Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ9803

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
04/800066-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank acht twee gewapende overvallen op juwelier en friture bewezen.

Vrijspraak voor meineed, nu uit het ter beschikking staande dossier niet blijkt of verdachte destijds bij de politie naar waarheid verklaarde of juist ter terechtzitting alwaar hij als getuige werd gehoord.

Strafmaat, recidive en jeugdige leeftijd verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/800066-11

Datum uitspraak: 29 juni 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2011.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal horloges en/of een hoeveelheid sieraden (armbanden, hangers en/of ringen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele [zaak], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het schreeuwen, althans hard roepen: "Dit is een overval.", in elk geval woorden van soortgelijke aard of strekking en/of

- het (dreigend) tonen van een mes, in elk geval een scherp voorwerp, aan bovengenoemde [slachtoffer 1] en/of

- het zwaaien met een knipschaar in de richting van voornoemde [slachtoffer 1], althans het gooien van een knipschaar in de richting van deze [slachtoffer 1];

art. 312 van het Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 08 maart 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen EURO 570,=, in elk geval een bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en/of haar echtgenoot te weten [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het roepen: "Overval" en/of

- het tonen van een bijl aan genoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of

- het richten van een bijl op de hals/nek, in elk geval het lichaam van deze [slachtoffer 4], althans het houden van een bijl in de nabijheid van de hals/nek, in elk geval het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] en/of

- het, deze [slachtoffer 4], opdragen de kassalade te openen;

art. 312 van het Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 augustus 2010 in de gemeente Roermond opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [agent 1], hoofdagent van politie en/of [agent 2], agent van politie, (beide) werkzaam bij de basiseenheid Roermond, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hunner bediening, ten opzichte van genoemde [agent 1] en/of [agent 2] in diens/dier tegenwoordigheid zijn verdachtes middelvinger(s) heeft opgestoken, althans een of meer geba(a)r(en) heeft gemaakt van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(art. 267/2 van het Wetboek van Strafrecht);

4.

hij op of omstreeks 27 augustus 2010 te 's-Hertogenbosch, ter terechtzitting van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, als getuige in de strafzaak tegen [naam] na de krachtens wettelijk voorschrift gevorderde eed/belofte te hebben afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

- "U houdt mij mijn verklaring voor van 12 maart 2009 omstreeks 12.30 uur, waar ik op de vraag met wie ik de overval heb gepleegd op het Tankstation [naam] in Roermond" heb geantwoord dat ik die overval heb gepleegd met [naam] en een derde persoon van wie ik de naam niet wil noemen. Heden antwoord ik dat ik niet weet wie deze persoon is."

en/of

- "U houdt mij voor mijn verklaring van 19 februari 2009 afgelegd bij de politie omstreeks 11.16 uur (blz. 3) waarin ik nader verklaar over de overval op het tankstation [naam]. U houdt mij voor dat ik in die verklaring heb gezegd dat ik dit samen heb gedaan met [naam] en met een jongen waarvan ik de naam niet wil noemen. Ik verklaar u nu dat ik niet weet wie die jongen is."

