Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ8107

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
Awb 11 / 133 en Awb 11 / 134
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW4515, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Crisis- en herstelwet. Herstructurering van woon- en werkgebied. Projectbesluit.

Het projectbesluit, dat ziet op een gedeelte van een bedrijventerrein, is genomen in verband met de herhuisvesting van de MOV en heeft tot doel de vestiging van de MOV op de betreffende locatie mogelijk te maken omdat die locatie hiertoe het meest geschikt is. Het projectbesluit is niet genomen in het kader van een concrete planologische herinrichting van het gehele bedrijventerrein. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat met het genomen projectbesluit geen sprake is van een projectbesluit dat vereist is voor de verwezenlijking van de herstructurering van een woon- en werkgebied in de zin van artikel 3.1 van bijlage I bij de CHW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/133 en 11/134

Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1], te [woonplaats 1], eiser 1

[eiser 2], te [woonplaats 2], eiser 2,

hierna gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. C. Billen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder

Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen:

[vergunninghouder], te Roermond

(gemachtigde: mr. A.A. van den Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 (hierna: besluit 1) heeft verweerder een projectbesluit vastgesteld ten behoeve van het realiseren van een voorziening ter herhuisvesting van de Stichting Maatschappelijke Opvang Voorziening. Bij afzonderlijk besluit van 14 december 2010 (hierna: besluit 2) heeft verweerder aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning verleend voor de oprichting van een Maatschappelijke Opvang Voorziening (hierna: MOV) op het perceel, kadastraal bekend als Roermond, sectie B, nr. 6320.

Eisers hebben tegen beide besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft naar aanleiding van de beroepen schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het beroep met zaaknummer 11/211, plaatsgevonden op 12 mei 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Voorts is eiser 1 bijgestaan door zijn echtgenote, [naam echtgenote]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. drs. M.G.G. van Nisselroij en door mr. B.J.H.T. Heesakkers, H.F.M. Hoeijmakers, J. Waalen, D.C.M. van Bilzen en

S. Molkenboer. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam 1] en [naam 2]. Na sluiting van de zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het geding met zaaknummer 11/211 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Op 10 september 2010 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ingediend ten behoeve van het geheel oprichten van een MOV aan het adres Spoorlaan Zuid 29 te Roermond. Op de daar gelegen gronden rust ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Roermondse Veld” (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. Omdat het bouwplan waarvoor de bouwvergunning is aangevraagd in strijd is met het bestemmingsplan, heeft verweerder de aanvraag van vergunninghouder op grond van artikel 46, derde lid, van de Woningwet mede aangemerkt als een verzoek om een projectbesluit. Vervolgens heeft verweerder in het lokale weekblad zijn voornemen kenbaar gemaakt een projectbesluit te nemen en vergunninghouder een bouwvergunning te verlenen. Nadat eisers hiertegen zienswijzen hadden ingediend, heeft verweerder bij besluit 1 met toepassing van artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een projectbesluit vastgesteld ten behoeve van het realiseren van een voorziening ter herhuisvesting van de Stichting Maatschappelijke Voorziening. Verweerder heeft dit besluit aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet (CHW). Bij besluit 2 heeft verweerder met toepassing van artikel 40 van de Woningwet aan vergunninghouder een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een MOV aan de Spoorlaan Zuid in Roermond, kadastraal bekend gemeente Roermond, sectie B, nummer 6320.

2.1. Eisers voeren onder meer aan dat ten behoeve van de MOV meerdere locaties mogelijk waren, maar dat nergens uit blijkt waarom de gekozen locatie het meest geschikt is. Daarnaast stellen eisers dat bij de locatiekeuze voor de MOV gebruik gemaakt moet worden van de Matrix omstreden maatschappelijke voorzieningen 2010 (hierna: matrix). Volgens eisers botst de keuze voor de onderhavige locatie met meerdere criteria die in de matrix zijn opgenomen.

2.2. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar artikel 1.9 van de CHW onder meer op het standpunt dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste omdat de gronden waarop eisers zich beroepen niet het oogmerk hebben hun belangen te beschermen. Voorts stelt verweerder dat geen andere locaties bekend zijn met een gelijkwaardig resultaat als de onderhavige die tot aanzienlijk minder bezwaren zouden leiden, zodat alternatieve locaties niet onderzocht hoefden te worden. Verder stelt verweerder dat de matrix is aangepast door het criterium ‘niet in een woonwijk’ te laten vervallen.

