Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BR0202

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
99981 / HA ZA 10-241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschillenregeling / blokkeringsregeling. Hoe dwingend is de in art. 2:195 lid 6 BW neergelegde waarderingsmethode en in hoeverre kan er in de statuten vanaf geweken worden? Tot welke uitkomst leidt waardering volgens het Stuttgarter Verfahren? Mondeling vonnis en hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 343
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2011/62
RN 2011/108
JONDR 2011/234
JIN 2011/631
JOR 2011/284 met annotatie van mr. C.D.J. Bulten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 99981 / HA ZA 10-241

Vonnis van 6 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NINOJU HOLDING B.V.,

gevestigd te Mook en Middelaar,

eiseres,

advocaat mr. P.J.F.M. de Kerf,

tegen

de rechtspersoon naar Duits recht

PAPERPRODUCTS DESIGN GMBH,

gevestigd te D-53340 Meckenheim,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van de Ven.

Partijen zullen hierna Ninoju en PPD genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

1. De dagvaarding van 1 februari 2010

2. De akte houdende producties van 31 maart 2010

3. De conclusie van antwoord van 14 juli 2010

4. het comparitievonnis van 11 augustus 2010

5. de brief met bijlagen namens Ninoju van 1 december 2010

6. de brief met bijlagen namens PPD van 2 december 2010

7. de brief met bijlagen namens Ninoju van 6 december 2010

8. de brief met bijlagen namens PPD van 8 december 2010

9. het proces-verbaal van comparitie tevens mondeling vonnis van 10 december 2010

10. de akte uitlating na tussenvonnis van PPD van 26 januari 2011

11. de akte van Ninoju van 9 februari 2011

12. de brief van de rechtbank aan partijen van 14 februari 2011

13. de antwoordakte van PPD van 16 maart 2011

14. de akte van Ninoju van 6 april 2011

1.2. Verwijzing naar bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolgd door het nummer van de bijlage.

2. Inleiding

2.1. Ninoju heeft primair gevorderd de verklaring voor recht dat als gevolg van schadelijke gedragingen van PPD het voortduren van het aandeelhouderschap van Ninoju in redelijkheid niet langer kan worden gevergd. De rechtbank heeft hierop tijdens de comparitie van 10 december 2010 als volgt geoordeeld:

“De rechter beschouwt de instemming door PPD aan het ontslagbesluit van Ninoju als bestuurder in de onderhavige situatie als een zodanige gedraging dat deze moet worden aangemerkt als schadelijk voor Ninoju als aandeelhouder. Daarbij weegt mee dat bij de oprichting van Ambiente Europe BV de hele verdeling van aandeelhouderschap en bestuurdersschap nauw met elkaar samenhing. Tegen die achtergrond dienen de omstandigheden waaronder de meerderheidsaandeelhouder het medebestuur van de minderheidsaandeelhouder kan beëindigen, extra zwaarwegend te zijn. De rechter is van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden deze toets niet kunnen doorstaan. Ten eerste is het besluit tot ontslag slecht voorbereid en wordt het niet voorafgegaan door enige waarschuwing of werkafspraak. Ten tweede heeft Ninoju de verwijten die aan het ontslagbesluit ten grondslag liggen, inhoudelijk zeer gemotiveerd weersproken en geven die verwijten onvoldoende invulling aan de evidentie om Ninoju op zo'n korte termijn en zonder eventueel verbetertraject te ontslaan. Tenslotte heeft Ninoju onweersproken gesteld dat het hele bestuur praktisch door haar werd gevoerd en dat ten tijde van het ontslagbesluit de onderneming vanuit een opstartsituatie voor het eerst winst ging maken, zodat er ook uit dat oogpunt alle aanleiding was om eventuele onregelmatigheden in de uitoefening van het bestuur te bespreken en voor de toekomst daarover afspraken te maken.

Daarmee komt de vordering van Ninoju tot overname van haar aandelen door PPD voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte partijen waarin zij voorstellen kunnen doen over aantal en persoon van de te benoemen deskundigen, die belast zullen worden met de waardering van de aandelen, de aan deze deskundige(n) voor te leggen vraagpunten en de hoogte van diens kosten alsmede door wie deze dienen te worden voorgeschoten”.

2.2. Daarnaast heeft de rechtbank op de comparitie aan Ninoju de volgende bewijsopdracht gegeven:

“Daarnaast zal de rechtbank Ninoju toelaten tot het leveren van bewijs waaruit blijkt dat de tweede zin van artikel 12 lid 7 van de statuten van Ambiente is bedoeld als een ruimere mogelijkheid aan deskundigen om de aandelen te waarderen dan alleen op basis van het in de eerste zin van dat lid genoemde Stuttgarter Verfahren”.

