Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BR2145

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 1665
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep betreft bouwvergunning en ontheffing ex artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor van een bedrijfsgebouw, waarin spuit- en straalwerkzaamheden plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling of voldaan is aan de toepassingsvoorwaarde voor de binnenplanse ontheffing inhoudende dat zich geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken mag voordoen, als feitelijk uitgangspunt heeft mogen nemen dat de straal- en spuitwerkzaamheden binnen gesloten cabines worden verricht, zulks met uitzondering van straalwerkzaamheden met grit die in een cabine met open deuren, maar wel inpandig, worden verricht. Door deskundigenrapporten over luchtkwaliteit en geluidsbelasting in de omgeving van het project acht de rechtbank voorts voldoende aannemelijk dat er geen sprake zal zijn van onaanvaardbare hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1665

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

Gonja Tenten BV, [eiser 1] en [eiser 2] te Horn, eisers,

gemachtigde mr. C.H.A. van der Sanden,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], wonende te Horn.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft verweerder aan derde-partij bouwvergunning en ontheffing ex artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verleend ten behoeve van de realisatie van een bedrijfsgebouw aan de [adres] te Horn.

De rechtbank heeft het door eisers tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van

17 juli 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Die uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 28 juli 2010 bevestigd. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 19 oktober 2010 wederom bouwvergunning en ontheffing verleend ten behoeve van voormeld bedrijfsgebouw en daaraan een aantal voorschriften verbonden.

Ook tegen het besluit van 19 oktober 2010 (het bestreden besluit) is namens eisers op daartoe aangevoerde gronden beroep ingesteld.

De door verweerder ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers en aan derde-partij gezonden.

De gemachtigde van eisers heeft op 1 juni 2011 een nader stuk ingezonden, dat in afschrift aan de andere partijen is gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 juni 2011, waar eisers zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.J.J. Stark en O. Beckers.

Derde-partij is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. M.M.H. van Kuijk.

Overwegingen

1. Derde-partij heeft een aanvraag ingediend ten behoeve van de bouw van een bedrijfsgebouw op het perceel kadastraal bekend gemeente Horn, [sectienummer], plaatselijk bekend [adres] te Horn. Ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied (Haelen)” rust op het perceel de bestemming “bedrijfsdoeleinden 1”. Ingevolge artikel 21, tweede lid, sub 2, onder a van de planvoorschriften is op gronden met deze bestemming de uitoefening van bedrijven van categorie 2 toegestaan. Verweerder heeft de bouwaanvraag in strijd geacht met die bepaling, omdat de bedrijfsfunctie, zijnde een straalbedrijf, is aangemerkt als een bedrijf van categorie 3.

2. Verweerder heeft te kennen gegeven voornemens te zijn medewerking te verlenen aan een ontheffing op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro in combinatie met artikel 21, vierde lid, sub 1, onder b, van de planvoorschriften. De door eisers ingediende zienswijzen hebben geen verandering gebracht in het voornemen van verweerder en bij besluit van 7 oktober 2008 is de gevraagde bouwvergunning en ontheffing verleend.

3. Eisers hebben tegen het besluit van 7 oktober 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank. Zij hebben daarbij betoogd dat artikel 21, vierde lid, sub 1, onder b, van de planvoorschriften, inhoudende een binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid, onverbindend is wegens strijd met artikel 3.6 van de Wro. In haar uitspraak van 17 juli 2009 heeft de rechtbank overwogen dat de ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro vóór de inwerkingtreding van de Wro is te vergelijken met hetgeen was geregeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) onder de aanduiding binnenplanse vrijstelling en dat de omtrent laatstgenoemde bepaling ontwikkelde rechtspraak nog steeds relevant is. Op basis van die rechtspraak heeft de rechtbank de ontheffingsregeling niet onverbindend geacht.

4. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 juli 2009 voorts overwogen dat één van de toepassingscriteria van de binnenplanse ontheffingsregeling is dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken niet onevenredig worden aangetast. In dat verband heeft de rechtbank van belang geacht dat verweerder bij zijn beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de situatie dat enkel in de cabines gestraald en gespoten wordt, maar dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht wat derde-partij ter plaatse daadwerkelijk wil doen met het beoogde bedrijfsgebouw. Daarbij had het op de weg van verweerder gelegen om ten minste, bijvoorbeeld door middel van een bedrijfsplan, inzicht te verkrijgen in welke bedrijfsactiviteiten de derde-partij als eenmansbedrijf met gebruikmaking van de cabines feitelijk zal gaan verrichten en welke activiteiten zullen gaan plaatsvinden in de overige ruimte van het bedrijfspand. De rechtbank heeft nog overwogen dat ter zitting op 25 juni 2009 door derde-partij is verklaard dat hij voor het spuit en straalwerk speciale cabines gebruikt, maar dat, indien voorwerpen daar niet in passen, dit plaatsvindt buiten die cabines in de loods waar geen voorzieningen zijn getroffen. Verweerder had daarom op basis van onder meer deze feitelijke omstandigheden dienen te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden voor ontheffing was voldaan en of daaraan voorwaarden dienden te worden verbonden. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en opdracht gegeven om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van derde-partij te nemen.