art. 207 van het Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 15 juni 2011 gevorderd dat het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde. Feit 3 kan volgens de verdediging bewezen worden verklaard.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 4 is ten laste gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier de rechtbank niet kan beoordelen of de verklaring van verdachte bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, ‘dat hij niet weet wie deze persoon is’, gelogen is of dat de eerdere verklaring die verdachte bij de politie op 12 maart 2009 heeft afgelegd, gelogen is. Nu niet kan worden vastgesteld welke verklaring van verdachte in strijd met de waarheid is afgelegd, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Samenvatting van de bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Op 11 maart 2001 heeft [slachtoffer 1] namens [slachtoffer 2] aangifte gedaan van diefstal met geweld bij [zaak] gepleegd op 11 maart 2011 op de [adres] te Roermond. Aangever was samen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de zaak achter in het atelier aanwezig. Er was niemand in de zaak aanwezig op dat moment. Op een gegeven moment hoorde aangever dat de bel van de toegangsdeur ging. Hij zag op de monitor twee mannen met een zwarte helm op de zaak binnenkomen. Direct daarna hoorde hij een luide knal. [slachtoffer 3] stond op dat moment in het smalle gedeelte van het atelier. Aangever liep naar voren en riep: ‘Hey, de zaak uit’. De persoon die tegenover hem stond in de winkel schreeuwde naar hem. Deze persoon nam een dreigende houding aan als ware een soort gevechtshouding. Hij kwam plots naar aangever toegelopen. Aangever is toen achteruit terug het atelier ingelopen en heeft een grote rode kniptang gepakt. De persoon die hem bedreigde stond in de deuropening van het atelier naar de winkel en dus inmiddels achter de toonbank. Nadat hij die kniptang had gepakt en naar voren liep, zag aangever dat de persoon ter hoogte van de toonbank bleef staan. Aangever gooide vervolgens de kniptang naar hem toe. Volgens aangever raakte de kniptang nog net een stukje van de toonbank en raakte de kniptang ook de persoon aan zijn rechterbovenbeen. Deze persoon raapte vervolgens de kniptang op en dreigde hiermee te slaan. Aangever zei toen: ‘Oh, nu mag je wel komen’. Die persoon zwaaide met de kniptang in de richting van aangever. Aangever deed snel een stap terug om een klap met de kniptang te voorkomen. De persoon liet vervolgens de kniptang vallen en is naar buiten gevlucht. Aangever zag vanuit het winkelgedeelte dat de persoon vervolgens bij iemand achterop de scooter sprong. Het was een zwarte scooter. Toen hij die ene persoon op de scooter zag springen, zag hij dat de bestuurder van de scooter er al op zat. Hij zag dat de bestuurder van de scooter eveneens een zwarte helm droeg. Hij heeft de kniptang opgeraapt en is hierna naar buiten gerend. Hij is de scooter met de personen erop nog tot de kruising nagerend. Toen aangever weer de zaak was ingelopen, zag hij toen hij de toonbank voorbij liep dat er een mes op de toonbank lag. Aangever zag dat de vitrine met sieraden helemaal stuk was. Tevens zag hij dat de vitrine met horloges helemaal stuk was. Door de dreigende houding van de dader en zijn geschreeuw voelde aangever zich ernstig bedreigd.

Op 20 april 2011 heeft [slachtoffer 1] bij de politie verklaard dat hij de beelden van de beveiligingscamera’s heeft bekeken. Hij zat te werken achter in het atelier en hij hoorde de bel gaan. Hij zag twee mannen met een helm op binnen komen. Daarna hoorde hij een harde slag. Hij is naar de winkel gelopen. Een van hen stond toen al dreigend met een mes voor hem. De overvaller nam met het mes een gevechtshouding aan in zijn richting.

[slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 11 maart 2011 aan het bureau in de ruimte achter de winkel zat. Ze hoorde de bel van de toegangsdeur en tegelijkertijd hoorde ze iemand hard roepen: ‘Dit is een overval’. Tevens hoorde ze een harde knal. Ze heeft toen haar telefoon gepakt, is opgestaan en is via de andere uitgang naar de [adres] gelopen.

[slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat zij zich op 11 maart 2011 in de werkplaats van de juwelierszaak aan de [adres] te Roermond bevond. Zij hoorde enorme knallen en luid geschreeuw. Op de monitor zag zij twee in het zwart geklede figuren door de winkel lopen.

Op 25 maart 2011 stelde [naam], mede-eigenaar van [zaak], lijsten ter beschikking met daarop de ontvreemde goederen. Het betreft horloges, armbanden, hangers en ringen met een totale waarde van € 90.150,-.