2.3. Artikel 12 lid 7 van de Statuten luidt als volgt:

“De aanbieder enerzijds en degenen(n) aan wie de aandelen werden toegewezen en –als aan de vennootschap aandelen werden toegewezen, de door de algemene vergadering van aandeelhouders daartoe aan te wijzen persoon anderzijds, treden in overleg over de voor alle aangeboden aandelen te betalen prijs, vast te stellen naar de waarde in het economisch verkeer op basis van het zogenaamde “Stuttgarter Verfahren”.

Als dit overleg niet binnen een maand na de verzending van de mededeling van het bestuur over de toewijzing bedoeld in lid 6 heeft geleid tot volledige overeenstemming met betrekking tot alle aangeboden aandelen, zal de prijs voor al die aandelen worden vastgesteld door drie deskundigen, van wie ten minste één moet zijn een bevoegd accountant als bedoeld in artikel 2:393 lid 1 Burgerlijk Wetboek, op verzoek van de meest gerede partij te benoemen door de kantonrechter in wiens ambtsgebied de vennootschap statutair is gevestigd, behoudens benoeming van een of meer deskundigen door de partijen in onderling overleg”.

2.4. PPD heeft bij akte na comparitie betoogd dat het geen twijfel leidt dat de deskundigen de prijs bij ontbreken van onderling overleg moeten vaststellen met inachtneming van de Stuttgarter methode. Ninoju heeft primair betoogd dat bewijslevering niet nodig is omdat art. 2:195 lid 6 BW ingevolge art. 2:25 BW van dwingend recht is en het partijen dus niet vrij staat om in afwijking van de regeling in genoemd artikel bepaalde prijsafspraken in de statuten op te nemen.

2.5. De rechtbank oordeelt als volgt

Is art. 2:195 lid 6 BW van dwingend recht?

2.6. Art. 2:195 BW bevat de zogenaamde blokkeringsregeling. Die regeling houdt kort gezegd in dat voor overdracht van aandelen in een besloten vennootschap in de statuten een regeling moet zijn opgenomen waarin voor de overdracht van aandelen anders dan aan enkele nauwe verwanten als in lid 1 genoemd de toestemming van een in de statuten aangewezen orgaan van de vennootschap vereist is dan wel de aandelen bij een voorgenomen overdracht eerst moeten worden aangeboden aan de mede-aandeelhouder(s) of aan andere in de statuten aangewezen gegadigden. Art. 2:87 BW bevat een soortgelijke regeling voor aandelen op naam in een Naamloze Vennootschap (NV).

2.7. Art. 2:195 lid 6 BW luidt als volgt:

“De blokkeringsregeling dient zodanig te zijn dat de aandeelhouder, indien hij dit verlangt, van degenen die als gegadigden in de zin van het vierde lid worden opgegeven of aan wie ingevolgde de blokkeringsregeling als bedoeld in het vijfde lid moet worden aangeboden een prijs ontvangt, gelijk aan de waarde van zijn aandeel of aandelen, vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen”.

Art. 2:25 BW luidt:

“Van de bepalingen in dit boek kan slechts worden afgeweken, voor zover dat uit de wet blijkt”.

2.8. Op zichzelf beschouwd lijkt een redelijke uitleg van de tekst van art. 2:195 lid 6 BW tot de conclusie te leiden dat onder de “waarde van zijn aandeel of aandelen” moet worden verstaan de waarde van de aandelen in het economisch verkeer. Als dat anders zou zijn en de deskundigen bij de waardebepaling rekening mochten houden met hetgeen de statuten daarover bepalen, zou het voor de hand hebben gelegen om dat expliciet op te nemen, zeker nu art. 2:25 BW afwijking van de wet alleen toestaat als dat expliciet uit de wet blijkt. Aldus beschouwd beperkt de blokkeringsregeling voornamelijk de overdraagbaarheid van aandelen zonder dat de regeling de mogelijkheid (optie) biedt om tevens de aandelen tegen een vooraf vastgestelde prijs of volgens een vooraf in de statuten opgenomen afwijkende waarderingsmaatstaf over te nemen.

