Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ8878

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
04/8607641-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging moord, omdat verdachte nog geen begin van uitvoering heeft kunnen maken, dankzij alert en lovenswaardig optreden van politieambtenaren. Verdachte wordt veroordeeld voor voorbereiding van moord omdat uit zijn uitlatingen en gedrag zijn voornemen het beoogde slachtoffer te doden, genoegzaam is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/860761-10

Datum uitspraak: 22 juni 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 8 juni 2011.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 27 december 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten

rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en

rustig overleg) na in een woning een tweetal messen te hebben opgehaald, zich

vervolgens in de richting heeft begeven van voormelde [slachtoffer] die hij eerder op

die avond al dreigende woorden had toegevoegd, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289/287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 27 december 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet na in een woning een tweetal

messen te hebben opgehaald, zich vervolgens in de richting heeft begeven van

voormelde [slachtoffer] die hij eerder op die avond al dreigende woorden had

toegevoegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(artikel 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 27 december 2010 in de gemeente Venlo ter voorbereiding

van het misdrijf van poging tot moord en/of doodslag en/of zware mishandeling

van [slachtoffer], waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van

acht jaar of meer is gesteld, opzettelijk twee messen bestemd tot het begaan

van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad en zich daarmee in de richting van

die [slachtoffer] heeft begeven;

(artikel 46 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 27 december 2010 in de gemeente Venlo [slachtoffer] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de

woorden toegevoegd :"Wacht maar, ik pak je met mijn broer, ik maak je dood",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijs

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 juni 2011 gevorderd dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord en de onder 2 tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde omdat er nog geen begin van uitvoering was en voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen het doel van belang is en de bedoeling van verdachte niet gericht was op het steken met een mes.

7.2.Bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Samenvatting van de bewijsmiddelen

[slachtoffer] is op 27 december 2010 omstreeks 02.30 uur werkzaam als portier in café [naam] te Venlo wanneer hij een collega hoort zeggen dat er ruzie is in het achterste gedeelte van het café. Hij loopt er naar toe en ziet dat twee personeelsleden een menigte uit elkaar proberen te houden. Hij ziet dat verdachte, de hem bekende [verdachte], in die menigte aanwezig is. Hij ziet verdachte met beide armen en gebalde vuisten een slaande beweging maken in de richting van de groep jongeren. [slachtoffer] neemt een andere jongen in een nekklem en brengt die naar buiten. Wanneer hij weer in het café komt ziet hij dat personeelsleden van [naam] verdachte naar de voorzijde van het café begeleiden en dat het gezicht van verdachte onder het bloed zit. Vervolgens wil hij verdachte overnemen en hem naar buiten brengen voor het verlenen van EHBO. Dan ziet hij dat verdachte bewusteloos raakt. Na enkele seconden ziet hij verdachte weer bij bewustzijn komen. Direct daarna ziet hij dat verdachte met zijn rechter platte hand uithaalt naar de rechterkant van zijn gezicht. Hij hoort dat verdachte tegen hem schreeuwt “wacht maar, ik pak je met mijn broer, ik maak je dood”. Dit schreeuwt verdachte meerdere malen. [slachtoffer] voelt zich hierdoor bedreigd en is bang dat deze bedreigingen ook in daden zullen overgaan.

De verbalisanten [naam] en [naam] krijgen op 27 december 2010, omstreeks 01.35 uur, de telefonische melding om te gaan naar café “[naam]” aan de [adres] te Venlo. Voor dat café zou een opstootje zijn. In de Jodenstraat zien zij dat verdachte in gesprek is met de verbalisant [naam] en dat verdachte een bebloed gelaat heeft. Zij horen verdachte roepen: “hou mij maar aan, ik ga hem vermoorden, als ik hem vanavond niet dood maak dan mogen jullie allemaal mijn moeder neuken”. Op de vraag aan verdachte of hij aangifte wil doen, antwoordt hij dat hij inderdaad aangifte wil doen. Hij roept dan: ik neem die portier nog wel te pakken en snij hem de keel door, hij woont vlakbij mij”.