[naam], de broer van verdachte, heeft op 23 maart 2011 bij de politie verklaard dat hij de dag van de overval thuis kwam en zijn broer [verdachte] buiten in de tuin stond met zijn scooter. [verdachte] had een rode sporttas om zijn nek, hij had zwarte handschoenen aan en hij droeg een helm. [verdachte] reed weg. Hij had een slecht gevoel hierbij. Het was een zonnige dag, hij droeg een helm. Normaal draagt hij nooit een helm. Er zat ook nog een andere jongen bij [verdachte] op de scooter. De jongen achterop had een opvallend lichtblauwe jas of vest aan. [naam] is zijn broer vervolgens onopvallend gaan volgen met zijn auto, een zwarte Alfa Romeo. Op een gegeven moment zag [naam] zijn broer en diens vriend op de scooter in de [adres]. Hij zag dat [verdachte] rechts op het trottoir stond, vlakbij de juwelier die daar ligt. Dat is de juwelier waar [verdachte] later die juwelen heeft weggenomen. Enige tijd later, toen hij daar terug kwam, was het al bezig. Hij zag in zijn binnenspiegel dat er een scooter wegreed en dat er een jongen opzat met een blauw vest of jas. Op dat moment wist hij dat zijn broertje er ook bij was. Die jongen zat namelijk bij zijn broertje achterop de scooter. Hij zag in zijn binnenspiegel ook nog dat er een man met een soort grote tang achter hen aan liep. Eenmaal thuis zag hij dat zijn broer zijn kleding in de tuin uittrok en dat hij zich gesneden had aan zijn vinger, aangezien hij flink bloedde.

Op de afdruk van de camerabeelden van [zaak] herkent [naam] zijn broer. Dat ziet hij aan de tas die [verdachte] om zijn nek heeft. Dat is dezelfde tas die zijn broer om had toen hij thuis wegreed. Op de onderste foto ziet hij de jongen met het blauwe vest. Dat is die jongen die ook bij [verdachte] achterop zat.

[naam] heeft verder verklaard dat [verdachte] later met de spullen naar hem toe kwam. Het waren een ketting, een oorbel, een ring, een armband en drie horloges. Het merk van de horloges is Paul Picot met dubbel P. Hij herinnert zich die dubbele P op die horloges. [verdachte] wilde echter niet zeggen hoe hij aan die spullen kwam. Hij wist toen eigenlijk wel dat die van de overval waren. [verdachte] vroeg hem of hij die spullen wilde verkopen. Hij wilde zijn broer beschermen. Op zondag is hij met de sieraden naar Beverwijk geweest en hij heeft daar geprobeerd de sieraden te verkopen. Hij heeft de sieraden verkocht en het horloge niet. Hij heeft totaal € 3.200,- of € 2.200,- gekregen en hij heeft dat geld aan zijn broer gegeven. Op dinsdag is hij naar Rotterdam gegaan en heeft hij twee horloges verkocht. Hij heeft daarvoor € 4.200,- gekregen. Het geld heeft hij weer aan zijn broer gegeven. Bij dat geld zaten heel veel briefjes van € 500,-.

Deze verklaring van [naam] wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt.

Ten eerste wordt door verbalisant [verbalisant 1] op de camerabeelden, van een camera die in videotheek [naam] in de [adres] hangt, gezien dat de scooter op 11 maart 2011 tussen 16.40 uur en 17.13 uur in totaal 12 keer in beeld was. De zwarte Alfa Romeo kwam tussen 16.40 uur en 17.12 uur in totaal 8 keer in beeld. Wat opviel was dat de scooter en de Alfa Romeo korte tijd na elkaar door de [adres] reden, langs de [adres], of de [adres] vanuit de [adres] in reden.

Voorts wordt in opdracht van de officier van justitie te Roermond het telefoonnummer [nummer] in gebruik bij [naam] vanaf 12 maart 2011 afgeluisterd en opgenomen.

Op 13 maart 2011 belt [naam] met een onbekende vrouw en zegt ‘als je naar Beverwijk gaat wat moet je dan aanhouden in Amsterdam’.

