Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ7966

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
04/860437-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860437-10

Datum uitspraak : 14 juni 2011

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 31 mei 2011.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juli 2010 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend [slachtoffer]), heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een schedelbasisfractuur), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

De rechtbank heeft als gevolg van een kennelijke omissie van de steller van de tenlastelegging in regel 2 de naam van het slachtoffer verbeterd in ‘[slachtoffer]’. Er stond ‘[slachtoffer]’. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 31 mei 2011 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 mei 2011;

- de medische verklaring over het letsel van het slachtoffer, de heer [slachtoffer].

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 03 juli 2010 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een schedelbasisfractuur) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

De raadsvrouw van verdachte heeft namens verdachte aangevoerd, dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw stelt dat aan de mishandeling een verkeersruzie tussen verdachte en slachtoffer vooraf is gegaan. Getuigen hebben verklaard dat het slachtoffer toen met een ijzeren staaf of een knuppel in de richting van de auto van verdachte is gelopen en dat er is gescholden. Toen verdachte later terugging om de schade te regelen, heeft hij het slachtoffer uit zelfverdediging één klap gegeven, nádat het slachtoffer hem had willen slaan. Het is volgens de raadsvrouw voorstelbaar dat verdachte niet goed heeft nagedacht en in paniek is geraakt.

De rechtbank verwerpt dit beroep op noodweer.

Voor een beroep op noodweer moet allereerst sprake zijn van een noodweersituatie. Verdachte stelt ter terechtzitting dat het slachtoffer, de heer [slachtoffer], hem wilde slaan door met zijn rechterarm een uitslaande beweging te maken die verdachte wist te ontwijken. De rechtbank concludeert dat de situatie zoals verdachte die schetst, niet door de bewijsmiddelen is uit te sluiten en neemt daarom in het voordeel van verdachte aan dat er sprake was van een noodweersituatie waarin zelfverdediging in beginsel is toegestaan.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is echter vervolgens vereist dat de verdediging noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het handelen van verdachte daaraan niet. Verdachte had voldoende andere middelen om zich aan de aanval te onttrekken. Verdachte en het slachtoffer bevonden zich buiten op een open parkeerterrein waar verdachte naar het oordeel van de rechtbank alle ruimte had om weg te komen en bijvoorbeeld de politie te hulp te roepen. Nu verdachte deze voor de hand liggende vluchtmogelijkheid niet heeft benut, heeft hij een verkeerde keuze gemaakt. Er mocht van hem een andere handelswijze worden gevergd.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 31 mei 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast vordert de officier van justitie de gehele toewijzing van de vordering benadeelde partij.

De officier van justitie rekent het verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer zelf heeft opgezocht en doelbewust een klap heeft uitgedeeld met zeer ernstig letsel voor het slachtoffer tot gevolg, terwijl de aanleiding slechts een verkeersincident was. De officier van justitie noemt het verhaal van verdachte dat hij was geschrokken van het gedrag van het slachtoffer tijdens en na het verkeersincident ongeloofwaardig. Als dat zo zou zijn, zou verdachte daarna het slachtoffer niet zelf hebben benaderd. Daarnaast weegt de officier van justitie in het nadeel van verdachte mee dat hij, nadat hij zag dat het slachtoffer viel, de benen heeft genomen en zich niet meer om de heer [slachtoffer] heeft bekommerd. In het voordeel van verdachte houdt zij rekening met zijn blanco strafblad.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat er omstandigheden zijn die de strafmaat moeten matigen. Zij noemt het blanco strafblad van verdachte en het feit dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen door zich zelf bij de politie te melden. Zij benadrukt ook de verkeersruzie die aan de mishandeling vooraf is gegaan en de rol die het slachtoffer zelf speelde in de aanloop naar het incident. De verdediging vindt het advies van de reclassering voor een deels voorwaardelijke straf in combinatie met een werkstraf passend, maar vindt 180 uur werkstraf te zwaar.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Op 3 juli 2010 brengt de heer [slachtoffer], het latere slachtoffer, zijn bejaarde moeder met de auto terug naar haar appartement in een verzorgingshuis. Vlakbij haar huis ontstaat er een verkeersruzie tussen de heer [slachtoffer] en verdachte, die ook in een personenauto rijdt. De lezingen over wat er precies tussen de bestuurders is voorgevallen, lopen uiteen. Duidelijk is in ieder geval dat de gemoederen bij beiden zijn opgelopen. Verdachte vertrekt uiteindelijk met de auto en de heer [slachtoffer] parkeert zijn auto op het parkeerterrein van het verzorgingshuis en brengt zijn moeder naar haar appartement. Enige tijd later, als de heer [slachtoffer] bij zijn moeder vertrekt, staat verdachte op het parkeerterrein. Naar eigen zeggen is verdachte teruggegaan om de schade te regelen en heeft hij uit voorzorg een vriend meegenomen die op de hoek van het parkeerterrein blijft staan. Wanneer de heer [slachtoffer] naar beneden komt, vindt de mishandeling plaats. Verdachte raakt de heer [slachtoffer] één keer tegen het hoofd, waarna deze op de grond valt. De heer [slachtoffer] loopt hierbij een schedelbasisfractuur op.

