Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ9919

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
04/801005-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op echtpaar in hun woning door vijf personen. Diefstal geld en sieraden door middel van fysiek geweld en dreiging met geweld. DNA match verdachte met DNA op handschoen aangetroffen in de woning. Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/801005-10

Datum uitspraak: 29 juni 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 15 juni 2011.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat na een nadere omschrijving van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 18 november 2009 in de gemeente Roermond tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 950,= EURO, 12 horloges, 2

(heren)armbanden, 1 GSM (merk Samsung), een pinpas (Rabobank), een paspoort

(ten name van [slachtoffer 1]) en/of één autosleutel (Audi), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft

bestaan in:

- het tegen genoemde [slachtoffer 2] zeggen; Hou je mond, niet schreeuwen." en/of

- het roepen van de woorden: "Overval, overval." en/of

- het vastpakken van deze [slachtoffer 2] en/of

- het tegen de linkerslaap, in elk geval tegen het hoofd, van die [slachtoffer 2] zetten van een

pistool, in elk geval een vuurwapen, en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] zeggen: "Geld, naar binnen." en/of

- het slaan en/of schoppen van deze [slachtoffer 2] en/of

- [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] dwingen op de grond te gaan liggen en/of

- het vastbinden van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of

- het duwen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het roepen van de woorden: "Ga liggen, ga liggen."

- het op de keel van deze [slachtoffer 1] houden van een mes en (daarbij) zeggen:

"Steek haar dood." en/of

- het zeggen van de woorden: "Schiet hem kapot.".

(artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 15 juni 2011 gevorderd dat

het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Samenvatting van de bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank.

- Op 18 november 2009 heeft [slachtoffer 2] tegenover de politie het navolgende verklaard.

Ik wens aangifte te doen van een gewapende overval op mijn woning, [adres], die hedenmorgen 18 november 2009, omstreeks 07.15 uur, heeft plaatsgevonden en waarbij ik werd gegijzeld en mishandeld.

Hedenmorgen, omstreeks 07.05 uur, ben ik uit bed opgestaan in mijn woning. Mijn vrouw was ongeveer 5 minuten eerder opgestaan. Ik heb mijn werkkleding aangedaan, de tas met boterhammen gepakt en een geldkistje en ben vervolgens naar buiten, de oprit opgelopen met de bedoeling om naar mijn werk te gaan.

Mijn auto betreft een Audi A6. Vandaag zou ik met de auto van mijn zoon [naam], een personenauto, merk Honda, type Accord gaan.

Ik loop omstreeks 07.15 uur in de richting van de Honda Accord. Bij de auto aangekomen, opende ik het portier aan bestuurderszijde toen ik vanuit de richting van het naastgelegen bosperceel een soort geritsel van bladeren hoorde en vrijwel gelijktijdig twee personen, mannen, uit dat perceel komen. Deze personen kwamen direct op mij afgerend. Vrijwel gelijktijdig zag ik dat 3 andere personen, eveneens uit dat bosperceel kwamen gerend en in de richting van de woning renden. Een van de twee personen die op mij afkwamen,

zei: ”Hou je mond, niet schreeuwen”.

Alle personen waren donkergekleed en droegen zwarte bivakmutsen. De twee personen die op mij afkwamen, hadden in de bivakmutsen alleen een opening voor de ogen. De eerste persoon die op mij af kwam gerend riep: ”Overval, overval”. Deze pakte mij vast aan mijn jas en wilde mij kennelijk meetrekken in de richting van mijn woning. Ik verzette mij waardoor een worsteling ontstond met die man. Er werd over- en weer wat aan elkaar getrokken. Ik zag kans deze persoon een stomp in zijn gezicht te geven met mijn rechtervuist. Daarop kwam de tweede persoon zich ermee bemoeien. Deze trapte ik, nog voordat hij kans zag mij vast te pakken, tussen zijn benen, waarop deze terugdeinsde. Een van de mannen riep vervolgens om hulp. Ik hoorde dat deze riep: ”Kom helpen”. Ik zag toen dat uit de groep van drie personen die richting woning renden, een persoon zich omdraaide en te hulp schoot. Vrijwel gelijktijdig hoorde ik glasgerinkel. Deze derde persoon zette mij een pistool tegen mijn linkerslaap. Hij zei daarbij iets van “geld, naar binnen”. Aanvankelijk stribbelde ik nog wat tegen. Twee mannen hielden mij vast. Zij hadden mijn armen op de rug gedraaid en liepen achter mij, terwijl de derde persoon naast mij liep en het pistool tegen mijn hoofd hield. Ik weet nog dat ik op enig moment met dat pistool een klap kreeg op een achterhoofd. Ik voelde het metaal tegen mijn hoofd komen.