Op 13 maart 2011 wordt [naam] gebeld door onbekende vrouw die vraagt ‘waar rij jij nu dan op de A9. Je moet A9 aanhouden en dan krijg je Beverwijk, IJmuiden. A22 gaat naar Beverwijk.’

Op 15 maart 2011 belt [naam] met een onbekende man. Het gesprek gaat kennelijk over de route naar ‘[naam]’ in Rotterdam. Aan de mastgegevens is te zien dat de telefoon in gebruik bij [naam] ook daadwerkelijk in Rotterdam is.

Via internet blijkt dat [naam], gevestigd te Rotterdam, een winkel is in juweliersartikelen en uurwerken (opkoper sieraden en horloges).

Op 15 maart 2011 belt [naam] met [verdachte]. Het gesprek gaat over de verkoop van ‘dingen’ die gestolen zijn. [naam] zegt dat hij ‘drie nul nul nul’ krijgt. [verdachte] zegt dat dit te weinig is en dat hij ze morgen wel in Eindhoven verkoopt. De telefoon in gebruik bij [naam] straalt op dat moment nog steeds een mast aan in Rotterdam.

De volgende dag, 16 maart 2011, wordt verdachte [verdachte] bij aankomst op het station Eindhoven aangehouden. Verbalisant [verbalisant 2] trof in de mouw van verdachte meerdere eurobiljetten ter waarde van € 500,- aan.

Nu de verklaring van [naam] op belangrijke punten wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal gelooft de rechtbank [naam] in zijn verklaring die hij op 23 maart 2011 bij de politie heeft afgelegd. Derhalve gelooft de rechtbank [naam] ook in zijn verklaring dat hij wist dat zijn broer, [verd[verdachte], bij de overval op de juwelier [zaak] betrokken was.

Het verweer van de raadsman dat de verklaring van [naam] onjuist is omdat hij zijn broer niet naar binnen heeft zien gaan, binnen heeft zien staan of naar buiten heeft zien komen, terwijl hij verklaart ‘gewoon’ te weten dat zijn broertje erbij betrokken is, wordt door de rechtbank verworpen. [naam] heeft op 23 maart 2011 bij de politie verklaard dat hij in zijn binnenspiegel zag dat er een scooter wegreed. Hij dat er een jongen opzat met een blauwe jas of vest. Op dat moment wist hij gewoon dat zijn broertje er ook bij was. Die jongen zat namelijk bij zijn broertje achterop de scooter. Hij zag in zijn binnenspiegel ook nog dat er een man met een soort van tang achter hen aan liep. Deze verklaring wordt ondersteund door de camerabeelden.

Ten aanzien van feit 2

Op 8 maart 2011 doet [slachtoffer 4] aangifte van een overval gepleegd op 8 maart 2011 te Roermond. Op 8 maart 2011 was zij samen met haar man in hun frituur aan de [adres] te Roermond-Maasniel. Eerst kwam er een jongen met een wit petje binnen. Daarna kwamen er twee personen met een zwarte integraalhelm op binnen. Ze liepen de zaak binnen en kwamen meteen door achter de balie. Zij zag dat een van hen een bijl in zijn rechterhand had. Hij richtte de bijl op haar hals en droeg haar op de kassalade te openen. Zij maakte de kassa open, waarna beiden zelf geld uit de kassa pakten. Een van hen pakte haar gsm uit de kassa en gooide die in de koelvitrine en pakte er nog meer geld uit. Hierna gingen ze weg en reden weg op een zwarte scooter. Zij voelde zich door die mannen bedreigd.