Verdachte wordt vervolgens door de verbalisanten [naam] en [naam] overgebracht naar het politiebureau te Venlo voor het doen van aangifte. Tijdens het transport horen zij verdachte zeggen dat de uitsmijter die hem een kopstoot had gegeven bij hem in de straat woont en dat hij het zelf wel allemaal gaat regelen. Verder horen zij hem zeggen dat hij al drie jaar heeft vastgezeten en dat het hem niets interesseert om nog eens tien jaar te gaan zitten. In het politiebureau wordt verdachte gevraagd in de wachtruimte te wachten. Wanneer de verbalisanten terugkomen in de wachtruimte, zit verdachte daar niet meer. De verbalisanten stappen in hun dienstvoertuig en zien verdachte in de richting van het centrum van Venlo lopen. De verbalisant [naam] spreekt verdachte aan en hoort hem zeggen dat hij het zelf wel gaat regelen. Vervolgens loopt verdachte door in de richting van het centrum.

De verbalisanten [naam] en [naam] zien verdachte omstreeks 02.10 uur in de richting van de [adres] lopen en spreken hem aan. Verdachte geeft hieraan in eerste instantie geen gehoor en loopt met versnelde pas in de richting van café [naam]. Op een afstand van tussen de 50 en 75 meter van [naam] houden zij verdachte tegen door voor hem te gaan staan. Verbalisant [naam] ziet onder het T-shirt van verdachte een voorwerp steken. Hij ziet dit doordat het T-shirt op een onnatuurlijke wijze bolde. De verbalisant voelt aan dit voorwerp en haalt het uit de rechterbroekzak van verdachte. De verbalisanten zien dat het een broodmes betreft van ongeveer 30 centimeter. Daarop wordt verdachte aangehouden en naar een dienstvoertuig getransporteerd. In zijn linker broekzak wordt een tweede mes van ongeveer 20 centimeter lengte aangetroffen.

Verdachte verklaart dat hij op 27 december 2010 in café “[naam]” in Venlo is geweest toen daar ruzie is ontstaan. Hij is daar naartoe gegaan en heeft gezien dat de portier daar ook bij is komen staan. Toen verdachte zich omdraaide, heeft hij gezien en gevoeld dat hij op zijn neus werd geslagen. Door de klap werd hij duizelig en raakte hij even weg. Vervolgens is verdachte door het lint gegaan en is hij kwaad geworden op de portier. Hij is door de politie naar het politiebureau gebracht voor het doen van aangifte. Na vijf minuten is hij het politiebureau weer uitgelopen. Hij was nog steeds boos op de portier en wilde terug naar [naam]. Hij wilde degene die hem het bloed op zijn gelaat bezorgd had opzoeken. Hij was zo boos dat hij niet meer wist wat hij deed. Vanuit het politiebureau is hij naar de woning van zijn tante gelopen en heeft hij daar een broodmes gepakt. Hierna heeft hij nog een vleesmes gepakt. Het vleesmes heeft hij in zijn linker broekzak en het broodmes onder zijn T-shirt gestopt. Hij is die messen gaan halen omdat hij helemaal gefrustreerd was. Hij is door het lint gegaan omdat iemand hem geslagen heeft en omdat hij helemaal onder het bloed zat. Hij wilde terug naar [naam] om verhaal te halen bij de portier.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het mogelijk is dat hij de bedreigende woorden zoals die in de tenlastelegging zijn vermeld, heeft gezegd.

7.3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Onder feit 1 is primair ten laste gelegd de poging tot moord dan wel doodslag en/of de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en subsidiair is ten laste gelegd de voorbereiding van een van die misdrijven.

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een begin van uitvoering, omdat er nog geen confrontatie met het slachtoffer was. Verdachte was nog slechts onderweg en werd toen onderschept en weggevoerd.