2.9. De tekst van art. 2:339 lid 3 BW daarentegen geeft meer ruimte voor statutaire regeling van de waardering van de aandelen. Art. 2:339 BW regelt de benoeming van deskundigen in het kader van de geschillenregeling, waar art. 2:195 BW dit doet in het kader van de door een aandeelhouder gewilde overdracht. Art. 2:339 lid 3 BW luidt:

“De deskundigen stellen hun bericht op met inachtneming van hetgeen omtrent de vaststelling van de waarde van de aandelen in de blokkeringsregeling is bepaald”.

2.10. Bij het bepalen van de relatie tussen het vrijwillig aanbieden van de aandelen in het kader van de blokkeringsregeling en het dwingen van de andere aandeelhouder tot overname van de aandelen van de beknelde aandeelhouder, lijkt het niet logisch dat degene die de aandelen zelf kwijt wil, een hogere waarde kan bedingen dan degene die door schadelijke gedragingen van de mede-aandeelhouder uit zijn aandeelhouderschap bevrijd wil raken. Om deze reden is aan te nemen dat ook bij toepassing van art. 2:339 lid 3 BW de waardebepaling van de aandelen met inachtneming van de blokkeringsregeling vergelijkbaar moet zijn aan de waardering van aandelen door deskundigen in het economische verkeer. Zulks is alleen anders als ook bij art. 2:195 BW aan de waardering van de aandelen rekening mag worden gehouden met hetgeen daarover in de statuten is opgenomen.

2.11. Complicerend bij de onderhavige gedachtevorming is dat toekomstige wetgeving en ook de doctrine meer waarde toekent aan de contractsvrijheid van aandeelhouders, ook in de statuten. Prof. mr. [X] schrijft in zijn bijdrage “Naar een statutaire geschillenregeling” (in: Geschillen in de vennootschap, serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 105, Kluwer 2010) dat ook in de nieuwe regeling van vrijheid om van de wettelijke regeling af te wijken nog steeds geen sprake is in het volgende geval:

“De rechter houdt geen rekening met statutaire of contractuele bepalingen “omtrent de vaststelling van de waarde van de aandelen”, “voor zover dat tot een kennelijk onredelijke prijs zou leiden” (artikel 2:340 lid 3 en 2:343 lid 2 BW”.

Hij becommentarieert dit als volgt:

“Anders ligt dat met betrekking tot de tweede hiervoor vermelde beperking (de wettelijke regel inzake de correctie van een “kennelijk onredelijke prijs”). De regeling zoals die nu luidt betekent de facto dat altijd, ook in geval van een statutaire of contractuele regeling, beroep op de rechter open staat als een partij ontevreden is over de uit statuten of overeenkomst voortvloeiende prijs. Dat is geen gelukkige bepaling die op termijn reparatie behoeft.

Vooralsnog ga ik er echter van uit dat rechters zeer terughoudend zullen zijn om van deze correctieregel gebruik te maken en, voor zover nuttig of aangewezen, roep ik hen hierbij op om die terughoudendheid in hoge mate te betrachten”.

2.12. In het arrest van het Hof Den Haag van 7 augustus 2008, LJN: BF0190 en JOR 2008, 262 met noot mr. [Y], overweegt het Hof:

“Het hof onderschrijft het standpunt van [R] c.s. dat art. 2:195a BW een regel van dwingend recht geeft, met dien verstande dat die regel alleen het vaststellen van statuten verbiedt die inhouden dat een aandeelhouder bij gedwongen uitkoop voor zijn aandelen een prijs van minder dan de werkelijke waarde ontvangt. (…) Hierbij dient bedacht te worden dat statuten kunnen worden gewijzigd ook wanneer niet alle aandeelhouders daarmee hebben ingestemd en dat zonder de regel van art. 2:195a lid 3 BW een aandeelhouder derhalve tegen zijn wil gedwongen zou kunnen worden om zijn aandelen aan te bieden en over te dragen tegen een prijs die lager is dan de werkelijke waarde” (r.o. 37).