[slachtoffer 5], de man van [slachtoffer 4], heeft bij de politie verklaard dat op 8 maart 2011 een jongen met een grijs petje binnenkwam die eten bestelde, even naar buiten ging en weer binnen kwam om het eten op te halen. Na vijf minuten kwamen twee personen met helmen binnen. Een van hen had een bijl. De beide mannen kwamen binnen en riepen: ‘Overval’ en kwamen achter de balie. De man met de bijl zette de bijl op de nek van zijn vrouw en zei dat we de kassa snel open moesten maken. Hij heeft toen de kassa geopend. Degene zonder bijl pakte geld uit de kassa. Zijn vrouw deed de kassa dicht. Ze schreeuwden allebei dat kassa weer open moest. De tweede man pakte toen weer geld, zijn vrouw werd nog steeds bedreigd. Hij stond voor zijn vrouw en hield de scherpe kant van de bijl tegen de hals van zijn vrouw en riep: ‘Snel, kassa open’. De mannen renden weg en buiten zag hij dat ze op een zwarte scooter wegreden. De daders hebben ook een mes meegenomen. De overvallers hebben rond de € 570,- meegenomen.

[getuige 1] heeft op 9 april 2011 bij de politie verklaard dat toen hij op 8 maart 2011 cafetaria [naam] te Roermond binnenliep hij zijn neef [verd[verdachte] op een donkerblauwe scooter voorbij zag rijden. Achterop zat nog een persoon. [verdachte] wenkte hem omdat [verdachte] met hem wilde praten. Hij heeft zijn bestelling gedaan en is toen naar buiten gelopen. Hij is toen links om de hoek gelopen en zag daar [verdachte] staan. De persoon die bij hem achterop zat kent hij als ‘[naam]’, een vriend van [verdachte]. Ze hadden beiden een helm op. Hij heeft met hen gesproken over meisjes en is toen terug naar de frituur gelopen.

De verklaring van [getuige 1] wordt bevestigd door de getuige [getuige 2] die bij de politie heeft verklaard dat zij op 8 maart 2011 in het paadje achter haar tuin ([adres]) twee jongens met een brommer zag staan. De jongens droegen zwarte integraalhelmen. Zij zag dat een jongen met een wit petje langskwam. Hij ging bij die twee jongens staan kletsen. Vervolgens liep hij richting frituur. Die jongen kwam weer terug en bleef staan kletsen. Daarna liep hij weer richting frituur om kort daarna terug te komen met een draagtas van frituur. Hij maakte een gebaar richting jongens en liep door. De jongens reden toen in de richting van de frituur.

De getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben bij de politie verklaard dat zij op 8 maart 2011 twee personen met een zwarte helm op een scooter zagen rijden over de [adres] en over de [adres] richting de kruising van de [adres] te Roermond.

Op de camerabeelden van cafetaria [naam] te Roermond is te zien dat twee personen met een zwarte helm het cafetaria binnenkomen. Op de afbeelding van de camerabeelden zijn de volgende kenmerken van de eerste persoon die binnenkomt te zien:

-hij heeft een grote neus;

-hij draagt een jack met gele strepen dat door verbalisanten wordt herkend uit eerdere verhoren van verdachte.

Op grond van de aangifte, de verklaring van [getuige 1] die verdachte op de plaats bij de frituur plaats, de getuigen die verdachte zien rondrijden en de kenmerken van de persoon die op de camerabeelden wordt gezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie d.d. 28 augustus 2010 en ter terechtzitting van 15 juni 2011 dat hij op 28 augustus 2010 zijn middelvingers naar de politie heeft opgestoken en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2010 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 maart 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal horloges en een hoeveelheid sieraden (armbanden, hangers en ringen), toebehorende aan [zaak], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het hard roepen: "Dit is een overval." en

- het dreigend tonen van een mes aan bovengenoemde [slachtoffer 1] en

- het zwaaien met een knipschaar in de richting van voornoemde [slachtoffer 1].

2.

hij op 8 maart 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen € 570,-, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en haar echtgenoot te weten [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het roepen: "Overval" en

- het tonen van een bijl aan genoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en

- het richten van een bijl op de hals/nek van deze [slachtoffer 4], en

- het, deze [slachtoffer 4], opdragen de kassalade te openen.