De raadsman heeft voorts gesteld dat er voor voorbereiding drie criteria beoordeeld dienen te worden: 1. de uiterlijke verschijningsvorm van de middelen, 2. het gebruik van die middelen en 3. het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die middelen voor ogen had. Het gaat in deze zaak in het bijzonder om het doel. Verdachte heeft gezegd dat hij verhaal wilde halen, maar hij bedoelde daarmee dat hij met de portier wilde praten. Dat was zijn doel. Verdachte had de messen slechts bij zich om zich te verdedigen indien hij zou worden aangevallen. Er is dan ook geen sprake van de voorbereiding van een delict waarop een gevangenisstraf van tenminste acht jaren is gesteld, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte nog niet was toegekomen aan daadwerkelijke uitvoeringshandelingen, nu hij nog niet zodanig dicht bij de werkplek van het slachtoffer was gekomen dat hij met de uitvoering van het steken kon beginnen. Er was dan ook geen sprake van een poging tot het, al dan niet met voorbedachten rade, doden van [slachtoffer] dan wel een poging om die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte moet daarom van al hetgeen onder 1 primair is ten laste gelegd worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde voorbereiding overweegt de rechtbank als volgt.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voor de beoordeling of de voorbereidingsmiddelen kennelijk zijn bestemd tot het begaan van het beoogde misdrijf de volgende criteria maatgevend zijn: a. de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen, b. het gebruik daarvan en c. het misdadige doel dat verdachte met het gebruik voor ogen had. Verdachte heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij hem dood zou maken en tegenover de verbalisanten [naam] en [naam] heeft hij verklaard dat hij de keel van [slachtoffer] zou doorsnijden. Verdachte heeft in de woning van zijn tante twee messen genomen. Deze messen betroffen een broodmes van 30 centimeter en een vleesmes van 20 centimeter. De door verdachte gepakte messen zijn naar het oordeel van de rechtbank zeer geschikt om dit door hem geuite voornemen uit te voeren. Verdachte heeft, nadat hij het politiebureau had verlaten, tegenover de verbalisanten [naam] en [naam] verklaard dat hij het zelf zou gaan regelen. Vervolgens heeft hij de messen genomen en heeft hij zich met die messen op weg begeven naar de plaats waar hij veronderstelde dat [slachtoffer] zich bevond. De messen heeft hij op verholen wijze in en onder zijn kleding gedragen, te weten in zijn broekzak en onder zijn T-shirt. Tegenover de politie verklaart hij dat hij boos is en terug wil naar de portier.

Uit de verklaring van verdachte tegenover [slachtoffer] dat hij hem dood zou maken, de verklaring dat hij diens keel zou doorsnijden, de omstandigheid dat hij korte tijd later de messen haalt ten behoeve van een confrontatie en zich vervolgens op weg begeeft in de richting van de plaats waar hij denkt dat [slachtoffer] zich bevindt, leidt de rechtbank af dat de bedoeling van verdachte was die [slachtoffer] met de messen te steken en niet een gesprek aan te gaan zoals door en namens verdachte is betoogd. Verdachte heeft in ruime mate de gelegenheid gehad om zich te bezinnen op zijn handelen en de eventuele gevolgen die dit handelen met zich mee kon brengen. Verdachte is desondanks bewust de messen gaan halen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er sprake is van “voorbedachte raad” en derhalve van voorbereiding van moord.

Ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde bedreiging overweegt de rechtbank dat alleen [slachtoffer] de in de tenlastelegging vermelde bewoordingen heeft gehoord. Verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat hij dergelijke woorden heeft gebruikt, terwijl voorts de verbalisanten [naam] en [naam] soortgelijke bewoordingen heeft gehoord. De rechtbank acht dan ook het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 december 2010 in de gemeente Venlo ter voorbereiding van het misdrijf van moord van [slachtoffer], waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van

acht jaar of meer is gesteld, opzettelijk twee messen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad en zich daarmee in de richting van die [slachtoffer] heeft begeven;

2.

hij op 27 december 2010 in de gemeente Venlo [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de

woorden toegevoegd: "Wacht maar, ik pak je met mijn broer, ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

voorbereiding van moord.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 46 in verband met artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

