde lag. Naar die bedrijven werden onder meer valse documenten over de herkomst van de aangeboden auto’s gefaxt. Nadat de verkoop was overeengekomen, werden de auto’s door de schoonzoon van [verdachte], [medeverdachte 1], met behulp van een auto-ambulance omgeruild en werden de gekochte auto’s naar het bedrijf van [medeverdachte 2] gebracht. [medeverdachte 2] verkocht de auto’s vervolgens voor [verdachte] en verantwoordde de in- en verkooptransacties in zijn bedrijfsadministratie. Op de verkoopfacturen stonden diverse bedrijven als verkopende partij vermeld in plaats van [verdachte].

Uit deze steeds weer terugkomende modus operandi en de omstandigheden dat verdachte wist dat de eerder door hem bij [medeverdachte 2] aangeboden, op gelijke wijze door oplichting verkregen Dodge Ram Van van misdrijf afkomstig was, dat [verdachte] zelf bij de transacties buiten beeld moest blijven en dat de om te ruilen auto’s aangeboden werden tegen een prijs die ver onder de marktwaarde lag, leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat ook de hiervoor genoemde auto’s van misdrijf afkomstig waren en dat hij deze auto’s door ze om te ruilen tegen andere auto’s heeft witgewassen.

De rechtbank bezigt de ten aanzien van elke personenauto gebezigde bewijsmiddelen dan ook tot het bewijs ten aanzien van de andere feiten.

Uit de frequentie van de handelingen en de periode gedurende welke hij deze heeft verricht, leidt de rechtbank voorts af dat verdachte van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Uit de verklaring van [naam] dat hij van [medeverdachte 2] had gehoord dat deze auto’s voor [verdachte] verkocht, dat de auto’s uit het buitenland kwamen en daar waren gehaald door [verdachte] en de werkwijze was dat [verdachte] een “slechte” auto in het buitenland ging halen dan wel liet halen en deze dan weer inruilde in Duitsland voor een “eerlijke” en hij van [naam] [medeverdachte 3] gehoord had dat [verdachte] deze slechte auto’s kocht middels niet gedekte of valse cheques en dat dat gebeurde in de periode van maart 2006 tot het moment dat [medeverdachte 2] door de politie werd aangehouden, leidt de rechtbank voorts af dat ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wisten dat de auto’s afkomstig waren van misdrijf, zodat er sprake is van medeplegen van het feit.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van maart 2006 tot en met 31 juli 2007 in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, voorwerpen, te weten

a) een personenauto, merk Audi (type A6 avant 4.2 Quattro)

en

b) een personenauto, merk BMW (type M3, Cabrio)

en

c) een personenauto, merk Daimler Chrysler (type SLK 280)

en

e) een personenauto, merk Mercedes (type E 55 AMG Kombi)

en

f) een personenauto, merk Dodge Ram Van (type SRT 10)

en

g) een personenauto, merk BMW (type 530d Touring),

verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

2.

hij op 31 januari 2007, in het arrondissement Roermond, een (zogenaamde) volmacht d.d. 31.01.2007 van het bedrijf [naam] gericht aan [bedrijf]

en

een rekening van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf] d.d. 31.01.2007,

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte - zakelijk weergegeven - valselijk in of op die volmacht (in de Duitse taal) vermeld dat [medeverdachte 1] door het bedrijf [naam] gevolmachtigd was een Range-Rover in ontvangst te nemen en de rest van de zaken af te wikkelen,

en

valselijk in of op die rekening (in de Duitse taal) vermeld dat [naam] Handelsonderneming aan of bij [bedrijf] in rekening bracht een Audi A6 Avant 4.2. quattro voor de prijs van Euro 35.000.-

en

vervolgens die rekening valselijk ondertekend,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

hij in de periode van 04 oktober 2006 tot en met 24 november 2006, in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met anderen,

A

een (zogenaamde) volmacht d.d. 24.11.2006 van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf]

en

een rekening van [naam] Handelsonderneming gericht aan [bedrijf] d.d.