5. Tegen de uitspraak van 17 juli 2009 is door eisers hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De gronden van dat beroep betroffen uitsluitend de verwerping van de betogen van eisers omtrent de verbindendheid van de toegepaste ontheffingsregeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 28 juli 2010 het oordeel van de rechtbank dienaangaande onderschreven.

6. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2009 heeft verweerder een nieuw ontwerp-besluit opgesteld en bij brief van 28 april 2010 degenen die betreffende het eerdere ontwerp-besluit een zienswijze kenbaar hadden gemaakt, waaronder eisers, in de gelegenheid gesteld ook over het nieuwe ontwerp een zienswijze naar voren te brengen. In het ontwerp-besluit is onder meer overwogen dat nader onderzoek is uitgevoerd naar het aspect luchtkwaliteit door de extern adviseur “[naam 1]”, waaruit is afgeleid dat de voor luchtkwaliteit geldende grenswaarden niet worden overschreden. Ook is in dat ontwerp-besluit vermeld dat tevens door de extern adviseur “[naam 2]” een akoestisch onderzoek is gehouden, waaruit is afgeleid dat de geluidsbelasting van de bedrijfsactiviteiten, inclusief de relevante verkeersbewegingen, de normen van het ter zake geldende Acitiviteitenbesluit niet overschrijdt. Verweerder heeft daaruit geconcludeerd dat redelijkerwijs op geen enkele wijze een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden of bouwwerken of van een goed woon- en leefklimaat hoeft te worden verwacht.

7. Op 20 mei 2010 zijn namens eisers zienswijzen ingediend. Deze hadden hoofdzakelijk betrekking op:

- het ontbreken van onderzoek naar bodemverontreiniging , omdat er sprake zou zijn van spuiten en stralen buiten cabines,

- het ontbreken van onderzoek naar gevolgen voor het verkeer in de directe omgeving;

- de ondeugdelijkheid van de gehouden onderzoeken naar geluidshinder en luchtkwaliteit;

- het ontbreken van duidelijkheid over het voldoen aan brandveiligheidseisen;

- het onvoldoende meewegen van de belangen van eisers.

8. In een zogeheten aanvullend zienswijzeverslag is verweerder op de zienswijzen van eisers ingegaan. Daarbij is aandacht besteed aan de bedrijfsvoering van derde-partij. In dat verband heeft verweerder, onder verwijzing naar bijlage 4 van het rapport van [naam 2], gesteld dat, anders dan derde-partij tijdens de zitting van de rechtbank op 25 juni 2009 heeft verklaard, straalwerkzaamheden altijd binnen de cabines plaatsvinden. Zulks wat stralen met grit betreft ook als de desbetreffende voorwerpen niet in een cabine passen, in welk geval de straalwerkzaamheden in een cabine met open deuren plaatsvinden. Volgens verweerder wordt de lucht vanuit de cabine door een stoffilter geleid en wordt deze inpandig afgevoerd, zodat geen stofdelen buiten de cabine terechtkomen. Zandstraal- en spuitwerkzaamheden worden volgens verweerder altijd binnen een cabine met gesloten deuren uitgevoerd. Verweerder is verder tot de conclusie gekomen dat er ter voorkoming van discussie over dit punt niettemin aanleiding is om aan de ontheffing het voorschrift te verbinden dat straal- en spuitwerkzaamheden niet buiten de cabines mogen plaatsvinden en dat voorwerpen die met grit worden gestraald in voorkomende gevallen binnen de cabines met open deuren worden behandeld. Volgens verweerder wordt hiermee een aanzienlijk strengere norm opgelegd dan uit het Activiteitenbesluit voortvloeit. In het aanvullend zienswijzeverslag is voorts op de andere aspecten van de zienswijzen van eisers ingegaan, namelijk de gevolgen van het project voor bodem, verkeer, luchtkwaliteit, brandveiligheid en de belangen van eisers. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet waarom geen van deze aspecten aan verlening van de gevraagde ontheffing in de weg staat.

9. Bij besluit van 19 oktober heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning en ontheffing onder voorwaarde verleend conform het aanvullend zienswijzeverslag.

10. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels, van bij het plan aan te geven regels ontheffing kunnen verlenen.

In artikel 21, vierde lid, sub 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bepaalde in tweede lid, sub 2, onder a, ten eerste, ten behoeve van bedrijven en groothandelbedrijven als opgenomen in categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) behorende bij deze voorschriften, danwel voor zover deze niet voorkomen in de genoemde categorie, maar gehoord de Directeur van de Hoofdgroep Verkeer, Waterstaat en Milieu van de provincie Limburg naar hun aard en invloed op de omgeving daarmee zijn gelijk te stellen. Ingevolge artikel 21, vierde lid, sub 2, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften kan genoemde vrijstelling slechts worden verleend, indien geen afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 8 en lid 2 van dit artikel beschreven hoofdlijnen en uitwerkingsregels van het plan en indien de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.