Het pistool was zwart van kleur en had een rechthoekige loop. Ook de handgreep was rechthoekig. Wat mij opviel was dat de loop van het wapen vrij lang was. Ik schat dat het pistool een lengte had van ongeveer 20 centimeter.

Ik werd door deze drie mannen de woning ingebracht en gedwongen om in de keuken op de grond te gaan liggen met het hoofd naar beneden gericht. Ik zag op dat moment dat mijn vrouw, [slachtoffer 1], in de keuken voor het aanrecht op de grond zat. Bij haar stonden op dat moment 2 mannen. Ik zag dat een van deze 2 mannen een blinkend, chroomkleurig wapen in zijn rechterhand had. Dit wapen was duidelijk kleiner dan het eerdere wapen wat ik omschreven heb.

Ik hoorde en zag dat mijn vrouw tegenstribbelde. Ik heb op enig moment tegen [slachtoffer 1] gezegd ga liggen en luister. Ik wilde niet dat haar wat gebeurde.

Toen ik op de grond lag, werden mijn enkels met een stuk elektriciteitssnoer vastgebonden aan elkaar. Ik moest mijn armen op de rug doen. Ik werkte aanvankelijk niet mee. Daarop heeft een van de daders, voor mij staand, naar mijn hoofd geschopt. Ik zal alleen een schim voor mij staan en ik voelde dat hij mij met een geschoeide voet mijn linkerarm raakte. Er werd met kracht geschopt. Ik voelde daardoor pijn in mijn arm. Als gevolg daarvan schoot die arm tegen mijn mond en ben ik drie tanden verloren uit het bovengebit. Ik moest mijn linkerarm doordoor ook op de rug doen. Mijn rechterarm was op dat moment al door een van de daders op de rug gedraaid en met een schoenveter vastgeklemd. Toen de linkerarm daarbij kwam, werden beide polsen middels die schoenveter en met behulp van een stuk elektriciteitssnoer met elkaar vastgebonden. Ik kan me herinneren dat een van de daders daarbij continu met zijn knieën boven op mijn rug heeft gezeten. Dat deed flink pijn. Ook omdat mijn armen steeds hoger getrokken werden.

Wel ik had het idee dat er continu 2 daders bij mij zijn gebleven. Een van hen heeft op een gegeven moment een theedoek gepakt uit de keuken en deze opgerold en vervolgens om mijn hoofd gebonden en op mijn achterhoofd vastgebonden met plakband. Ik kreeg die theedoek over mijn mond gebonden. Er werd door een persoon steeds weer gevraagd om geld, de kluis, diamanten. Ik hoorde dat er onder andere gezegd werd door een van de daders: “Geld en kluis, moet goed, mooi huis, mooie auto, diamanten, jij goede man.” Ik had het idee dat, gelet op de richting waaruit het geluid kwam, er steeds door een en dezelfde persoon werd gesproken of geroepen. Dat betrof dan de persoon die aan de rechterzijde naast mij stond. Dit was steeds dezelfde persoon die dat zei. Ik heb meerdere keren gezegd dat ik geen kluis had. Terwijl ik op de grond lag, hoorde ik dat er kennelijk overal in de woning en het kantoor werd gezocht naar spullen. Ik hoorde onder andere hoe laden werden geopend.

Op een gegeven moment kwam een van de daders met een kistje naar mij toen en vroeg waar het horloge was dat daarin had gezeten. Ik heb hem toen gezegd dat dat horloge op de badkamer in een kastje lag. Ik ga er vanuit dat dit horloge door de daders is meegenomen. Dit betrof een wit- en geelgouden Breitling horloge met een waarde van ongeveer 5000 euro. Ik had een bruine lederen beurs in mijn achterzak van de broek zitten. Die is door de daders meegenomen. In die beurs zaten onder andere mijn identiteitsbewijs, mijn rijbewijs en nog diverse andere pasjes en bescheiden en een geldbedrag van circa 700 tot 800 euro aan papiergeld. De portemonnee met de inhoud werd door een van de daders uit mijn achterzak weggenomen. In mijn linkerbroekzak zat een bos met sleutels. Deze zijn ook door de daders meegenomen. Onder andere betroffen dit de huissleutel, sleutels van de zaak en sleutels van de zakelijke kluizen.