2.13. In het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2005, LJN: AR6028, overweegt de Hoge Raad het volgende:

“Art. 2:339 lid 1 BW schrijft de rechter die een vordering tot aandelenoverdracht als bedoeld in art. 2:336 BW toewijst, dwingend voor een of drie deskundigen te benoemen die schriftelijk bericht moeten uitbrengen over de prijs van de aandelen. Dit voorschrift, dat bezien moet worden in samenhang met het derde lid van dat artikel, dat bepaalt dat de deskundigen hun bericht opstellen met inachtneming van hetgeen omtrent de vaststelling van de waarde van de aandelen in de blokkeringsregeling is bepaald, strekt ertoe te waarborgen dat de aandeelhouder die tot overdracht van zijn belang gedwongen wordt, een prijs ontvangt die zoveel mogelijk overeenstemt met die welke hij bij vrijwillige vervreemding van de aandelen zou kunnen bedingen. Een redelijke toepassing van het voorschrift van het eerste lid brengt daarom mee dat de rechter de benoeming van deskundigen achterwege kan laten, indien de blokkeringsregeling een zodanige maatstaf voor de bepaling van de waarde van de aandelen kent, dat aan de hand daarvan de prijs door de rechter zonder meer kan worden vastgesteld” (r.o. 3.3.2).

2.14. Uit de bovenomschreven rechtsbronnen komt een tweeslachtig besliskader naar voren. Daarin strijdt de contractsvrijheid om in de statuten afspraken te maken over de waardering van de aandelen bij een toekomstig uiteengaan met de dwingendrechtelijke bepalingen dat hiermee niet of in mindere mate rekening mag worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de stand van het recht aldus is dat met statutaire waarderingsmethoden rekening is te houden bij de uitkoop, mits deze qua uitkomst tot een redelijke prijs leiden. De vraag of de Stuttgarter waarderingsmethode tot een redelijke uitkomst leidt, beantwoordt de rechtbank als volgt.

Leidt de Stuttgarter waarderingsmethode tot een redelijke prijsbepaling?

2.15. Aan de hand van wat partijen daarover aan informatie hebben verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat de Stuttgarter waarderingsmethode niet tot een redelijke prijsbepaling leidt. Dat blijkt het meest duidelijk uit de door PPD zelf in het geding gebrachte schatting van de waarde van de aandelen van Ninoju (bijlage 6,3). Daarin wordt de overnameprijs van de aandelen per 20 september 2010 volgens deze methode gesteld op 47% van de aandelenwaarde. Ninoju berekent dat dit inhoudt dat de overnameprijs voor haar aandelen 225.272,55 euro bedraagt, welke doorrekening door PPD niet gemotiveerd is bestreden. Deze waarde steekt schril af tegen de waarde van de aandelen ten tijde van de verkrijging ervan in april 2008 ad 490.000 euro. Tegen de achtergrond dat in de jaren erna (per saldo) winst is gemaakt, is het onbegrijpelijk dat de aandelen (zoveel) minder waard zouden zijn geworden.

2.16. De veel lagere waardering volgens de Stuttgarter methode is wel begrijpelijk als bedacht wordt dat deze methode toegepast werd om in situaties van erfrechtelijke verkrijging het successierecht zo laag mogelijk te houden. Het feit dat het Bundesverfassungsgericht bij Entscheidung van 7 november 2006 (bijlage 11,3) deze taxatiemethode fiscaal ongeldig heeft verklaard, komt kennelijk, zoals Ninoju in haar conclusie met verwijzing naar rechtsoverwegingen 176 en 184 onderbouwt, doordat de waarde volgens deze methode teveel van de echte waarde afweek. Dit vindt tenslotte ook bevestiging in de door Ninoju overgelegde rapportage van Bauchmannrüttger steuerberater [Z] van 10 januari 2010 (bijlage 11, 1 en 2).

2.17. PPD stelt hier met verwijzing naar de verklaring van de Duitse accountant en belastingadviseur [S] (bijlage 13, 1a en 1b) tegenover dat de Stuttgarter methode weliswaar verboden is voor toepassing in het belastingrecht, maar dat dit onverlet laat dat de methode in het vennootschapsrecht geldigheid kan hebben en ook grensoverschrijdend eenvoudig is toe te passen. Daarmee gaat zij in op de mogelijkheid om de methode te hanteren, maar niet op de vraag of de methode tot een redelijke prijs leidt. Nu die redelijke prijs het criterium is waaraan de berekeningsmethode moet voldoen om in de statuten als aanvulling op de wettelijke waarderingsmaatstaf geldigheid te hebben, kan deze methode, bij gebreke aan een redelijke prijsuitkomst, niet worden toegepast.

Hoger beroep?