11. In beroep hebben eisers in de eerste plaats betoogd dat de uitgevoerde onderzoeken naar de gevolgen van de realisering van het bedrijfsgebouw voor de luchtkwaliteit en geluidsbelasting ondeugdelijk zijn. Eisers beroepen zich hiervoor op commentaar dat op die onderzoeksrapporten is gegeven door een medewerker van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. , welk commentaar nadien is uitgewerkt in een rapport van 1 juni 2011. Deels is de kritiek op het rapport van [naam 1] gelegen in verschil van mening over de feitelijke situatie. Cauberg-Huygen gaat er namelijk, in het voetspoor van de visie van eisers op de feitelijke gang van zaken in het bedrijf van derde-partij van uit dat niet alle straal- en spuitwerkzaamheden in cabines plaatsvinden. Verder uit Cauberg-Huygen kritiek op een deel van de gehanteerde normen en gegevens omtrent achtergrondconcentraties voor luchtkwaliteit en stelt zij dat in het rapport van [naam 2] de geluidsemissie van de bedrijfsvoering wordt onderschat. Eisers hebben gesteld dat zij aanwijzingen hebben dat in het bedrijf van derde-partij structureel voorwerpen worden gespoten van zodanige omvang dat deze niet in de cabines passen. Ter illustratie van die stelling hebben zij ter zitting van de rechtbank enkele foto’s getoond. Eisers zijn daarom van opvatting dat verweerder de gebreken die in de uitspraak van 17 juli 2009 zijn geconstateerd niet heeft hersteld en dat verweerders conclusie dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eisers, onvoldoende is onderbouwd.

12. Mede gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen over de bedrijfsvoering van derde-partij is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling of voldaan is aan de toepassingsvoorwaarde voor de binnenplanse ontheffing inhoudende dat zich geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken mag voordoen, als feitelijk uitgangspunt heeft mogen nemen dat de straal- en spuitwerkzaamheden binnen gesloten cabines worden verricht, zulks met uitzondering van straalwerkzaamheden met grit die in een cabine met open deuren, maar wel inpandig, worden verricht. Om deze gang van zaken te waarborgen, heeft verweerder deze uitgangspunten als voorschrift aan de ontheffing verbonden. De rechtbank merkt daarbij op dat dit voorschrift handhaafbaar is en dat eisers verweerder kunnen aanspreken op eventuele nalatigheid dienaangaande. Voor zover uit de ter zitting getoonde foto’s kan worden afgeleid dat derde-partij bedoeld voorschrift heeft overtreden, betreft dat derhalve een handhavingskwestie. Het betoog van eisers faalt dan ook.

13. De rechtbank is voorts van oordeel dat door de rapporten van [naam 1] en [naam 2] naar de te verwachten gevolgen voor luchtkwaliteit respectievelijk geluidsbelasting in de omgeving van het project voldoende aannemelijk is dat er geen sprake zal zijn van onaanvaardbare hinder. De kritische kanttekeningen van Cauberg-Huygen bij die onderzoeken zijn in het verweerschrift en door de ter zitting van verweerders kant gegeven toelichting weerlegd. Niet is gebleken dat bij die onderzoeken op wezenlijke onderdelen onjuiste criteria zijn gehanteerd of dat deze anderszins ondeugdelijk zouden zijn. De rechtbank acht veeleer aannemelijk dat de bedrijfsactiviteiten ruimschoots voldoen aan de uit het Activiteitenbesluit voortvloeiende grenswaarden. Ook in zoverre slaagt het betoog van eisers niet.

14. De opvatting van eisers dat op grond van de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” een afstand van 100 meter tot beschermenswaardige objecten in acht zou moeten worden genomen, kan de rechtbank niet volgen. Nog daargelaten dat bedoelde afstand indicatief is en dat daarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, geldt deze niet voor een situatie op een bedrijventerrein als het onderhavige.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts genoegzaam aandacht besteed aan de verkeerssituatie in de omgeving van het bedrijf van derde-partij. Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de verkeerssituatie door de beoogde verandering in het bedrijf niet verslechtert. Dat er anderszins gevolgen voor de bodemgesteldheid of voor de bedrijvigheid en het leefklimaat in de omgeving zouden zijn die als onaanvaardbaar moeten worden beschouwd of dat verweerder daar diepgaander onderzoek naar zou hebben moeten verrichten, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt. Ook de desbetreffende beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

16. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de kosten van een andere partij.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, Th.M. Schelfhout (voorzitter) en mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van

J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2011.

w.g. mr. Th.M. Schelfhout

voorzitter

w.g. J.N. Buddeke,

griffier

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

12 juli 2011

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.