3.

hij op 28 augustus 2010 in de gemeente Roermond opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [agent 1], hoofdagent van politie en [agent 2], agent van politie, beide werkzaam bij de basiseenheid Roermond, gedurende de rechtmatige uitoefening van hunner bediening, ten opzichte van genoemde [agent 1] en [agent 2] in dier tegenwoordigheid zijn verdachtes middelvingers heeft opgestoken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 312 en 266 juncto 267 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 15 juni 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vier en een half jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat verdachte van feit 1, 2 en 4 dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft in een zeer korte periode twee overvallen gepleegd waarvan één op een juwelierszaak en één op een cafetaria. Tevens heeft hij twee agenten beledigd.

Voor wat betreft de twee overvallen die verdachte samen met een mededader heeft gepleegd blijkt uit de verklaringen van het slachtoffer en de door de bewakingscamera’s gemaakte beelden dat beide daders snel naar binnen gaan en handelen. In de juwelierszaak gaat een dader meteen aan de slag door diverse vitrines in te slaan en de horloges en sieraden daaruit weg te nemen. De ander gaat gewapend met een groot mes richting het atelier, alwaar hij stuit op weerstand van een medewerker, die zich weet te weren door een grote kniptang ter hand te nemen. Bij de frituur stormen beide daders meteen achter de toonbank waarbij mevrouw [slachtoffer 4] meteen een bijl op haar keel wordt gezet. Beide keren dragen beide daders integraalhelmen teneinde herkenning tegen te gaan en beide keren maken ze zich snel uit de voeten op een scooter.

Bij de overval op de juwelierszaak is één van de daders achter in de werkplaats gekomen. Dat is een privégebied waar de slachtoffers zich altijd veilig voelden. Eén van de daders kwam zo snel binnen dat ze de deur niet meer dicht konden doen. Drie maanden na de overval slapen en werken de slachtoffers nog steeds slecht. Iedere onbekende bezoeker is verdacht. Er komen minder klanten met als gevolg minder omzet. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Uit de aangifte van het echtpaar [naam] blijkt dat ze erg bang waren dat hun kinderen iets zou overkomen toen deze net terug kwamen van het buitenspelen en de zaak inliepen toen de overvallers nog aanwezig waren. Dat ook deze kinderen het nodige van de overval hebben meegekregen blijkt ook uit de getuigenverklaring van mevrouw [getuige 2] die vertelt dat de kinderen naar haar toe kwamen en vertelden dat er een overval was.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank er rekening mee dat blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister verdachte reeds eerder ter zake van een reeks overvallen is veroordeeld.

Verdachte was gewaarschuwd doordat hem voor die reeks overvallen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd.

Een langdurige gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer op zijn plaats. Het blijkt niet mogelijk om verdachte van ernstige strafbare feiten te weerhouden door begeleiding. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden. Deze gevangenisstraf is korter dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank heeft niet alles bewezenverklaard, maar vooral acht de rechtbank voor deze nog zeer jonge verdachte toch nog enig perspectief noodzakelijk.

10.4.Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten vijf biljetten van € 500,- dienen te worden verbeurdverklaard.

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen.

10.5.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 3] p/a [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 350,- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit (artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor. De vordering immateriële schade, die door verdachte niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 7 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 2] p/a [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 225,- en de immateriële schade op een bedrag van € 750,- gesteld, en wil die schades vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit (artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de post ‘eigen risico’.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor. De vordering immateriële schade, die door verdachte niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 975,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 975,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 19 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 57, 266, 267, 312.

12.De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf beslist dient te worden zoals hierna is vermeld.

13.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd:

5 biljetten van € 500,-;

wijst toe de vordering benadeelde partij [slachtoffer 3];

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 3], p/a [adres], te betalen een bedrag van € 350,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 350,- subsidiair 7 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) genaamd [slachtoffer 3], p/a [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering benadeelde partij [slachtoffer 2];

veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2], p/a [adres], te betalen een bedrag van € 975,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 975,- subsidiair 19 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) genaamd [slachtoffer 2], p/a [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 975,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 11 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.W.G. Roebroek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 29 juni 2011.