2.18. Thans is benoeming van deskundigen aan de orde. Art. 2:339 BW bepaalt dat deze hun werkzaamheden pas aanvangen als het vonnis waarin de vordering tot overname is toegewezen, onherroepelijk is geworden. Nu deze beslissing op 10 december 2010 is genomen en daartegen geen hoger beroep is ingesteld, kunnen de deskundigen hun werkzaamheden direct aanvangen. Overigens bepaalt art. 2:339 BW dat tegen de deskundigenbenoeming geen hoger beroep open staat. De rechtbank is van oordeel dat onder de deskundigen-benoeming ook is te begrijpen de wijze waarop die deskundigen hun taxatie moeten uitvoeren, zodat het oordeel van de rechtbank dat dit niet volgens de Stuttgarter methode moet gebeuren, pas appelabel is nadat de rechtbank met inachtneming van het advies van de deskundigen de waarde heeft vastgesteld, zoals uit art. 2:341 lid 1 eerste zin BW is af te leiden.

Persoon en aantal van de deskundigen

2.19. Partijen hebben geen specifieke namen genoemd voor de te benoemen deskundigen. Wel zijn zij beiden van mening dat het er drie moeten zijn en dat deze drie valuaters moeten zijn die aan het NIVR verbonden zijn. Opzet van hun schatting moet zijn de intrinsieke waarde van de aandelen: welk netto vermogen vertegenwoordigen de aandelen, waarbij de goodwill aan de hand van de winstgevendheid en andere vooruitzichten moet worden bepaald. Van het feit dat Ninoju een minderheidsaandeelhouder is, moet worden geabstraheerd.

2.20. De rechtbank heeft contact gezocht met de heer mr. drs. [deskundige] RA, werkzaam bij Wingman Business Valuators BV (website www. Wingman nl). drs. [deskundige] is registeraccountant en tevens lid van het Nederlands Instituut voor Register Valuators (NIRV). Hij heeft een lange staat van dienst met vele nevenfuncties en publicaties. Hij heeft aangegeven geen kennis van onderhavige zaak te hebben noch met partijen of hun advocaten relatie te hebben. De rechtbank acht hem geschikt om als deskundige op te treden. Partijen kunnen contact opnemen met de deskundige om nadere referentie te verkrijgen.

2.21. Drs. [deskundige] heeft aangegeven dat de kosten van normaal onderzoek hooguit 15.000 euro zullen bedragen (waarbij het uurtarief van drs. [deskundige] 275 euro per uur bedraagt exclusief omzetbelasting en reiskosten). Dat betekent dat het voorschot op dat bedrag moet worden vastgesteld. Hij heeft ook aangegeven dat het benoemen van drie deskundigen erg hoge kosten met zich meebrengt. Zulks omdat de deskundigen alsdan alles samen moeten doen en daarnaast ook het nodige overleg zullen moeten voeren. Drs. [deskundige] acht zich bekwaam om deze waardering, ook met eventuele complicaties, alleen te kunnen uitvoeren.

2.22. De rechtbank geeft partijen in overweging om in te stemmen met benoeming van alleen mr. [deskundige] tot deskundige. Als ‘compensatie’ is met deze deskundige besproken dat hij zo nodig andere deskundigen mag inschakelen voor deelonderzoeken (waaronder ‘goedkopere’ kantoorgenoten). Voorts is tegenover de deskundige benadrukt dat in dat geval de accountants van partijen over alle stukken moeten kunnen beschikken waarover ook de deskundige de beschikking heeft en dat deze accountants aan de deskundige de vragen moeten kunnen stellen die zij van belang vinden. Tenslotte blijkt uit hetgeen hierna wordt overwogen dat op instigatie van een van partijen (zij het onder omstandigheden op diens kostenrisico) het onderzoek uitgebreid kan worden met punten die deze partij van belang vindt.

2.23. Als partijen toch voor drie deskundigen willen opteren, zouden zij beiden een eigen deskundige kunnen aandragen die dan naast drs. [deskundige] benoemd wordt. De rechtbank verzoekt partijen zich hierover bij akte over twee weken uit te laten, waarna de rechtbank tot feitelijke benoeming zal overgaan. Indien niet beide partijen voor een meervoudig deskundigenonderzoek (blijven) opteren en daarbij de naam noemen van de persoon die zij als mededeskundige benoemd willen zien, zal de rechtbank tot benoeming van één deskundige besluiten.

Waarderingsvraagstukken

2.24. Partijen verschillen van mening tegen welke datum de aandelen gewaardeerd moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat dit in beginsel het moment is dat de aandelen overgedragen worden. Aan de deskundigen wordt verzocht om de aandelen aan de hand van de jaarstukken over 2010 te waarderen per 31 december 2010 en aan de hand van de winstgevevendheid in 2010 of in 2011 die waarde te extrapoleren naar 31 december 2011. Daarbij kunnen de deskundigen in overleg met partijen de methodiek bepalen, waarbij de mate van preciesheid van de winstgevendheid (wordt uitgegaan van de winst in 2010 of worden tussentijds schattingen gemaakt over 2011) in relatie met de kosten daarvan een rol kunnen spelen voor de te maken keuze. Hierbij geldt dat de partij die het meeste wil, gevolgd wordt.