Bij het bepalen van de straf neemt de rechtbank in aanmerking dat de mishandeling niet uit ‘het niets’ is ontstaan, maar dat slachtoffer en verdachte samen ruzie in het verkeer hebben gehad. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte dat hij ná het incident naar eigen zeggen een vriend is gaan halen om daarna terug te keren om de heer [slachtoffer] te zoeken. Hij heeft de heer [slachtoffer] een slag tegen het hoofd gegeven, waarna deze zo ongelukkig is terechtgekomen dat hij ernstig letsel opliep. Hoewel verdachte heeft verklaard dat dit nooit de bedoeling is geweest, is de heer [slachtoffer] voor de rest van zijn leven getekend. In zijn slachtofferverklaring schrijft hij dat hij zijn hele werkzame leven al professioneel musicus is. Vanwege het letsel dat hij heeft opgelopen, is de heer [slachtoffer] op dit moment nog volledig arbeidsongeschikt. Zijn toekomstperspectief op het terrein van zijn passie - de muziek - blijft ook op langere termijn uiterst onzeker. Bovendien brengt het niet kunnen werken ook de nodige financiële consequenties met zich mee.

De rechtbank heeft er daarnaast oog voor dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het pleit ook voor hem dat hij zich zelf bij de politie heeft gemeld. Uit het advies van de reclassering blijkt dat verdachte is geschrokken van zijn eigen gedrag. De reclassering ziet geen patroon van agressief gedrag en beoordeelt de mishandeling als een incident. Zij schat het recidiverisico in als laag.

Als de rechtbank de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte in aanmerking neemt, komt zij tot een lagere straf dan de officier van justitie eist. De rechtbank oordeelt dat een werkstraf van 240 uur waarvan 120 uur voorwaardelijk een passende straf is.

10.4. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] wonende te [adres], heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Post 2: kosten met betrekking tot het ziekenhuisverblijf

Bij de opgenomen kosten onder deze post, stelt de rechtbank vast dat de volgende kosten voor een bedrag van opgeteld € 433,84 rechtstreeks uit het strafbare feit voortvloeien:

Verblijfskosten eigen risico ziekenhuis Venlo (€ 145,59), TV ziekenhuis (€ 23,-), bloedvlekkenverwijderaar (€ 7,77), een ongebruikt gebleven fitness abonnement (€ 107,-), Ibuprofen (€ 2,98), een hoofddeksel voor wondbedekking (€ 82,50) een kapot geknipt overhemd (€ 60,-) en de inname van een broekriem (€ 5,-).

Posten 3 en 5: reiskosten

Bij de kosten die onder deze post zijn opgenomen, stelt de rechtbank vast, dat rechtstreeks uit het strafbare feit voortvloeit uit post 3 een bedrag van € 192,96 (804 km. x € 0,24) en uit post 4 een bedrag van € 142,80 (treinkaartjes: € 28,40, parkeren: € 4,- en 460 km à € 0,24). Het totaalbedrag van de posten 3 en 5 bedraagt 335,76.

Post 6: uitgaven tijdens revalidatie

De rechtbank acht de kosten onder deze post rechtstreeks uit het strafbare feit voortvloeiend. Anders dan de raadsvrouw oordeelt de rechtbank dat het maken van de kosten onder deze post redelijk is, daarom wijst zij deze post toe voor het totaalbedrag van

€ 452,20. Dit bedrag is opgebouwd uit: tanderosiebescherming (€ 8,69), bot- en spierpijnremmers (€ 36,20), eigen risico oogarts (€ 97,65), intake AMC Multipoli (€ 72,21), zenuwpijnremmers (€ 12,50), schoenen geschikt voor inlegzolen (€ 169,95), oprekken 3 paar oude schoenen (€ 30,-) en de aanschaf van het boek en cd ‘Leven met pijn’(€ 25,-).

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen tot een bedrag van € 1.221,80 (€ 433,84 + € 335,76 + € 452,20).

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat de schade echter niet volledig voor rekening van verdachte kan komen, nu er aan de zijde van het slachtoffer sprake is van ‘eigen schuld’ in civielrechtelijke zin. Het slachtoffer heeft immers ook een rol gespeeld in de verkeersruzie die aan de mishandeling voorafging. De rechtbank oordeelt dat van ‘eigen schuld’ aan de kant van het slachtoffer echter niet is gebleken en dat er daarom ook geen sprake kan zijn van voor de vaststelling van de schadevergoeding relevante eigen schuld.

Wat betreft de overige door de benadeelde partij gevorderde kosten, waaronder de post voor immateriële schade waarvan de omvang nog niet vaststaat, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij een zodanige onevenredige belasting oplevert voor het strafgeding, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank bepaalt, gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat de vordering daarom niet-ontvankelijk is en de dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer] een bedrag van € 1.221,80 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 300.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat voor iedere dag die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht aftrek zal plaatsvinden naar de maatstaf van twee uren per dag;

beveelt dat van deze werkstraf 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

verstaat dat de werkstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], [adres] tot een bedrag van € 1.221,80;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer], [adres] te betalen een bedrag van € 1.221,80;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van EUR 1.221,80 subsidiair 22 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.221,80 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], voor de overige verzochte materiële schade en immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk, aangezien de vordering op die onderdelen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs en W. Brouwer, rechters, van wie mr.M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Feuth als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 14 juni 2011.