De persoon die naast mij stond vroeg naar de sleutels van de Audi personenauto. Ik verwees hem naar de keukenla. Vervolgens is dat de man met de sleutels naar buiten gelopen.

Alvorens de daders de woning verlieten werd door 2 van hen nog een leoluxbank, welke in de woonkamer stond, opgepakt en boven op mijn rug losgelaten.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

- Op 23 november 2009 heeft aangever [slachtoffer 2] voornoemd de politie district Roermond schriftelijk bericht dat de navolgende goederen zijn weggenomen: ongeveer € 750,00 uit een beurs, 5 herenhorloges, 2 heren armbanden en 1 autosleutel van de Audi A6.

- Op 18 november 2009 heeft [slachtoffer 1] tegenover de politie het volgende verklaard.

Ik woon op het adres [adres] te Roermond. Daar woon ik samen met [slachtoffer 2]. Vanmorgen om 07.00 ging de wekker af. Ik stond op en ben vervolgens naar beneden gegaan en ben boterhammen gaan smeren voor [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] kwam naar beneden en kleedde zich aan. [slachtoffer 2] pakte zijn tas en zijn brood hij nam afscheid van mij en liep via de veranda naar buiten naar de auto. Ik liep ook naar buiten. Toen ik buiten stond, hoorde ik [slachtoffer 2] opeens schreeuwen. Ik keek in zijn richting en zag plotseling mannen in mijn richting komen rennen. Ik schat dat dit in totaal 5 mannen waren. 2 stonden er bij [slachtoffer 2] en 3 kwamen er in mijn richting gerend. Die mannen kwamen vanuit de bosjes die achter de woning liggen. Ik rende naar binnen en probeerde de deur van de veranda te sluiten. Ik kon de deur wel gedeeltelijk dichtschuiven maar ik kreeg niet meer de kans om hem af te sluiten. Ik zag dat een van die personen met zijn geweer de ruit insloeg. Vervolgens trok hij de deur open en kwamen de mannen naar binnen. Ik werd naar binnen geduwd en op de grond geduwd.

Ik hoorde ook dat zij riepen: ”Ga liggen, ga liggen”.

Ze probeerden mij in ieder geval met mijn gezicht naar de grond neer te leggen.

Ondertussen waren die andere mannen samen met [slachtoffer 2] ook naar binnen gekomen. [slachtoffer 2] werd naast mij op de grond neergelegd. Ik zag dat ze [slachtoffer 2] vast begonnen te binden met een soort van schoenveter. Ik zag dat [slachtoffer 2] op dat moment ook geschopt werd. Ondertussen werd er ook steeds geroepen dat ze geld wilden hebben en dat ze de kluis wilden hebben. Terwijl ze met ons bezig waren, zijn er twee van die groep de woning ingelopen. Opeens hield een van hen mij een mes op de keel. Ik hoorde dat een ander toen weer zei: ”Steek haar dood” of zoiets. Het mes werd echter van mijn keel gehaald en toen opeens hoorde ik weer iemand zeggen: ”Schiet hem kapot” of zoiets.

Vervolgens probeerden ze [slachtoffer 2] de mond af te dekken met een theedoek. Ik moest ondertussen opstaan en werd gedwongen richting kantoor te gaan. Het kantoor is van binnenuit te bereiken. Ze vroegen weer om geld en om de kluis. Ik zei dat dit er niet was. Een van hun pakte een rol tape uit de kast die ondertussen al open stond. Ik kreeg die tape in mijn handen geduwd en moest die los maken. Dit lukte echter niet en vervolgens sneed een van hen de tape los met het mes. Vanuit kantoor werd ik gedwongen naar boven te gaan. Ik meen dat ze met twee of drie man achter mij aan kwamen. Toen ik boven kwam, zag ik dat ze daar al alles doorzocht hadden. Ze duwden mij naar de logeerkamer en daar werd ik wederom op de grond geduwd. Ik ben toen op mijn hurken gaan zitten met mijn gezicht naar beneden gericht. Ik zag dat ze allemaal de riemen uit de kast trokken en dat ze vervolgens probeerden mijn handen daarmee op mijn rug vast te binden. Dit lukte echter niet.