Door de psycholoog J.H.A.M. Kobussen is omtrent de geestvermogens van verdachte op 11 april 2011 rapportage uitgebracht. De deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. De deskundige adviseert uit te gaan van slechts een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 8 juni 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en het volgen van een COVA-training en een agressieregulatietraining.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de psychische gesteldheid van verdachte en voorts dat het van belang is dat verdachte zo spoedig mogelijk met langdurige trainingen kan starten. De raadsman heeft daarom gepleit voor een vrijheidsstraf met een lager onvoorwaardelijk deel dan gevorderd en een fors voorwaardelijk deel met de bijzondere voorwaarden als door de officier gevorderd.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft, nadat hij had gedreigd dat hij [slachtoffer] van het leven zou beroven, ondanks lovenswaardige inspanningen van de politie om problemen te voorkomen, toch het voornemen om die [slachtoffer] te doden willen uitvoeren. Daartoe heeft hij twee messen genomen en is hij op weg naar die [slachtoffer] gegaan. Het is slechts aan de alertheid van de politiemensen te danken dat verdachte zijn voornemen niet heeft kunnen uitvoeren. Indien verdachte niet door de verbalisanten was tegen gehouden, had de poging tot moord door verdachte naar alle waarschijnlijkheid plaatsgevonden in het openbaar en onder de ogen van verschillende personen, die ongewild getuige hadden moeten zijn van het handelen van verdachte.

Verdachte heeft door zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van [slachtoffer]. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een feit als het onderhavige nog lange tijd onder de psychische gevolgen daarvan te lijden kunnen hebben.

Door feiten als de onderhavige wordt de rechtsorde op ernstige wijze geschokt en worden gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank ook acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten.

Gelet op het vorenstaande en mede gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, acht de rechtbank in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden.

De rechtbank zal echter rekening houden met de volgende persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die onder meer blijken uit de over verdachte uitgebrachte rapportage van de psycholoog drs. J.H.A.M. Kobussen van 11 april 2011 en van de Reclassering Nederland te Roermond van 27 april 2011.

De psycholoog concludeert dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en van narcistische en antisociale trekken in zijn persoonlijkheid. Verdachte heeft een sterke vergeldingsdrang en zijn incasseringsvermogen is laag. Zijn vermogen om zijn gedrag adequaat en doelbewust te sturen is beperkt door zijn zwakbegaafdheid. De deskundige acht verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar. De kans op herhaling van soortgelijk delictgedrag is aanwezig. Om de kans op recidive te verkleinen is het belangrijk dat verdachte alternatieve gedragingen leert toepassen in conflictsituaties door middel van agressieregulatietechnieken. Geadviseerd wordt dat verdachte voor lange tijd deelneemt aan een training op het gebied van conflicthantering en agressieregulatie, waarbij toezicht door de reclassering geïndiceerd is. Daarnaast wordt geadviseerd dat hij begeleiding krijgt bij het vinden van adequate dagbesteding, bij een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking.

De reclassering acht op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de interventies die in het verleden hebben plaatsgevonden, een toezicht op bijzondere voorwaarden met gedragsinterventies en/of behandelingen geïndiceerd.

Op grond van de conclusies van de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat een spoedige aanvang van de gedragstrainingen voor verdachte gewenst is, zodat zij een gevangenisstraf met een lager onvoorwaardelijk deel dan door de officier van justitie gevorderd, namelijk 10 maanden, passend acht. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank opleggen overeenkomstig de eis van de officier van justitie met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en het volgen van een COVA-training en een agressieregulatietraining, zolang de reclassering dit nodig acht doch maximaal twee jaren.

10.4.Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat inbeslaggenomen zijn twee messen, te weten een broodmes en een vleesmes.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene aan wie deze toebehoren, zoals hierna in de beslissing genoemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 14d, 46, 27, 57, 285, 289.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 20 maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 10 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, - ook als dat inhoudt het volgen van een COVA-training en een agressieregulatietraining -, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen messen, te weten een broodmes en een vleesmes, aan de eigenaar [naam].

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, V.P. van Deventer en N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, van wie mr. V.P. van Deventer voorzitter, in tegenwoordigheid van

P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op

22 juni 2011.