3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of besluit 1 als een besluit in de zin van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CHW dient te worden aangemerkt. Verweerder heeft in dat verband betoogd dat met besluit 1 sprake is van een besluit dat vereist is voor de herstructurering van woon- en werkgebieden als bedoeld in artikel 3.1 van bijlage I bij de CHW. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder verwezen naar het wijkontwikkelingsplan “Roermondse Veld” van 14 oktober 1999. Volgens verweerder is in dat kader met besluit 1 sprake van een herstructurering van het betreffende bedrijventerrein waarop de MOV zal worden gerealiseerd.

4. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CHW is afdeling 2 van die wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

5. Vast staat dat besluit 1 betrekking heeft op een gedeelte van een bedrijventerrein nabij het spoor in de wijk “Roermondse veld”. De rechtbank stelt voorts vast dat besluit 1 is genomen in verband met de herhuisvesting van de MOV en tot doel heeft de vestiging van de MOV op de betreffende locatie mogelijk te maken omdat die locatie volgens verweerder hiertoe het meest geschikt is. Niet gebleken is dat besluit 1 is genomen in het kader van een concrete planologische herinrichting van het gehele betreffende bedrijventerrein. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat met besluit 1 geen sprake is van een projectbesluit dat vereist is voor de verwezenlijking van de herstructurering van een woon- en werkgebied in de zin van artikel 3.1 van bijlage I bij de CHW. De gestelde omstandigheid dat sprake is van een herstructurering op grond van het wijkontwikkelingsplan “Roermondse Veld” en dat besluit 1 ter uitvoering van dit plan is genomen, leidt niet tot een ander oordeel. In dit wijkontwikkelingsplan is weliswaar besproken op welke wijze de zone aan het spoor op de langere termijn ontwikkeld zou kunnen worden, maar uit dit globale plan blijkt niet welke concrete projecten vereist zijn om tot herstructurering van die zone te komen, en al helemaal niet dat daarmee een project als het onderhavige is beoogd.

6. Op grond van het onder 5 overwogene concludeert de rechtbank dat besluit 1 geen besluit is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CHW, zodat afdeling 2 van de CHW - en daarmee ook artikel 1.9 van de CHW - niet op dit besluit van toepassing is.

7. Met betrekking tot besluit 1 overweegt de rechtbank voorts als volgt.

8. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het verzoek om een projectbesluit te nemen en de aanvraag om een bouwvergunning vóór de inwerkingtreding van de Wabo zijn ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

9. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan op de gronden rustende bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’.

10. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder projectbesluit verstaan: een besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft.

11. Ingevolge artikel 3.10 van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen. Artikel 3:10 bepaalt verder dat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project dient te bevatten en dat de gemeenteraad de bevoegdheid kan delegeren aan burgemeester en wethouders. Van laatstgenoemde mogelijkheid is in het onderhavige geval gebruik gemaakt.

12. Eisers betogen dat de keuze voor de locatie aan de Spoorweglaan Zuid in strijd is met een aantal criteria van de matrix en dat om die reden niet gekozen had mogen worden voor die locatie. Eisers stellen in dat verband allereerst dat de gekozen locatie midden in een woonwijk ligt, wat in strijd is met het criterium ‘niet in een woonwijk’. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de Raad van de gemeente Roermond bij besluit van 8 juli 2010 heeft besloten de matrix aan te passen waarbij het criterium ‘niet in een woonwijk’ is komen te vervallen. Ten tijde van besluit 1 maakte dit criterium dus geen deel meer uit van de matrix, zodat de keuze voor de locatie reeds daarom in dat opzicht niet in strijd is met de matrix.

13. Eisers voeren verder aan dat de locatiekeuze in strijd is met het criterium ‘niet in directe omgeving kwetsbare voorzieningen’, nu de MOV opgericht zal worden in de buurt van speelplaatsen voor kinderen en nabij basisschool ‘De Spoorzoeker’. Deze grond kan evenmin slagen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat blijkens het verhandelde ter zitting een raadsbesluit is genomen, inhoudende dat voormelde basisschool per

1 augustus 2012 zal verhuizen naar een andere locatie, zodat strijdigheid met voormeld criterium in zoverre niet (meer) aanwezig is. Voor zover nog sprake is van andere kwetsbare voorzieningen in de directe omgeving zoals speelplaatsen, is de rechtbank uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat deze via de zogeheten Klankbordgroep MOV (hierna: klankbordgroep) geïnventariseerd worden en dat flankerende maatregelen (zullen) worden getroffen teneinde zo veel mogelijk te voorkomen dat die voorzieningen nadelig effect van de MOV zullen ondervinden.