Opeens kwam een van hun met een elektriciteitskabel aan. Met deze kabel werden mijn handen vervolgens voor mijn lichaam vastgebonden. Opeens zag ik dat een van hen met een witte ceintuur aan kwam lopen. Daarmee werden vervolgens mijn enkels vastgebonden. Daarna zag ik dat ze mijn schoudertas leeg haalden. Deze stond nog op het logeerbed. Ik zag dat ze mijn telefoon, beurs, paspoort en een mapje waarin ik mijn pasjes heb zitten, uit de tas pakten en meenamen.

Toen ze dit hadden, renden ze allemaal naar beneden. Uiteindelijk hebben ze een aantal horloges, mijn gsm, mijn paspoort, mijn beurs en mijn bankpas meegenomen.

De goederen genoemd op de goederenbijlage behorend bij dit verhoor zijn weggenomen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

- Op de bij de verklaring van [slachtoffer 1] behorende goederenbijlage staan als gestolen goederen vermeld: 1 telefoon, merk Samsung, 1 Rabobank pinpas, 7 horloges, € 200,00, 1 paspoort ten name van [slachtoffer 1].

- Door de politie is in de woning [adres] te Roermond een sporenonderzoek ingesteld. Op de vloer nabij een bank werden twee vingertoppen van latex handschoenen aangetroffen. Deze vingertoppen werden veiliggesteld onder SIN AAAE3766NL en AAAE3765NL.

- Het Nederlands Forensisch Instituut gevestigd te Den Haag heeft de door de regiopolitie Limburg-Noord ingezonden materiaal voorzien van de identiteitszegels AAAE3765NL en AAAE3766NL (beide vingertop van een latex handschoen) onderzocht op biologische sporen en DNA.

In het rapport d.d. 11 januari 2010 van het NFI wordt gerelateerd dat het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering [AAAE3766NL]#02 op 4 januari 2010 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en dat het sindsdien wordt vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een match gevonden met het DNA-profiel van [verdachte] [RGA063] Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering [AAAE3766NL]#02 afkomstig kan zijn van [verdachte]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Bovenstaande match met het DNA-profiel van [verdachte] [RGA063] betekent bovendien dat [verdachte] de prominent aanwezige celdonor van het celmateriaal in de bemonstering [AAAE3765NL]#02 kan zijn.

In het bij dit rapport gevoegd DNA-profielcluster 13689 staat vermeld dat het materiaal voorzien van DNA-identiteitszegel AAAE3766NL#02 een volledig SGM DNA profiel is en is opgenomen opgenomen in de DNA-databank op 4 januari 2010.

Een eerder volledig SGM DNA-profiel ten name van [verdachte], geboren op [geboortedatum] is opgenomen in de DNA-databank op 28 april 2008, referentiemonster wangslijmvlies, DNA-identiteitszegel RGA063.

- De politie heeft onderzoek gedaan en uit onderzoeken is gebleken dat [verdachte] de beschikking heeft (of heeft gehad) over de mobiele telefoonnummers [nummer] en [nummer].

Op 23 februari 2010 werd in het programma opsporing verzocht aandacht besteed aan de overval op de bewoners van de woning [adres] te Roermond. Tijdens de uitzending werd er een reconstructie van de gebeurtenissen ter plaatse uitgezonden.

De overval op de [adres] te Roermond betrof de enige overval uit Limburg waar aandacht aan besteed werd tijdens betreffende uitzending.

Uit diverse tot op heden gevoerde tapgesprekken bleek dat de gebruiker van het nummer [nummer] tijdens diverse gesprekken [naam of naam] wordt genoemd.

Op 23 februari 2010 omstreeks 21:14 uur (gesprek 335) werd middels de aansluiting [nummer] een telefoongesprek gevoerd.

Relevante inhoud

De gebruiker van nummer [nummer] wordt gebeld door NN MAN 2 en de gebruiker zegt dat hij op de Donderberg is.

De gebruiker zegt dat hij het programma Opsporing Verzocht wil zien. Dadelijk gaat hij naar de stad maar dit programma moet hij zien, maar dat hij het niet kan zeggen door de telefoon. MAN 2 zegt dat hij het snapt.

Op woensdag 24 februari 2010, omstreeks 15:54 uur (gesprek 342) werd middels de aansluiting [nummer] een telefoongesprek gevoerd waarin de gebruiker met een NN MAN spreekt.

Relevante inhoud

Gebruiker belt naar NN MAN.

MAN vraagt: “hey, heb je die gezien die ding voor jou op Opsporing?”