24.11.2006

en

B

een (zogenaamde) volmacht d.d. 04.10.2006 van Handelsonderneming [naam] gericht aan of bestemd voor [bedrijf]

en

een rekening van Handelsonderneming [naam] gericht aan [bedrijf] d.d. 04.10.2006

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, - zakelijk weergegeven - valselijk in of op die volmachten (in de Duitse taal) vermeld dat [medeverdachte 1] door Handelsonderneming [naam] gevolmachtigd was de in of op die volmachten vermelde (personen)auto's in ontvangst te nemen of alle verdere handelingen af te wikkelen

en

valselijk in of op die rekeningen (in de Duitse taal) vermeld dat Handelsonderneming

[naam] aan of bij respectievelijk [bedrijf] en [bedrijf] in rekening bracht of had verkocht of ingeruild een op die rekening vermelde (personen)auto voor de op die rekeningen overeengekomen prijs,

en

vervolgens die rekeningen valselijk heeft ondertekend met de naam [naam],

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

hij in de maand september 2006, in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met anderen,

een (zogenaamde) volmacht d.d. 07 september 2006 van Handelsonderneming [naam]

en

een (zogenaamde) afspraakbevestiging van Handelsonderneming [naam] gericht aan [naam]

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, - zakelijk weergegeven - valselijk

in of op die volmacht (in de Duitse taal) vermeld dat [naam] door de firma [naam] gevolmachtigd was om bij [bedrijf] in [plaats] een Range-Rover Stormer in ontvangst te nemen en alle financiële handelingen af te wikkelen

en

in of op die afspraakbevestiging (in de Duitse taal) vermeld dat door Handelsonderneming [naam] in verband met de koop van een Range Rover Stormer de bescheiden van een Mercedes werden gefaxt,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven.

Ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 420 ter in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 225 in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 4 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 225 in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 juli 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat, mede gelet op de slechte gezondheidstoestand van verdachte, volstaan kan worden met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, waarbij de raadsman zich ten aanzien van de verrekening in de straf in verband met de overschrijding van de redelijke termijn refereert aan het oordeel van de rechtbank.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich met zijn mededaders op grote schaal door diverse kunstgrepen en valsheid in geschrift schuldig gemaakt aan het witwassen van dure personenauto’s. Verdachte heeft daarbij, met veronachtzaming van de belangen van anderen, enkel persoonlijk gewin voor ogen gehad. Verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen grote schade toegebracht aan bedrijven en personen maar tevens het voor het handelsverkeer noodzakelijke vertrouwen in ernstige mate aangetast.

Bij de strafbepaling constateert de rechtbank dat verdachte betrokken is geweest bij het witwassen en het plegen van valsheid in geschrift ten aanzien van zes personenauto’s. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat, gelet op een juiste normhandhaving en met het oog op de grote schade die telkens is toegebracht, per feit een gevangenisstraf van 3 maanden dient te worden opgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde en door de verdediging bepleite straf onvoldoende recht doet aan de aard en de grote omvang van de door verdachte gepleegde feiten en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend moet worden geacht.

De rechtbank zal echter in het voordeel van verdachte rekening houden met de onredelijk lange termijn die sedert het plegen van de feiten is verstreken en van deze straf de helft voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een geldboete opleggen ten bedrage van € 270,--. Bij de vaststelling van de geldboete heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte in een mate waarin dat nodig wordt geacht met het oog op een passende bestraffing van verdachte.

Verdachte wordt door die vaststelling in diens inkomen en vermogen niet onevenredig getroffen.

10.4.Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen is een geldbedrag van € 270,--.

Nu met betrekking tot dit geldbedrag niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dient dit voorwerp te worden teruggegeven aan degene onder wie het is inbeslaggenomen, zoals hierna in de beslissing genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 57, 225, 420ter.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair onder d ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 9 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een geldboete van € 270,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 5 dagen;

gelast de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 270,-- aan verdachte.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, P.M.S. Dijks en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 26 juli 2011.

Mr. W.A.H.J. Poppeliers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.