14. Eisers hebben daarnaast gewezen op de strijdigheid van de gekozen locatie met het criterium ‘overzichtelijkheid’. Blijkens dit criterium moet de locatie overzichtelijk zijn wat onder meer inhoudt dat de weg waaraan het pand ligt vrij breed moet zijn, dat het pand niet gebruikt wordt voor andere doeleinden en dat er geen opgaand groen in de directe omgeving aanwezig is in verband met aspecten van handhaving en openbare orde. De rechtbank is niet gebleken dat sprake is van strijd met dit criterium. De MOV zal blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gevestigd worden aan een brede weg, terwijl het opgaand groen in de nabije omgeving gesnoeid is. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat het pand gebruikt zal worden voor andere doeleinden. Met betrekking tot de nabijgelegen Zwartbroektunnel waarnaar eisers verwezen hebben, is uit het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat deze tunnel de uitdrukkelijke aandacht heeft van de klankbordgroep en van verweerder, en dat in het kader van de handhaving van de openbare orde bij deze tunnel maatregelen getroffen zullen worden.

15. Eisers voeren verder aan dat er alternatieve locaties zijn met aanmerkelijk minder bezwaren. Dienaangaande overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder ingevolge vaste jurisprudentie een beslissing dient te nemen omtrent het bouwplan, zoals daarvoor bouwvergunning is gevraagd en dat verweerder niet verplicht is om alternatieven te onderzoeken. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat de locatie aan de Slachthuisstraat te Roermond, waarnaar eisers verwezen hebben, niet direct beschikbaar is en om die reden geen alternatief voor de gekozen locatie vormt. Eisers hebben dit niet weersproken en aldus niet aannemelijk gemaakt dat met dit aangedragen alternatief een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt met aanzienlijk minder bezwaren.

16. Op grond van het 12 tot en met 15 overwogene concludeert de rechtbank dat verweerder niet heeft besloten in strijd met het (politiek) vastgestelde beleid. Nu overigens gesteld noch gebleken is dat de ruimtelijke onderbouwing ontoereikend is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 3.10 van de Wro besluit 1 te nemen. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of verweerder in het kader van de beoordeling van het verzoek om een projectbesluit alle bij het bouwplan betrokken belangen heeft afgewogen. In dat verband is van belang dat het nemen van een projectbesluit op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid is, waarbij door de rechtbank slechts kan worden beoordeeld of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid al dan niet gebruik te maken.

17. Eisers hebben onder meer betoogd dat het plangebied recht achter hun woningen is gesitueerd. Zij vrezen overlast van druggebruikers te zullen ondervinden nu op de locatie zowel de methadonverstrekking als een gebruikersruimte worden gevestigd. Verweerder heeft in dat verband onder meer gesteld dat de klankbordgroep in het leven is geroepen waarbij omwonenden, scholen, wijkraden, zorgaanbieders, het welzijnswerk, woningcorporaties, politie en diverse afdelingen van de gemeente Roermond zijn betrokken. De doelstelling van deze klankbordgroep is de MOV zo goed mogelijk te integreren in de (directe) omgeving. Een belangrijk onderdeel daarvan is het leveren van een bijdrage aan het voorkomen en bestrijden van overlast, waarbij aandacht is voor de veiligheid en leefbaarheid in de wijk. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat, indien toch overlast ontstaat, hierop op basis van het Drang- en dwangbeleid van de gemeente Roermond snel ingegrepen zal worden in overleg met de begeleidingscommissie MOV. Gelet op vorenstaande maatregelen, daarbij in aanmerking nemend dat de MOV een maatschappelijke noodzaak kent en met de oprichting ervan een algemeen belang is gediend, is de rechtbank van oordeel dat, nu verweerder het belang van veiligheid in de wijk en de voorkoming van overlast heeft meegewogen bij zijn besluitvorming en dit belang tracht te waarborgen, verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid besluit 1 heeft kunnen nemen. Hetgeen overigens door of namens eisers is aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

18. Ter zake van besluit 2, waarbij aan vergunninghouder een bouwvergunning ten behoeve van de vestiging van de MOV is verleend, overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is van gronden die tot weigering van de bouwvergunning zouden moeten leiden. Dit betekent dat verweerder die vergunning terecht aan vergunninghouder heeft verleend.

19. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het beroep van eisers ongegrond zal worden verklaard.

20. De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. M.C.M. Hamer (voorzitter), mr. L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen, en mr. Th.M. Schelfhout, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2011.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 juni 2011

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.