Gebruiker zegt: …niet zeggen…

- Verdachte heeft tegenover de politie onder meer het volgende verklaard.

U vraagt mij of ik in het programma Opsporing Verzocht de overval waarvan ik word verdacht heb gezien. Ja, dat heb ik gezien.

Volgens de verdediging blijkt nergens uit dat verdachte heeft deelgenomen aan voornoemde telefoongesprekken.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Op grond van de navolgende omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte de gebruiker is van het gsm-nummer [nummer] en dat het verdachte is geweest die dit gesprek heeft gevoerd.

Uit het zich in het BOB-dossier bevindende proces-verbaal aanvraag verlenging bevel onderzoek van telecommunicatie (tap) opgemaakt door verbalisant [naam]

op 11 maart 2010, blijkt dat het gsm-nummer [nummer] door [verdachte] was opgegeven bij de afdeling sociale zaken van de gemeente Roermond bij een aanvraag van een WWB- uitkering, welke werd gedaan voor de periode januari – november 2008 en voor de periode februari – oktober 2009. Tevens komt dit nummer voor in de algemene administratie van de gemeente Roermond als zijnde cliëntgegevens algemeen.

Dat het verdachte is die het nummer nog steeds in gebruik heeft, blijkt uit de hiervoor reeds aangehaalde constatering van de verbalisant dat de gebruiker van dit telefoonnummer steeds [naam of naam] wordt genoemd, zijnde [verdachte] de voornaam van verdachte.

Voorts merkt de rechtbank op dat verdachte bij het voorhouden van het hiervoor vermelde telefoongesprek niet zegt dat hij dat gesprek niet heeft gevoerd, maar op de vraag van de politie wie de persoon is die met verdachte belt antwoordt: ‘Daar kunnen jullie zelf achterkomen.’

Daarna verklaart hij overigens tijdens de terechtzitting van 7 oktober 2010 dat degene die in het bewuste telefoongesprek heeft gevraagd: “hey, heb je die gezien die ding van jou op Opspring?” [naam] is geweest.

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat de in de woning van de slachtoffers aangetroffen vingertoppen van handschoenen waarop DNA van verdachte is aangetroffen, door iemand in die woning zijn neergelegd. Als reden daarvoor heeft verdachte aangevoerd dat iemand hem ‘erbij wil lappen’.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat door de verdachte / raadsman geen andere onderbouwing is gegeven, dan dat iemand verdachte erbij lappen wil. Hoe het DNA van verdachte op de vingertoppen is terechtgekomen en wie die iemand is die verdachte erbij wil lappen en waarom dan wel, wordt op geen enkele wijze verklaard.

Nu naar het oordeel van de rechtbank de verdachte / raadsman het verweer op geen enkel wijze aannemelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank dit verweer verwerpen.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 november 2009 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 950,= EURO,

12 horloges, 2 (heren)armbanden, 1 GSM (merk Samsung), een pinpas (Rabobank), een paspoort (ten name van [slachtoffer 1]) en één autosleutel (Audi), toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld heeft bestaan in:

- het tegen genoemde [slachtoffer 2] zeggen; Hou je mond, niet schreeuwen." en

- het roepen van de woorden: "Overval, overval." en

- het vastpakken van deze [slachtoffer 2] en

- het tegen de linkerslaap, in elk geval tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] zetten van een

pistool en

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] zeggen: "Geld, naar binnen." en

- het slaan en schoppen van deze [slachtoffer 2] en

- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dwingen op de grond te gaan liggen en

- het vastbinden van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en

- het duwen van voornoemde [slachtoffer 1] en

- het roepen van de woorden: "Ga liggen, ga liggen."

- het op de keel van deze [slachtoffer 1] houden van een mes en daarbij zeggen:

"Steek haar dood." en

- het zeggen van de woorden: "Schiet hem kapot."

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 15 juni 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweldpleging zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 5 jaar met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De verdachte en de raadsman hebben vrijspraak bepleit en niets met betrekking tot de gevorderde straf naar voren gebracht.

10.3.Overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard het medeplegen van een diefstal waarbij zowel vóór als tijdens de diefstal op degenen die daarvan het slachtoffer zijn geworden het nodige geweld is gebruikt zoals het vastpakken, slaan, schoppen en vastbinden van de heer [slachtoffer 2] en het duwen en vastbinden van mevrouw [slachtoffer 1]. Ook zijn de slachtoffers bedreigd met grof geweld zoals het zetten van een pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] en het op de keel van [slachtoffer 1] houden van een mes en daarbij zeggen:

"Steek haar dood." en "Schiet hem kapot.".