2.25. Op zich zijn de jaarstukken de basis voor de waardering. De rechtbank veronderstelt dat op moment van onderzoek de definitieve jaarstukken van Ambiente over 2010 beschikbaar zijn. Indien dat niet het geval is, zullen de deskundigen deze ten behoeve van hun onderzoek moeten vaststellen. Daarop kunnen correcties worden aangebracht voor zover de waarde in de jaarstukken niet overeenstemt met de werkelijke waarde van bepaalde activa of passiva. Zulks is in eerste instantie ter beoordeling van de deskundigen. In overleg met partijen kan worden bezien of een verdergaande controle van activa en/of administratie ter bepaling van eventuele winstmanipulatie, zoals Ninoju vreest, kan worden uitgevoerd. Ook hiervoor geldt dat de partij die het meeste wil, gevolgd wordt.

2.26. Ninoju verzoekt om bij de vaststelling van de winstverwachting te abstraheren van de salariskosten van de heer en mevrouw [A] vanaf het moment dat zij feitelijk niet meer voor de onderneming werkzaam waren. De rechtbank laat dit ter keuze aan de deskundigen, waarbij zij in hun beoordeling kunnen betrekken of aannemelijk is dat de werkzaamheden van de heer en mevrouw [A] door andere medewerkers zullen moeten worden overgenomen en vanaf welk moment dat feitelijk ook gebeurt.

2.27. Volgens PPD is Ambiente geen rechthebbende op de handelsnaam, nu deze nog niet aan haar zou zijn overgedragen. Over deze kwestie zou een procedure tussen partijen lopen. Voor zover nodig (op nader aangeven van PPD) kunnen deskundigen de waarde van het recht op deze handelsnaam afzonderlijk waarderen.

2.28. De rechtbank is in beginsel van oordeel dat de kosten voor de vaststelling van de waarde van de aandelen ten laste van beide aandeelhouders moet komen in de verhouding van hun aandelenbezit. Zulks vloeit voort uit de statuten, waarin dat is bepaald bij toepassing van de blokkeringsregeling. Hoewel thans de aandelenuitkoop plaatsvindt in het kader van de geschillenregeling, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om van deze kostenverdeling af te wijken. Weliswaar zijn het gedragingen van PPD die tot de uitkoop leiden; anderzijds zijn partijen samen deze samenwerking aangegaan en dienen ze nu samen de kosten van uiteengaan te dragen. De gedragingen van PPD zijn niet van dien aard dat er aanleiding is om van dit uitgangspunt af te wijken.

2.29. Bij het bepalen van de uiteindelijke kostenverdeling behoudt de rechtbank zich de mogelijkheid voor om specifieke kosten aan een specifieke partij toe te rekenen. Dat is bijvoorbeeld het geval als PPD de jaarstukken van Ambiente over 2010 niet gereed heeft en de deskundigen daardoor extra kosten moeten maken. Een andere situatie is als Ninoju allerlei extra onderzoek naar de administratie van Ambiente wil laten verrichten en dit onderzoek geen onregelmatigheden oplevert. In dat geval kunnen er termen aanwezig zijn om de daarmee gepaard gaande kosten voor rekening van Ninoju te laten. Hetzelfde geldt voor kosten voor specifiekere winstvaststelling over 2011 en voor kosten voor taxatie van de handelsnaam. In verband hiermee wordt aan de deskundigen verzocht om werkzaamheden die buiten het standaardonderzoek vallen, zoveel als mogelijk afzonderlijk te registreren.

2.30. De rechtbank acht het redelijk dat PPD de kosten van het onderzoek voorschiet. Zij kan deze kosten allicht ten laste van haar rekening courant met Ambiente brengen. Bij de uiteindelijke levering van de aandelen kunnen de ten laste van Ninoju komende kosten worden verrekend met de te vergoeden waarde van de aandelen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verwijst de zaak naar de rol van 20 juli 2011 voor akte uitlating aan de zijde van beide partijen over hetgeen in par. 2.21-2.23 is overwogen;

3.2. houdt voor het overige elke beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en in het openbaar uitgesproken

op 6 juli 2011.?