Bij deze diefstal was een vijftal personen betrokken en de diefstal heeft plaatsgevonden in woning van de slachtoffers, uitgerekend op de plaats waar men zich veilig en op zijn gemak moet voelen. Uit zowel de opgemaakte schriftelijke slachtofferverklaringen als uit hetgeen de beide slachtoffers tijdens de terechtzitting naar voren hebben gebracht, blijkt dat de door verdachte en zijn medeverdachten gebruikte agressie zodanig is geweest dat dit nog dagelijks van invloed is op het leven van de slachtoffers. Zij voelen zich in hun eigen woning erg onveilig en zijn erg wantrouwig geworden. Ondanks dat ze na de overval de beveiliging van de woning nog hebben opgevoerd, voelen de mevrouw [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] zich niet meer veilig in hun eigen woning, al helemaal niet meer als het donker is buiten. Daarnaast heeft de heer [slachtoffer 2] ook lichamelijk letsel opgelopen waarvoor hij langdurig behandeld is moeten worden door een fysiotherapeut.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit, zeker gelet op de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, een ernstig feit is en dat naar het oordeel van de rechtbank dit feit enkel kan worden bestraft met een jarenlange gevangenisstraf.

Bij bepaling van de hoogte van deze straf heeft de rechtbank ook gelet op het strafblad van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden waaronder zijn jonge leeftijd en zijn wens om na ommekomst van de detentie een normaal leven te gaan leiden. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in enigszins vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel, gelet op alle omstandigheden in deze zaak, dat de gevorderde gevangenisstraf van vijf jaren te zwaar is en zij acht een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren een passende straf.

10.4.De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], wonende [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 885,79 en de immateriële schade op een bedrag van € 3.500,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering met betrekking tot de materiële schade haar redelijk en billijk voorkomt en dat deze tot het gevorderde bedrag ad € 885,79 kan worden toegewezen.

Immateriële schade

Gelet op de aard en de impact van het bewezenverklaarde, waarvoor verdachte wordt veroordeeld, is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang kan worden teweeggebracht.

De rechtbank acht een bedrag van € 1.000,00 redelijk en billijk, zodat voor wat dat bedrag betreft de vordering voor toewijzing vatbaar is.

Voor zover het immateriële gedeelte van de de vordering voormeld bedrag van € 1.000,00 overstijgt, levert de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op en zal de benadeelde partij voor dat deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering deels voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 1.885,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.885,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 28 dagen, te betalen ten behoeve van

[slachtoffer 2] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1], wonende [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 94,67 en de immateriële schade op een bedrag van € 3.500,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering met betrekking tot de materiële schade haar redelijk en billijk voorkomt en dat deze tot het gevorderde bedrag ad € 94,67 kan worden toegewezen.

Immateriële schade

Gelet op de aard en de impact van het bewezenverklaarde, waarvoor verdachte wordt veroordeeld, is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang kan worden teweeggebracht.

De rechtbank acht een bedrag van € 1.000,00 redelijk en billijk, zodat voor wat dat bedrag betreft de vordering voor toewijzing vatbaar is. De verdachte heeft deze post niet weersproken.

Voor zover het immateriële gedeelte van de vordering voormeld bedrag van € 1.000,00 overstijgt, levert de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op en zal de benadeelde partij voor dat deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering deels voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 1.094,67 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.094,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen, te betalen ten behoeve van

[slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: art. 10, 24c, 27, 36f, 310, 312

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe, namelijk tot een bedrag van

€ 1.885,18;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij

[slachtoffer 2], [adres], te betalen een bedrag van

€ 1.885,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf

18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart voornoemde benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering, aangezien de vordering voor dat deel naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.885,79 subsidiair 28 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit (artikel 312 SR) genaamd [slachtoffer 2], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.885,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten

behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe, namelijk tot een bedrag van € 1.094,67;

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij

[slachtoffer 1], [adres], te betalen een bedrag

van € 1.094,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf

18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart voornoemde benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering, aangezien de vordering voor dat deel naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.094,67 subsidiair 20 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van het feit (artikel 312 SR) genaamd [slachtoffer 1], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.094,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2009 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten

behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs en

C.C.M.W. Aretz, rechters, van wie mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid

van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 29 juni 2011.